Vastgeroest in de week

Initiatieven om meer vrouwen langer aan het werk te krijgen, hebben niet veel opgeleverd. Dat ligt ook aan de mensen zelf. Nederlanders houden vast aan de klassieke tijdsindeling.

Een week heeft 168 uren. Van die uren weten we in Nederland bijna precies hoe die besteed worden. We slapen 60 uur, we eten 10 uur, we werken, studeren of zorgen 48 uur, en we hebben 45 uur vrij. Die vrije tijd besteden we grofweg als volgt: 15 uur tv-kijken, radio luisteren of surfen op het internet. Bijna 4 uur lezen we een krant, 9 uur besteden we aan sociale contacten, iets minder dan 3 uur aan sporten en even veel aan uitgaan.

Handige cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau, want je weet precies hoe de burger zich gedraagt. Mooier wordt het nog als je ziet dat mensen ook zo op elkaar lijken. Nederlanders eten al tientallen jaren gemiddeld om 6 uur, en lunchen om half 1. Ze werken vooral tussen half 9 en 5, en vrouwen werken voornamelijk in deeltijd. Zo houden zij voldoende tijd over voor het gezin of de naasten, de boodschappen en sociale contacten. En wie brengt ze daarvan af?

De Nederlander houdt taai vast aan de klassieke tijdsindeling, ondanks alle initiatieven die worden ontplooid om vooral vrouwen aan het werk te krijgen. Volgende week presenteert de Taskforce Deeltijdplus haar eindrapport. Wil Portegijs, onderzoeker bij het SCP berekende voor de Taskforce dat slechts 10 procent van de vrouwen de kleine deeltijdbaan wil uitbreiden. Toch blijft het zogenoemde ’tijdenbeleid’ hoog op de politieke agenda staan. „Alles is gericht op het verhogen van arbeidsparticipatie”, zegt Portegijs. „Niet zo handig dat iedere keer dát argument genoemd wordt om werktijden te flexibiliseren, en niet hoe het uitbreiden van werktijd verrijkend zou kunnen zijn. Mensen worden er argwanend van als alleen een economische reden wordt genoemd om hun leven te veranderen.”

De ideale dagindeling voor mensen hangt volgens het SCP af van hun biologische dag- en nachtritme, hun psychologische behoefte aan routines en hun sociale contacten. Die zijn niet of nauwelijks plooibaar door overheidsbeleid. Met het versoepelen van de Winkeltijdenwet en Arbeidstijdenwet in de jaren negentig werd beoogd mensen de ruimte te geven de tijd naar hun eigen hand te zetten. Maar grote resultaten zijn uitgebleven. Werken en winkelen gebeuren nog steeds op de geijkte momenten. Een individueler ritme hebben mensen niet ontwikkeld. Ook werkgevers zijn achtergebleven in het bieden van flexibiliteit.

De Sociaal-Economische Raad (Ser), waarin werkgevers, werknemers en onafhankelijke leden zitten, zal daarom dit najaar een advies uitbrengen over ’tijden van de samenleving’. Wat kunnen de Ser en de overheid aan de tijdsindeling doen om het combineren van werk en zorgtaken draaglijk te houden?

Opnieuw is het oogmerk van het advies te onderzoeken hoe je vooral vrouwen kunt verleiden meer te werken. Wat hen daarvan weerhoudt, is het idee dat ze werk, zorg en noodzakelijke vrije tijd niet kunnen combineren. Tussen 1995 en 2005 nam de vrije tijd al af met ongeveer 3 uur tot 45 uur, en namen de verplichtingen toe met ongeveer 4 uur naar 48 uur per week. Hoe ver mag dat nog opschuiven?

Volgens Mariëlle Cloïn, onderzoeker bij het SCP en betrokken bij het Ser-advies, wil een grotere belasting niet zeggen dat mensen zich ook gejaagder voelen. In 2000 is voor het eerst gemeten dat de helft van de Nederlanders zich op zijn minst anderhalve dag per week gejaagd voelt. De drukst bezette mensen voelden zich slechts iets vaker gejaagd dan minder drukke mensen. En hoewel meer mensen het in 2005 drukker hadden gekregen, voelden zij zich toen niet meer opgejaagd. De innerlijke beleving van tijd is, volgens Cloïn, mogelijk minstens zo zwaarwegend als de feitelijke tijdsdruk.

Een grotere participatie op de arbeidsmarkt wordt daarom pas een succes als we in staat zijn ’de samenleving in één klap naar een hoger evenwicht te tillen’, zegt Janneke Plantenga, in Utrecht hoogleraar economie van de welvaartsstaat en eveneens lid van de Ser-adviescommissie. „Ik zal uitleggen wat ik daarmee bedoel. Onze rijke samenleving had er jarenlang genoeg aan dat mannen fulltime werkten en vrouwen niet, of hoogstens parttime. Hoewel er nu langzamerhand een economische noodzaak ontstaat voor vrouwen om ook voltijd te werken, blijkt dat bijna onmogelijk. Alle voorzieningen zijn nog steeds ingericht op een anderhalfverdienersmodel. Scholen gaan vroeg uit, kinderopvang is matig van kwaliteit. Winkels, artsenpraktijken, gemeentehuizen en bibliotheken zijn vaak alleen onder werktijden open. Ons leven is verbrokkeld: we haasten ons van adres naar adres, van de ene opvang naar de andere. En ons werk moet ook nog in een paar uur per week worden afgerond.”

„ Juist door die overdreven fixatie op deeltijd, ontstaat de gejaagdheid. We zitten in een klem. Ik noem dat een laag evenwicht: we werken maar een halve week, maar toch blijven we in ons privéleven gehaast. Minder werken is financieel onmogelijk. En meer werken is ook geen optie, want daarvoor zijn de voorzieningen van te laag niveau. We hebben ons met die deeltijd in een sub-optimaal evenwicht gemanoeuvreerd.”

De ideale balans bereik je volgens Plantenga dan ook bij een hoger evenwicht. Een hogere arbeidsparticipatie is mogelijk bij een andere organisatie van de samenleving. Werk moet vrijer worden georganiseerd en moet op meer plaatsen mogelijk zijn. „Het lastige is dat daarvoor eerst meer druk vanuit de arbeidsmarkt moet ontstaan. Zolang iedereen in deeltijd blijft werken, worden de schooltijden niet aangepast, zal de kwaliteit van de opvang niet toenemen en bestaat er ook weinig druk om op een andere manier naar de organisatie van arbeid te kijken. Als niemand erom vraagt, gebeurt er ook niets.”

Helemaal in lijn met de aloude ingesleten dagindeling van Nederlanders, klagen burgers ook niet over de openingstijden van openbare voorzieningen. Dat merkte bijvoorbeeld de gemeente Zaanstad. Als ’koplopergemeente’ met tijdenbeleid kreeg Zaanstad subsidie om in kaart te brengen of burgers behoefte hebben aan langere openingstijden van scholen en winkels.

Dat viel tegen. Zo ontevreden waren de inwoners daar niet over. De meerderheid was bovendien positief over de mogelijkheid om werk te combineren met huishouden, vrienden en hobby’s. Wethouder Corrie Noom denkt dat mensen er nu eenmaal op zijn ingesteld dat de voorzieningen beperkt zijn. Zij erkennen hun behoefte niet. Maar als er een brede school wordt opgezet, stromen de ouders massaal toe.

„In de vinexwijk Saendelft in Assendelft Noord, waar veel jonge kinderen wonen, is nu een school die een 7-tot-7-rooster aanbiedt. Het is een groot succes, onlangs kwam (ex)minister Plasterk nog kijken. Voor en na school worden de kinderen in één gebouw opgevangen, en er zijn ’s middags mogelijkheden voor muzieklessen en sport. Er hoeft dus niet te worden rondgesjouwd.”

Cloïn denkt toch dat de meeste ouders een 7-tot-7-rooster nog altijd ’zielig’ vinden voor de kinderen. Willen ze hun werk- en etenstijden echt aanpassen, dan moet de kwaliteit van de opvang onomstotelijk vast staan voor ouders.

„Mensen veranderen pas wat in hun leven als werk in hun eigen belang is, en kinderopvang in het belang van het kind. Met een appèl op economische noodzaak alleen kom je er niet.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden