Vaste vrind

In de wording van homoseksualiteit miste Theo van der Meer de beslissende schakel: het eerste bewijs van een homoseksuele relatie. Die heeft hij nu gevonden, in een stapeltje liefdesbrieven uit 1826. 'Van veele vrinde is het maar voor een tijd, maar dit is contrarie.'

Theo van der Meer (1950) is neerlandicus. Hij schreef onder meer 'Een biografie van homoseksualiteit' (2007).

Sinds maandag 3 januari 1983 ben ik een archiefrat, verslaafd aan historische sensatie: de directe aanraking met de nooit voltooid verleden tijd. Op die dag begon ik aan een onderzoek dat mijn verdere professionele leven zou bepalen.

Voor een bijvakscriptie geschiedenis wilde ik de vervolgingen wegens sodomie (homoseksueel gedrag) in achttiende-eeuws Amsterdam onderzoeken, aan de hand van gerechtelijke documenten. Het is nog steeds nauwelijks bekend, maar tussen 1730 en 1811 hebben zich in de Republiek de meest gewelddadige sodomietenvervolgingen van heel vroegmodern Europa voorgedaan. Een kennis en een oud artikeltje hadden me al gewezen op het bestaan van bronnen. Anderhalf jaar later lag de uit de hand gelopen bijvakscriptie als boek in de winkel.

Daarna zette ik met tussenpozen het onderzoek voort. Daarbij verschoof de nadruk van de vervolgingen naar de historische ontwikkelingen die homoseksualiteit zelf had doorgemaakt en die hadden bijgedragen aan de opkomst van wat we tegenwoordig 'identiteit' noemen. Gerechtelijke bronnen lenen zich voor meer dan alleen onderzoek naar rechtspraak. Ja dank u, ik ben niet naïef, ik weet heel goed wat de beperkingen en moeilijkheden van die bronnen zijn.

In 1995 verdedigde ik mijn proefschrift over het ontstaan van wat nu homoseksualiteit heet in de vroegmoderne tijd. Nadien heb ik nog jaren in archieven doorgebracht, voor andere onderzoeksprojecten. Die hadden vaak te maken met rechtspraak, ook in de twintigste eeuw, en voedden mijn verslaving. Die leidde tot de vondst van een fragment - een missing link - in de genealogie van homoseksualiteit.

Sensaties heb ik in soorten en maten gekend, ook lichamelijke. Na een archiefdag met nooit geopende achttiende-eeuwse of oudere documenten lag mijn tafel vol met zand, dat gebruikt was om de inkt te drogen. Kennelijk kwam dat zand van het strand, want na een paar uur proefde ik zout op mijn lippen. "U bent dus geïnteresseerd in zand", concludeerde een radioverslaggever die een programma maakte over verstofte, wereldvreemde archiefbezoekers. Van processtukken uit de vroege negentiende eeuw werd ik ontzettend vuil en voor papier of inkt van documenten van omstreeks 1850 bleek ik allergisch: mijn handen kwamen vol pijnlijke blaren te zitten.

Maar er waren vondsten! Soms bizarre, zoals een anonieme brief uit 1919 waarin koningin Wilhelmina erop gewezen werd dat ze bij ene juffrouw De Vos, die al vele dames van hoog niveau bevredigd had, een heerlijke 'lesbiade' kon halen. En wat een sensatie toen ik in een envelopje de kogels trof, waarmee op oudejaarsavond 1921, in een Agatha Christie-achtig scenario, de homoseksuele advocaat Jacques Wijsman in de trein van Amsterdam naar Den Haag was doodgeschoten. (De zaak is nooit opgelost.)

De echte archiefschatten zijn vaak floddertjes papier, waarin je een vroeger leven direct aanraakt. Neem de briefjes die Barent Blomsaet in 1730 uit zijn cel in het Utrechtse stadhuis aan zijn vrouw wist te smokkelen en waarin hij haar op de hoogte hield van het verloop van de verhoren over zijn homoseksuele gedragingen. De magistraat kwam daarachter, vond de briefjes in haar huis en voegde die bij het dossier. En nu hield ik ze dus in mijn handen.

Aan het handschrift laat zich afzien dat Blomsaet, die weliswaar had bekend maar hardnekkig weigerde namen te noemen, de duimschroeven aangezet heeft gekregen. Daarna waren zijn briefjes namelijk gevuld met bijna onleesbare hiërogliefen. Blomsaet is door

de beul gewurgd. De onvoltooide tijd: tegenwoordig prijkt zijn naam in Utrecht op een steen die, ter herinnering aan de grote sodomietenvervolgingen van 1730, is aangebracht in het plaveisel tussen Domtoren en schip.

Een andere keer zat ik in verbijstering te kijken naar (nooit verzonden) wanhopige brieven van een 16-jarig jongetje uit Huis ter Heide, die hij in 1751 vanuit zijn cel in Zeist aan zijn vader schreef; een boerenjongetje dat kon schrijven! Hij wist niet wat sodomie was, maar gaf toe een spelletje te hebben gespeeld.

Ik ben nue op de pijnnen bank geweest van verleyen saterdag, willen hebben dat ik bekennen sal en ik heb geen schult vader waarom sou ik dan schult bekennen [...], ik mag jou bidden komt tog eens op stad huijs, daar ben ik vader, mijn alder liefsten vader, komt tog zoogou als gij kuijnd.

Ook deze jongen is gewurgd - slachtoffer van competentiestrijd tussen verschillende rechtbanken en juridische adviseurs. Zelfs de recensent van mijn proefschrift in het Reformatorisch Dagblad hield er bijna geen droge ogen bij.

Tien jaar na aanvang van mijn bestaan als archiefknaagdier - een doorbijtertje - restte me nog één los eindje van mijn dissertatieonderzoek: een hoger beroepszaak die tien veroordeelde mannen uit Amsterdam in 1826 hadden aangespannen. Sinds de invoering van de Franse Code Pénal, in 1811, was homoseksueel gedrag weliswaar niet meer strafbaar, maar her en der werd het sindsdien met volstrekte willekeur vervolgd als schennis van de openbare eerbaarheid.

Vaak noemde men het 'schennis in de hoogste graad', al stond dat natuurlijk helemaal niet zo in de wet. Gewoonlijk kregen betrokkenen de maximumstraf van een jaar opgelegd en een boete van honderd gulden. Zo ook dit tiental, dat volgens de 'directeur van politie' onder een oploop van duizenden uit een huis in de Jordaan was gehaald. Voor het hoger beroep waren de mannen aan elkaar geketend te voet naar Den Haag gevoerd, waar enkelen gewond arriveerden. Zeven burgers werden veroordeeld omdat ze begeleidende koddebeiers hadden geraakt met vuil en stenen.

En daar lag het fragmentje genealogie van homoseksualiteit, in het dossier, boven op de processtukken! In een pakje met documenten zaten drie liefdesbrieven van Jan van Zaanen, een knecht uit Leiden, aan de koopman Cees Cornelisse (een van de appellanten) uit Amsterdam. Voor het eerst in mijn onderzoek, dat zich inmiddels uitstrekte over drie eeuwen, stuitte ik op de woorden 'vaste vrind'.

Historici voorspellen het verleden. Ik was al tot de conclusie gekomen dat sodomieten aan het einde van de achttiende eeuw een modern aandoend zelfbesef bezaten, dat een generatie eerder nog niet bestond. Als ik in die laatste fase van mijn onderzoek een vermoeden had uitgesproken over de voortgaande ontwikkeling van dat besef, dan werd dat in de brieven van Van Zaanen bewaarheid.

Of droomde ik? Ik ben naar buiten gelopen met een bekertje koffie en een sigaret, in de verwachting dat ik bij terugkeer op de studiezaal zou ontdekken dat ik me het had verbeeld. Maar de brieven lagen er echt en boden ook in materiële zin aanraking met een lang vergeten leven: op een ervan zat de vlekkerige afdruk van een nat borrelglas.

Mijn onderzoek tot dan toe had laten zien dat aan het begin van de achttiende eeuw sodomieten weliswaar ontmoetingsplaatsen kenden, en een aparte lichaamstaal en andere subculturele trekken bezaten - in hun eigen dieventaaltje gebruikten ze in 1730 al het woord 'nigt' - maar van een uitgesproken zelfbewustzijn was toen nog geen sprake. Als individuen waren ze ergens van het rechte pad geraakt, meestal door verleiding. Ze kenden elkaar van horen en zeggen, ze hadden geluiden opgevangen over een heer 'bij wie de wagen niet recht gingh' of over anderen die 'handdadigh' waren aan 'het vuyle werk'. Driekwart eeuw later waren ze echter naar eigen zeggen 'van de familie', hadden ze een aangeboren onmannelijke zwakte die tot dit soort gedrag leidde, of voelde het alsof ze ermee geboren waren, en zei de een tegen de ander dat ze hun verlangens deelden met duizenden anderen. In processtukken waren al veel eerder suggesties van liefdesrelaties opgedoken, gewoonlijk als dat kon bijdragen tot de bewijsvoering. Brieven uit 1797 van een Haagse jongeman aan zijn ex-vriendje, die bij diens aanhouding opdoken en in een dossier in Dordrecht zitten, laten de verdrietigheden zien van een verhouding die op de klippen was gelopen.

In deze brieven van Jan van Zaanen kwamen voornoemde ontwikkelingen samen. Tussen de conceptuele leegte van een eeuw eerder en wetenschappelijke inzichten van de late negentiende eeuw, die een personage schiepen met een bijzondere gesteldheid die volgde uit ontwikkelingsstoornissen, vulde Van Zaanen een leemte. Niet alleen gebruikte hij op zaterdag 15 april 1826 de term 'vaste vrind', maar hij liet duidelijk uitkomen dat hij, hoe moeizaam relaties ook verliepen, zo'n vriend als een hoog goed beschouwde.

Van veele vrinde is het maar voor een tijd, maar dit [tussen ons] is contrarie.

In zijn brieven sprak hij tegelijkertijd met een morele stem die zijn eigen situatie verre oversteeg. Het is een zwakte [die] met ons aangebooren is. God heeft immers geen mens tot de verdoemenis geschapen.

Helaas, je kon weinig staat maken op mensen, schreef hij, want de valsheid is groot onder de mensch en vernaamlyk onder de familje. Die zijn al heel vals, de goede niet te naa gesprooken.

Wat er van Jan van Zaanen geworden is, heb ik niet kunnen achterhalen, maar het tiental uit 1826 werd vrijgesproken. Een van hen had, voor het eerst, een doortimmerd betoog gehouden over de scheiding tussen privé en openbaar dat tot op de dag van vandaag resoneert in jurisprudentie en wetgeving.

Dit artikel verscheen dit najaar in het themanummer 'Vies en rose' van het Tijdschrift voor Biografie.

Leiden, 15 april 1826: Jan van Zaanen schrijft aan Cees Cornelissen.

'Geliefde vrind [...] ik bedank u voor de goede en lieven vriendschap die ik met u doorgebragt heb. Och lieve vrind het is maar voor een korte tijd geweest dat ik bij u geweest ben. Ik hoop dat het nog van lange duur zal mooge weeze en dat ik nog een maal in u arme mag leggen. Och de leste kus welke ik van en ik u gaf zit mijn nog in mijn ziel Tot heden toe, beste, denk ik over u. De twee nagte en drie dagen ben mij al langer gevallen dan de 12 dagen dat ik hier in Amsterdam in het midden van u was. Lieve houd u tog goed.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden