Vechtende vogels in de winterkou

Keihard bevroren is de dode reiger, die in een vreemd verwrongen houding vastzit in het ijs. Kraaien, ratten en meeuwen, opruimers van nature, hebben er niets mee kunnen beginnen. De lange sierveren op de rug wapperen af en toe in de ijzige oostenwind.

HENK VAN HALM

Weinig reigers trekken weg voor de vorst. Dat schijnen ze vroeger wel gedaan te hebben, maar door de vele kwakkelwinters van de laatste halve eeuw hebben ze het afgeleerd. Ze pasten zich aan de mensen aan en eten meer dan vis, muizen, ratten en kikkers alleen. Ze pikken zelfs ijverig mee waar brood wordt uitgestrooid voor eenden en andere vogels. En als ze de kans krijgen, grijpen ze daarbij met een snelle uitval een mus of spreeuw, die zonder veel plichtplegingen naar binnen gaat. Er sterven aanmerkelijk minder reigers in een hevige koudeperiode dan vroeger, toen ze de nabijheid van mensen meden. Suffig stonden ze in de uitgestrekte, verlaten vlakten van de Biesbosch en andere grote plassengebieden bij dichtgevroren wakken te wachten op de dood. Dat gebeurt nog wel, maar naar verhouding overleven meer reigers dan enige decennia geleden de strenge vorst in stadsgebieden.

MET DE HOND

Joris staat te piepen op de oever. De tekkel durft het ijs niet op, waar twee dagen geleden de eenden nog in een groot wak rondspetterden. Wat de baas doet, is vreselijk gewaagd. En hij wil naar huis, waar het warm is. Hij vindt zichzelf lang genoeg uitgelaten.

Ik blijf toch nog even kijken naar een club van wel vijftig putters, die zich verzameld hebben om een wakje midden in de vaart. De distelvinken vliegen twinkelend roepend naar de elzensingel vlak naast het pad. Het citroengeel van hun vleugels en het wit aan de staart blinken op als ze vlak voor ons langs vliegen.

AAN DE BUIS

We zijn net op tijd terug om de kopploeg van de Elfstedentocht Bartlehiem te zien passeren. Op naar Dokkum. Het laatste stuk is spannend. We blijven aan de buis gekluisterd tot we Henk Angenent en Erik Hulzebosch hebben zien finishen.

Twee pimpelmezen en een koolmees betwisten elkaar een plek op de lange pindaslinger, die in de achtertuin in de aralia is gehangen. Een oude mannetjesmerel met diep oranjegele snavel ligt met de buik op de grond, de poten verborgen tussen de veren. Ook de spreeuwen, die zijn afgekomen op verkruimeld brood, zakken diep door de poten. Een paar vinken wagen zich in de drukke spreeuwentroep, totdat twee gaaien neerstrijken en alle vogels tegelijk de bomen in vluchten. De gaaien blijken niet eens geïnteresseerd in het brood, maar komen af op de met opzet op de tegels stukgetrapte hazelnoten.

Een winterkoning kruipt als een snel bruin muisje tussen de klimop in de watercipres. Hij is op jacht naar spinnetjes en overwinterende insecten, net als de boomkruiper een paar dagen eerder in dezelfde watercipres. De kruiper, net een vaalbruin spechtje, hipte tegen de stam omhoog, af en toe met de zwak gekromde snavel iets wegpikkend uit een van de talrijke schorsspleten. De winterkoning zoekt zijn voedsel meer op de twijgen en tussen de nu donkergroene, bevroren lijkende klimopbladeren.

SPROOKJESACHTIG

Van het raam naar de beeldbuis: Evert van Benthem rijdt zijn zegetocht. Het geworstel van Koss en Karlstad door een sprookjesachtig Frieslandschap.

Aan het eind van de middag stappen Joris en ik weer de vrieskou in. De laagstaande zon blikkert hier even fel op het ijs als op de Oudkerkstervaart. De eenden blijken naar het park te zijn getrokken, waar veel open water is en voer in overvloed. Daar concentreren zich ook de kokmeeuwen, die krijsend zwermen voor elke nieuw aangekomen voedselbrenger en in de lucht een groot deel van het voer voor de eenden wegkapen. Er zijn stormmeeuwen bij, iets groter dan de kokmeeuwen, schel en langgerekt gillend boven het kokmeeuwengekrijs uit. Twee kauwen lopen langs de ijsrand, waar altijd wel iets te pikken valt.

Fladderend met hun stompe vleugels komen de meerkoeten over het ijs aanrennen. Ze vallen aan op het uitgestrooide brood. Wat langzamer volgen de eenden. Er blijven er maar een paar over in het water. Dan zie je dat zich daar niet alleen tamme parkeenden hebben verzameld. Vijf kuifeenden drijven met de kop in de veren rond. Ze slapen niet, hun goudgele ogen staan wijd open en houden alles wat er gebeurt in de gaten. Het zijn allemaal mannetjes, met op het achterhoofd het afhangende kuifje, waaraan de soort zijn naam dankt. Ze zijn pikzwart, op de spierwitte flanken na, behalve de jonge woerden, die opzij wat groezelig lijken. Ze hebben weinig belangstelling voor het uitgestrooide voer, want kuifeenden moeten het hebben van mosseltjes, winterknoppen van waterplanten en waterinsecten, die ze van de vijverbodem opduiken.

VISETER

Aan het verste einde van het water duikt een grote zaagbek op, een vrouwtje met grijs lijf, witte borst en bruine kop, die dikker lijkt dan in werkelijkheid door de rafelig naar achteren uitstekende veren aan het achterhoofd. Ze heeft een fikse voorn in de smalle rode snavel, waarmee ze direct weer moet duiken, omdat de meeuwen zich op haar buit storten. Pas als ik de meeuwen afleid door weer brood uit te gooien, ziet ze kans de vis naar binnen te werken, kop naar voren.

Het kraakt in de rietkraag aan de vijver: twee pimpelmezen openen de dorre bladscheden van het riet op zoek naar overwinterende insecten, larven en poppen. Een vogel als een waterhoen, maar kleiner en ranker, loopt over het ijs. Hij is bruin op de rug, blauwgrijs van onderen met witte strepen bij zijn gat, maar het meest typerende is de nogal lange, licht gebogen snavel. De waterral stapt rustig voort langs het riet, pikt soms wat weg van het ijs. Uiteindelijk verdwijnt hij onder de brug en komt niet meer te voorschijn. Waterrallen zijn niet schuw, maar door hun verborgen leefwijze krijg je ze zelden te zien. Als het niet vriest, kun je hun aanwezigheid voornamelijk horen: ze krijsen als een varken ergens in het riet.

Het wordt al donker als we weer thuis zijn. In Sneek is het stil; iedereen is voorbij. Groepen schaatsers reppen zich nog over de Finkumervaart naar Bartlehiem. Willemijn heeft warme chocolademelk gemaakt. Smaakt prima met een beerenburg.

Natuur deze week

Ransuilen roesten in de winter troepsgewijs in bossen en stadsparken, vaak in altijd groene bomen, zoals hoge hulsten en naaldbomen. Ze gaan individueel op muizenjacht, zodra de schemering invalt. Als er een dik pak sneeuw ligt, vallen er slachtoffers onder de uilen, omdat de kleine knaagdieren dan vaak langdurig in hun holen onder de sneeuw blijven. - Van alle vogels hebben de ijsvogels het waarschijnlijk het moeilijkst. Ze leven uitsluitend van vis en waterinsecten en proberen die te vangen in het schaarse nog open gebleven water. Vaak zoeken ijsvogels de plekken op waar koelwater van electriciteitscentrales wordt geloosd. Daar heb je ook de beste kansen deze exotisch gekleurde vogels goed te bekijken. - Verschillende soorten mezen verzamelen zich tot gecombineerde troepjes, die op zoek naar voedsel door bossen, tuinen en parken zwerven. Altijd zijn er kool- en pimpelmezen bij, soms een enkele matkop of glanskop, vaak staartmezen, goudhaantjes en boomkruipers en een enkele keer ook wel een grote bonte specht. - Een voerhuisje, waarin voedsel voor de vogels kan worden neergelegd, moet onbereikbaar zijn voor katten. Geplaatst op een paal van anderhalve meter hoogte, ver van bomen en hekken, is het veilig voor de vogels. Laat etensresten niet langer dan een dag liggen. Anders bederft het en gaan de vogels dood als ze ervan eten. Vooral mussen, mezen en spreeuwen maken gebruik van een voerhuisje. Roodborstjes, merels en andere vogels komen wel op open voertafels zonder dak. - Als je voer op de grond uitstrooit, doe het dan op een plek in de luwte, maar wel zo dat katten de voerplek niet ongemerkt kunnen naderen. Vogels moeten het gevaar al van ver kunnen zien aankomen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden