Veeg de zondag van de straat

Om de straat weer mooi, leefbaar en levendig te maken, is meer nodig dan een plantenbak en een wijkagent. De straat moet als publiek domein opnieuw worden ontdekt als een plaats waar mensen samen wonen, werken en recreëren.

Sinds een jaar of tien is er hernieuwde aandacht voor de straat en het publieke domein. Met veel enthousiasme en goede bedoelingen wordt geprobeerd verloedering tegen te gaan en nieuwe schoonheid te introduceren. Er moet weer leven komen op straat, de straat moet weer ontmoetingsplek worden, er moet zorg aan de vormgeving worden besteed. Maar dan komt er een principieel en basaal probleem aan het licht.

Vroeger was de straat functioneel. Het was een productieruimte. De vermenging van wonen en werken gaf de straat een heel geconcentreerde betekenis. Die mengvormen zijn steeds verder teruggedrongen. Voor het moderne bouwen was functiemenging een vloek. Wonen, werken, recreëren en vervoer moesten uiteen worden getrokken. Geen werkplaatsen in woonwijken en geen woningen bij bedrijven. Zo zijn vrijwel alle naoorlogse wijken opgezet. Vervolgens werden en worden ook oudere wijken volgens hetzelfde principe opgeschoond.

Die scheidingsdrang was historisch gezien begrijpelijk als reactie op de uitwassen van functiemenging in krotten en sloppen. Maar met het elimineren van functiemenging is ook de vitaliteit, diversiteit en dynamiek van de stad verschraald. Nog steeds wordt de stedenbouw sterk gestuurd door het vermijden van confrontaties. Iedereen en alles krijgt z'n eigen plek, een eigen privacy. Dat betekent ook dat je niets meer met anderen te maken hoeft te hebben. De planning voorkomt dat je elkaar ontmoet, dat je rekening met elkaar hoeft te houden.

Door deze functiescheiding is de betekenis van de straat verschraald. De diversiteit van het leven op straat is afgenomen en de straat is vooral gereduceerd tot verkeersruimte, nodig om van de ene functie naar de andere te komen. In de grachten liggen geen werkschuiten meer, maar woonboten. Op sommige plekken in de stad is een andere levendigheid teruggekomen; die van vrije tijd, recreatie, fun shopping en uitgaan. Maar elders is het leeg. Het vacuüm wordt weliswaar meteen gevuld door dat wat dominant is, bijvoorbeeld door geparkeerde auto's, maar die zijn erg schamel en armoedig, in termen van levendigheid en vitaliteit. Misschien juist omdat het steeds leger wordt op straat, blijven we ons ergeren aan de rommel die er nog wel is. Hondenpoep bijvoorbeeld. Als allerlei andere sporen van levendigheid van straat zijn verdwenen, valt hondenpoep ineens op. En wanneer er in de betere wijken nooit meer een vreemde over straat loopt, schrikt iedereen extra hard als het wel gebeurt. Het lijkt alsof we steeds minder kunnen hebben. Het lijkt alsof we het publieke domein tegemoet treden met een soort smetvrees. We verdragen het leven niet, maar tegelijkertijd smeken we dat er weer leven in de stad komt.

Als wethouder in Den Haag was ik tien jaar geleden betrokken bij een van de eerste grote plannen voor de openbare ruimte, 'De Kern Gezond'. Het uitgangspunt was de waarden van de openbare ruimte te erkennen. De openbare ruimte, het publieke domein is van iedereen, ongeacht rang of stand. Het is de plek waar ontmoetingen tussen mensen mogelijk zijn. Dat verdient aandacht, zorg en waardigheid. Helaas is deze goede intentie toch weer meegegaan in de ontwikkeling naar een legere, sterielere openbare ruimte. De leegte wordt opgepoetst, geredesigned en geësthetiseerd, maar blijft leeg. Het idee van een verzorgde openbare ruimte en het idee van ontmoetingsplekken zijn allebei goede ideeën, maar het risico bestaat dat ze abstract blijven. Goede ideeën kunnen mooie collectieve ruimten om naar te kijken opleveren, maar het leven ontbreekt. We maken een zondagochtendstad. Vroeger werd er gewerkt, op straat, aan kade, op pleinen. Alleen op zondagochtend was het leeg. Nu is het iedere dag zondagochtend.

Ik vraag mij af of het publieke domein werkelijk weer van de burgers kan worden. Volgens mij moet de oplossing niet gezocht worden in het herinrichten van de straat zelf. Het gaat om méér, om de functies in de straat, aan de straat, om de straat. Ik denk dat we moeten zoeken naar nieuwe vormen van functiemenging, maar ook van menging van culturen. Het is een van de redenen waarom ik heb gepleit voor meer mogelijkheden voor individueel opdrachtgeverschap. Geef mensen de mogelijkheid zelf hun woning te bouwen of te laten bouwen, individueel of samen met anderen. Geef ze ook de mogelijkheid wonen en werken te mengen. Experimenteer met versoepeling van de hinderwet, waardoor straatgenoten of buurtgenoten onderling kunnen uitzoeken wat ze van elkaar willen verdragen. Geef ook mensen uit andere culturen de mogelijkheid het wonen op hun manier vorm te geven. Zodat er nieuwe vormen van buurtleven en buurtcultuur kunnen ontstaan, met specifieke identiteiten en karakteristieken.

Veel mensen, ook bestuurders, zijn daar bang voor. Een schrijnend voorbeeld vind ik de doelstelling van de woningcorporatie die bijna alle woningen in de Bijlmermeer beheert. De droom van die corporatie is, dat de Bijlmerbevolking gaat lijken op het gemiddelde van de Amsterdamse bevolking. Alles wat speciaal en specifiek is aan de Bijlmer moet uitgesmeerd en kleurloos worden. Ik zou juist die bijzondere karakteristieken als uitgangspunt nemen voor verdere ontwikkeling. De Bijlmer is bijzonder en heeft ook problemen; zorg dat het bijzonder blijft en dat de problemen worden opgelost mét de mensen die er wonen.

Adri Duivesteijn, lid Tweede Kamer (PvdA), sprak in een 'voorjaarsdebat' van PvdA-afd. Haarlem en Velsen, Humanistisch Verbond en Radio Noord-Holland. Vanavond 20 u., restauratie station Haarlem: Job Cohen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden