Vechten tegen de mijn in een Zuid-Afrikaanse spookstad

Een stad in verval: het postkantoor in Dingleton. Beeld Niels Posthumus

Het Zuid-Afrikaanse Dingleton moet tegen de vlakte; de aanpalende mijn wil de grond afgraven. 27 families verzetten zich, vooralsnog met succes. Ze wonen nu wel in een spookstad.

Het ruikt er even muf als in alle andere postkantoren in Zuid-Afrika, maar verder lijkt dat van Dingleton nergens meer op. De ramen zijn gebroken, de balie is verschoven, de postvakken roesten weg. Er is geplunderd en vernield. Het pand is verlaten, zoals heel het winkelcentrum aan de Troupantweg verlaten is. Alleen een bord herinnert nog aan de kapper die er ooit zat, naast een drankwinkel. De weg zit vol gaten.

'Kumba se kont', staat op de buitenmuur van het postkantoor geschreven. Vrij vertaald betekent dat iets als 'Kumba, steek het maar in je reet'. Kumba is het mijnbedrijf dat pal achter het dorp de Sishen-mijn afgraaft op zoek naar ijzererts.

Nick Visagie (61) woont op een steenworp afstand van het voormalige winkelcentrum. Hij staat met zijn jongere broer Frank en schoonzus Kitty Nauda voor zijn huis. Het is een spaarzaam plekje dat nog doet denken aan hoe Dingleton - in het hart van Zuid-Afrika - ooit moet zijn geweest: verzorgd bakstenen huis, bloemen in de tuin. "Dingleton was een fijn dorp met 2500 inwoners", zegt Visagie. "Weinig criminaliteit, hechte gemeenschap. Maar toen ontdekte Kumba ijzererts onder onze huizen."

In 2014 begon de ontruiming. Kumba beloofde inwoners van Dingleton een vergelijkbare woning in een nieuwe woonwijk aan de rand van Kathu, een stadje dertig kilometer verderop. Of een door de mijn vastgesteld vergoedingsbedrag. De meerderheid accepteerde het aanbod. Het betrof vooral laagopgeleide zwarte Zuid-Afrikanen en kleurlingen, zoals multiraciale Zuid-Afrikanen worden genoemd. Maar een deel kreeg spijt. De kwaliteit van de nieuwe huizen viel tegen. Wie in Dingleton achterbleef, zette door deze verhalen de hakken nog dieper in het zand.

De verlaten huizen in Dingleton zijn vervallen tot karkassen, gebrandmerkt met een rood kruis op de muur. De panden het dichtst bij de mijn zijn al gesloopt. De overige straten ogen als die van een spookstad. Kozijnen zijn uit sponningen gehaald, daken zijn deels gestript. De kerk oogt duister, als na de apocalyps. Het plafond van de kroeg is naar beneden gekomen. Her en der staat een auto weg te roesten.

Tekst loopt door onder afbeelding.

Nick Visagie, Frederick van Neel, Kitty Nauda en Frank Visagie (v.l.n.r.) laten zich niet verjagen. Beeld Niels Posthumus

Uitrooktactiek

"Er zijn nog maar zo'n 150 inwoners over", zegt Visagie. "En wij worden weggepest. De mijn sluit ons water af, er is 's nachts geen politie meer, de kliniek en de school zijn gesloten, alle winkels zijn weg. Het lawaaiïge werk in de mijn begint opeens vooral 's nachts."

Deze 'uitrooktactiek' lijkt het enige wat Kumba rest. Bewoners dwingen te vertrekken is niet makkelijk. Ooit hadden mijnbedrijven in Zuid-Afrika ongekend veel macht, maar die is sinds de afschaffing van de apartheid geslonken. Broer Frank Visagie is dan ook zeker van zijn zaak. "Alleen de overheid kan huizen onteigenen", zegt hij. "Dat proces kan wel vijf jaar duren. Zoveel tijd heeft Kumba niet. Vertraging kost geld."

En geld heeft Kumba niet in overvloed. Het mijnbedrijf gaat gebukt onder een verminderde vraag uit China. Het zoekt juist naar manieren om enigszins rendabel te blijven. Het ijzererts onder Dingleton is in dat kader ideaal: hoogwaardig, dicht aan het oppervlak en pal naast een al operatieve mijn.

"Kumba presenteert het als een ruil, een nieuw huis voor ons oude, maar dat klopt niet", legt Nick Visagie uit. "Het gaat niet om de huizen, maar om de grond eronder. Kumba gaat daar veel geld aan verdienen. Wij hebben gezegd: in dat geval moeten we ook een zakelijke deal kunnen sluiten, waarbij de vraag- en aanbodprijs elkaar ergens ontmoeten. Nooit antwoord op gekregen. Dus blijven we."

Vanuit een vast ooit prachtige straat - sierlijke bomen aan weerzijden en ruime huizen - komt de tachtigjarige Frederick van Neel aangesloft. "Ik had verwacht hier mijn laatste dagen te slijten", verzucht hij zodra hij op een stoel voor het huis van Visagie is gaan zitten. "Maar als hier nu iets gebeurt, is er geen kliniek meer en geen ambulance."

Toch is hij beslist. Op zijn huis wordt pas een rood kruis geverfd als hij er een eerlijke vergoeding voor heeft ontvangen: zo'n acht keer meer dan Kumba nu biedt.

Apartheid was goed voor de mijnindustrie

De Zuid-Afrikaanse mijnsector wordt gezien als een belangrijke drijfveer achter de invoering van het voormalige apartheidsregime. Voor mijnen was dat racistische politieke systeem op twee manieren lucratief: het zorgde voor een groot reservoir aan goedkope (zwarte) arbeidskrachten zonder veel wettelijke bescherming, en het maakte het eenvoudig om (zwarte) dorpen of wijken te verplaatsen als mijnbedrijven (of de witte machthebbers in het algemeen) dat goed uitkwam.

Zuid-Afrika werd opgedeeld in ‘wit gebied’ (87 procent van het land) en zwarte ‘thuislanden’ (13 procent). Tussen 1960 en 1990 dwong het apartheidsregime 3,5 miljoen zwarte Zuid-Afrikanen te verhuizen naar de voor hen bestemde thuislanden en zwarte townships.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden