Vechtlust is een deugd, zag men eeuwen geleden al

Adam Ferguson, die 200 jaar geleden overleed. Beeld Wikimedia Commons

Duitsers en Japanners hebben vorige eeuw met hun militaire veroveringsdrift enorme ellende aangericht. Dat deze volken tegenwoordig veel minder lust ten toon spreiden om ten strijde te trekken, is voor hun buren zonder meer geruststellend. Of toch niet?

Zijn beide landen inmiddels toch te ver de andere kant op doorgeschoten, nu nog maar 18% van de Duitsers en 11% van de Japanners aangeeft bereid te zijn zo nodig voor hun land te vechten? Ook Nederlanders scoren wat dit betreft internationaal vergeleken laag. Wat betekent dit?

Wensen de inwoners van genoemde landen hun vrijheid te laten vertrappen door de eerste de beste agressor, of denken zij dat anderen in geval van nood de kastanjes wel voor hen uit het vuur zullen halen? Geen van beide opties geeft enige aanleiding om trots op te zijn.

Vandaag op de dag af 200 jaar geleden overleed Adam Ferguson, een Schots denker die zich in zijn tijd al zorgen maakte over het verlies aan vechtlust in moderne samenlevingen. Net zoals zijn goede vriend Adam Smith, een veel bekendere representant van de Schotse Verlichting, nam Ferguson waar dat samenlevingen vooruit gaan dankzij arbeidsspecialisatie. En net zomin als Smith wilde hij deze specialisatie overboord gooien. Juist doordat inwoners van moderne handelssamenlevingen zich op heel verschillende taken en beroepen toelegden, had de welvaart met sprongen kunnen stijgen.

Maar Ferguson vroeg ook aandacht voor een schaduwzijde. 'Primitieve' volken mochten dan wel in materiële zin armer zijn, dat waren zij niet (per se) in morele zin. Wat hij vooral in 'primitieve' volken waardeerde was dat alle mannen deelnamen aan de verdediging van hun samenleving.

Strijd tussen volken en landen was nu eenmaal onvermijdelijk en bracht volgens Ferguson soms zelfs het beste in een mens naar boven: moed bijvoorbeeld, en kameraadschap. Bovendien waren allen er op die manier van doordrongen dat (nationale) veiligheid geen vanzelfsprekendheid was, maar ieders inzet vergde.

Taakspecialisatie leidde echter logischerwijze tot een staand (beroeps)leger. Burgers verloren daardoor de binding met de krijgsmacht en raakten ook de militaire deugden kwijt die in 'primitieve' samenlevingen nog wijd verbreid waren. De samenleving als geheel raakte op die manier volgens Ferguson verwekelijkt en werd blind voor de omringende gevaren.

Aldus kon het voortbestaan van de samenleving op het spel komen te staan. Defensie zou het ondergeschoven kindje op de (staats)rekening worden. En dan kon ten slotte de nationale vrijheid het onderspit delven.

Vooruitziende blik
Het is alsof Ferguson, die het merendeel van zijn werken in de tweede helft van de 18e eeuw schreef, voorzag wat Europese landen aan het begin van de 21e eeuw met hun defensie hebben gedaan, en welk risico zij daarmee lopen.

Ferguson was een hartstochtelijk pleitbezorger van een nationale militie, oftewel de bijdrage van het mannelijk deel van de samenleving in brede zin aan 's lands veiligheid. Hij prees krijgshaftigheid maar was allerminst een fan van militaire avonturen.

Om die reden was hij beducht voor grote landen met een republikeinse staatsvorm. De geschiedenis van het Romeinse Rijk had volgens hem laten zien dat zo'n republiek geneigd was tot expansie. Ver weg van de hoofdstad behaalden generaals roem, en konden zij zich makkelijk onttrekken aan het burgerlijk gezag.

Met een beroepsleger was dit gevaar des te groter. Zo'n leger trok volgens Ferguson het schuim der natie aan. De soldaten konden makkelijk op sleeptouw worden genomen door een op macht beluste legeraanvoerder. In Rome was Julius Caesar de Rubicon overgestoken, om zich in de hoofdstad tot dictator te laten benoemen.

Caesar steekt de Rubicon over. Het beeld is uit de vijftiende eeuw (Jean Foucuet - Louvre) Beeld Wikimedia Commons

Hedendaagse parlementaire democratieën lopen zo'n gevaar misschien niet direct. Maar Fergusons' vrees bleek in zijn eigen tijd wel degelijk gerond. De Schotse denker voorspelde namelijk reeds enkele decennia tevoren het scenario dat zich na de Franse Revolutie zou ontvouwen.

Het republikeinse Frankrijk ging al gauw op militaire veroveringstocht, onder de vlag van 'vrijheid, gelijkheid en broederschap'. Dat liep erop uit dat de succesvolste generaal de macht greep en aldus de republiek de nek omdraaide. Napoleon Bonaparte kroonde zichzelf tot keizer, zoals de republiek van het antieke Rome ten slotte in het vergoddelijkte keizerschap van Augustus en zijn opvolgers was ontaard. Dan maar liever zoals in Groot-Brittannië een koning aan wie het leger gehoorzaamheid schuldig was, betoogde Ferguson. Een koning die bovendien zelf weer was gebonden aan de macht van het parlement.

Checks and balances
Een gemengd stelsel, met checks and balances, dat was waar Ferguson als echte Verlichtingsdenker het meest van geporteerd was. Hij leefde net lang genoeg om te kunnen waarnemen hoe Groot-Brittannië de militaire veroveraar Napoleon niet alleen weerstond, maar samen met een internationale coalitie zelfs wist te verslaan.

Democratieën zouden later eenzelfde veerkracht laten zien, in de beide Wereldoorlogen en in de Koude Oorlog. Een goede afloop is echter niet verzekerd: voldoende aandacht voor de krijgsmacht blijft de achilleshiel van een moderne samenleving. Terwijl het toch essentieel is dat burgers de wil behouden om hun vrijheid als de nood aan de man komt ook gewapenderhand te verdedigen.

Patrick van Schie is historicus en directeur van de TeldersStichting, de liberale denktank van Nederland. Hij schrijft deze column op persoonlijke titel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden