Veel katholieken kennen het jodendom nauwelijks

AMSTERDAM - De meeste Nederlandse katholieken zullen niet bepaald wakker liggen van het Vaticaanse document over de holocaust. Dat is de schatting van Eric Ottenheijm. Als studiesecretaris van de Katholieke raad voor Israël (Kri) behoort het tot zijn taak de geloofsgenoten in den lande bewust te maken van het essentiële belang van de joodse religie voor de eigen christelijke identiteit. Dat lukt, legt hij uit, slechts ten dele.

Ottenheijm (36, studies theologie en judaïca): “In r.-k. Nederland zijn sinds de jaren tachtig de belangstelling voor en het inzicht in het jodendom weliswaar toegenomen, maar het betreft nog steeds een kleine groep. Het is zeker niet zo dat de hele basis zich ermee bezighoudt.”

Het merendeel van de katholieken loopt volgens de Kri-secretaris niet erg warm voor de joods-christelijke dialoog. Reden: gebrek aan kennis en gemis aan traditie. Ottenheijm acht de kans nihil dat het holocaustdocument in den brede invloed zal hebben. Dat bleek ook amper het geval toen de Nederlandse bisschoppen, mei 1995, een fundamentelere verklaring over het jodendom publiceerden. “Veel katholieken weten nu nog niet van het bestaan af.”

Wel is het zo, constateert Ottenheijm, dat de minderheid die het belang inziet van goede, intensieve relaties met het jodendom min of meer een volwaardige plek binnen de beleidsorganen van de Nederlandse kerkprovincie heeft gekregen. “Dat was vroeger wel anders. Vóór de oorlog en ook nog lang erna was van acceptatie geen sprake.”

Ottenheijm hoopt dat er een olievlekwerking zal uitgaan van de groepjes die, verspreid over het land, in leerhuizen en anderszins bezig zijn met het jodendom. Totdat op den duur - “met de klemtoon op het laatste” - ook de meerderheid gaat beseffen dat ze de essentie van hun geloof nooit zullen bevatten als ze aan het jodendom voorbijgaan.

Ottenheijm: “Dat jodendom is geen 'vreemde mogendheid', maar een naaste buur, over wiens erf het pad loopt dat leidt naar de kern van de christelijke identiteit.”

Waarom heeft het overigens zo lang geduurd voordat de Nederlandse bisschoppen met hun verklaring over het jodendom kwamen? Het Franse, Duitse en zelfs het Poolse episcopaat waren eerder. “Onze bisschoppen”, aldus Ottenheijm, “dachten lange tijd dat zij geen mea culpa hoefden uit te spreken. Ze voelden zich de morele erfgenamen van aartsbisschop De Jong, wiens principiële en moedige houding in de oorlog hoog werd aangeslagen in joodse kring. De Nederlandse bisschoppen hadden daardoor het idee dat ze goed zaten. 'Ons valt niets te verwijten'.”

“Het idee dat zij in een anti-judaïstische geschiedenis stonden, die er bijvoorbeeld toe had geleid dat in 1924 voorgangers van hen de Nederlandse katholieken hadden verboden voor joden te werken of dagelijks met hen om te gaan, kwam pas bij hen op toen Nederland eindelijk voluit bezig was zich te bezinnen op zijn eigen oorlogsverleden. Daarin onderscheidden de katholieken zich niet van de rest.

Het was ook de periode - half jaren tachtig, begin jaren negentig - toen de scherpste tegenstellingen binnen het bisschoppencollege en de geloofsgemeenschap als geheel wat waren afgevlakt. Nieuwbenoemde bisschoppen raakten, samen met sommige zittende collega's, ervan overtuigd dat het hoog tijd werd zich duidelijk uit te spreken.

Men besefte dat zo'n verklaring alleen zin had als ze een stap verder ging dan het conciliedocument Nostra Aetate uit 1965. Daarin werden antisemitisme en racisme 'tegen wie dan ook' slechts in algemene zin betreurd. Dat was te weinig.''

“De 'brief' die de Nederlandse bisschoppen publiceerden mocht dan wat minder warm van toon zijn dan menigeen had gehoopt, de kern ervan was een duidelijke erkenning dat een eeuwenlange traditie van anti-joods kerkelijk en theologisch denken heeft bijgedragen aan een klimaat waarin de moord op zes miljoen joden kon plaatsvinden. Dat was meer dan waartoe het Vaticaan nu zelf is gekomen.”

Toch heeft het niet verhinderd dat er sindsdien enkele bisschoppen - Bomers, Simonis - op genante wijze in de fout zijn gegaan. Eric Ottenheijm: “Ach, van sommige bisschoppen moet je accepteren dat het perspectief waarmee ze naar het jodendom kijken in wezen onveranderd blijft. That's a fact of life. Maar het is evenzeer een feit dat ook hun handtekeningen onder het stuk van '95 staan.

En als je dat vergelijkt met bijvoorbeeld de situatie op het Pastoraal Concilie (1966-'70), waar de subcommissie Kerk en Israël de wind van voren kreeg omdat ze in een ontwerptekst de term 'het joodse volk' bezigde - volgens critici had dat een politieke lading -, dan is er in de twintig jaar daarna heel wat veranderd. Zelfs een man als kardinaal Alfrink had moeite met het jodendom.''

Volgens Ottenheijm was in de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig de aandacht van de Nederlandse katholieken vooral binnenkerkelijk gericht: Humanae vitae, het verplichte celibaat, de vrouw in het ambt, omstreden bisschopsbenoemingen en ga maar door. “Dat verduisterde het zicht op het jodendom en heeft een heldere positie in de weg gestaan. Het klimaat was er gewoon niet rijp voor.”

Hoe komt het dat katholieken doorgaans minder interesse voor het jodendom tonen dan protestanten? Ottenheijm: “De toegang tot hun religiositeit loopt bij rooms-katholieken meer via de liturgie dan via het lezen van de Bijbel. Daar hangt direct mee samen dat in de katholieke cultuur, ook in ons land, het studeren op de bijbel veel minder is ontwikkeld dan in de protestantse.”

Een studiecultuur houdt volgens Ottenheijm in dat je jezelf vragen stelt, daarmee worstelt, en ook dat je ze relateert aan allerlei materiaal dat te maken heeft met de wortels van de theologische en kerkelijke traditie. Zo komt men automatisch bij het jodendom terecht. Zo'n cultuur was in de katholieke kerk wel ontwikkeld binnen sommige ordes - augustijnen, jezuïeten, een bepaalde tak van de dominicanen - maar onder de clerus was ze geen gemeengoed.

“Wanneer iemand z'n priesteropleiding achter de rug had ging hij de praktijk in, hield hij zich verder bezig met pastoraat en niet langer met systematische studie. Terwijl priesters toch sleutelfiguren zijn bij het overdragen van mede op de Bijbel geënte geloofskennis.”

“Als men dat vergelijkt met de positie van dominees, dan is die wat leren betreft veel beter. Van hen wordt verwacht dat ze één dag per week studeren, ter voorbereiding van hun preek. Bij katholieke pastores is dat bepaald minder. Daarnaast wordt aangenomen dat een jonge dominee - als het even kan - zich bezighoudt met promotie-onderzoek. En dan komt de Bijbel weer op tafel. Maar ook aan de basis is, en vooral was, dat zo. Wat doet een echte calvinist? Die leest de Schrift en komt zo in contact met het jodendom.” Dat dit niet per definitie een beter begrip voor het jodendom hoeft in te houden maakt Ottenheijm duidelijk met een voorbeeld: na de oorlog startte de hervormde zending een bekeringsactie onder teruggekeerde joden.

De Kri-secretaris wijst er op dat rooms-katholieken zo'n bijbelse traditie veel minder kennen. Daar was de interesse voor de bijbel, voor bijbelse theologie en dus voor het jodendom geringer. Al is er de laatste tijd in ons land op dat punt wat aan het veranderen. Ottenheijm: “Maar of het getalsmatig echt zoden aan de dijk zet? Ik denk dat het grootste deel van de katholieken in Nederland niet in de gaten heeft welke grote veranderingen zich voltrekken. Droevig, maar waar.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden