Vanwege het uitzicht

Wat is de waarde van een huis als op de balkonrand net een koolmeesje landt? Wat is de waarde van een huis als de overbuurvrouw net van het balkon springt?

Derde bezichtiging. Mijn kijkers worden vandaag kopers, ik voel het aan mijn water. Doen ze het niet dan sta ik op straat. Twee collega's zijn me het afgelopen jaar voorgegaan, zelf ben ik al minder uren gaan werken. Nog minder kan niet, dan wordt mijn deeltijdbaan wel erg symbolisch. Dit keer blijf ik bewust op de achtergrond, de kopers moeten zich kunnen voorstellen dat ze hier al wonen.

"Dat uitzicht, geweldig", klinkt het uit de open keuken, "hier kijk je helemaal tot aan de Hemhavens... Zie je die hijskranen?" De vrouw, Mischa, eind dertig schat ik. Mooie stem, zangerig van enthousiasme. In stilte juich ik mee.

Er moet iets gebeuren. Toen ik een uur geleden de sleutels van deze flat voor de zoveelste keer van het sleutelbord naast Frederiks bureau wipte wist ik genoeg. 'Succes,' mompelde hij, maar hij keek me niet aan. De makelaarscourtage die ik met deze verkoop binnenhaal zal het kantoor niet van de ondergang redden, maar wel hoop geven. We zullen het als een keerpunt zien, de wending waarop al zo lang gewacht wordt. Gaat het niet door en is er ook geen zicht op een reëel bod dan zal Frederik, die ik in het bijzijn van klanten altijd meneer de Ridder noem, me laten gaan. Met pijn in het hart, maar dan maakt mijn situatie niet minder penibel. Wat kan ik, behalve onroerend goed verkopen, waar wordt een man van 47 nog aangenomen?

Frederik heeft me opgeleid, ik ben als een zoon voor hem. Op de makelaarscursus heb ik de regels van het vak geleerd, maar Frederik heeft me geleerd hoe ik de klant moet lezen. Wat wil die man, wat wil die vrouw? Willen ze hetzelfde? Door hem ben ik de curve in het willen gaan begrijpen: hoe terughoudendheid bij de een, de ander vaak dwingender maakt - de tango van een eerste bezichtiging. Hij heeft me geleerd wat te doen als kijkers zichtbaar verliefd zijn op een huis, en de knoop toch niet doorhakken. Hoe je hun wil kunt voeden door langs je neus weg over een andere kaper op de kust te beginnen. Niets maakt zo hebberig, weet ik dankzij Frederik, als het gerucht van een ander die zijn oog op hetzelfde object heeft laten vallen. Sluw, manipulatief? Zo zie ik het niet. Zijn devies is: duw het ze nooit door de strot. Een ontevreden bewoner is een smet op onze reputatie. We hebben een naam hoog te houden, makelaardij de Ridder bestaat ruim vijftig jaar. Op kantoor spreken wij van ridderlijk en onridderlijk gedrag en dat betekent meer dan een klant wel of niet in haar jas helpen.

Vanuit mijn ooghoeken peil ik de gretigheid van het jonge paar. Zij strijkt goedkeurend met haar hand over het lege aanrecht, verbaasd hoe netjes het hier iedere keer is. Mensen kopen geen huis, maar de illusie van een nieuw leven. Waarschijnlijk denkt Mischa dat ze door hier te gaan wonen net zo ordelijk wordt.

De verkopende partij, het echtpaar de Beer, heeft zich zoals gewoonlijk bijtijds uit de voeten gemaakt. Op tafel staan verse bloemen, stijf als meisjes op een eerste balletles. De Beertjes hebben de verwarming lager gezet, want vorige keer beklaagde Benk zich over de temperatuur. Het leek hier wel een bejaardentehuis. Het dedain in zijn toon, hij denkt vast dat hij onsterfelijk is. Ze zijn zeer coöperatief, de onzichtbare bewoners, als hun huis maar verkocht wordt. In de ijskast staat al twee jaar een fles champagne klaar, in mijn gedachten hoor ik de kurk knallen.

Het dieptepunt is bereikt, las ik vanochtend op mijn iPad. Het lijkt me een feel-goodbericht en als het op feiten gebaseerd is, ken ik die niet. Toch heb ik de krant gekocht om het lot een handje te helpen. Ik had hem gevouwen, de optimistische kop goed zichtbaar, onder mijn arm toen ik Benk en Mischa in de hal beneden opwachtte. Terwijl ik de liftdeur voor ze openhield liet ik de krant vallen. Met het gewenste effect: Benk dook er bovenop, als een roofvogel op een muis. "Huizenmarkt heeft bodem bereikt" las hij, luider dan nodig; de lift in dit type flat is niet veel groter dan een wc in een bruin café.

"Ook toevallig, zo'n artikel op de voorpagina, juist vandaag...", zei Mischa met een veelbetekenende glimlach naar haar vriend. Haar blik kruiste ook even de mijne, ik glimlachte terug. Na twee bezichtigingen van een uur ben ik geen vreemde meer voor haar. Hoewel ik de verkopend makelaar ben - om geld te besparen opereert het jonge paar zonder - lijkt Mischa me volledig te vertrouwen. Ik durf zelfs te zeggen dat we een klik hebben.

Mischa heeft iets, ze lijkt in niets op de andere vrouwen die ik de laatste jaren heb rondgeleid. Zo vindt ze het een beetje ongemakkelijk kritisch spiedend door andermans huis te dwalen. Een soort inbreken, noemt ze het. Kasten en laden trekt ze niet zomaar open, maar ze vraagt mij om toestemming. 'Mag ik?' 'Natuurlijk.'

Haar opmerking over de toevalligheid van de krantekop verbaast me niet. Toen er bij de eerste bezichtiging een koolmees op de rand van het balkon neerstreek, noemde Mischa dat een goed teken. Ik ben niet erg thuis in de wereld van symbolen, bij vrijdag de dertiende, rode roos, zwarte kat houdt het wel zo'n beetje op. Toch knoopte ik het in mijn oren, zo kan Frederik ook nog eens iets van mij leren. Als een dolfijn afgericht kan worden om in een film mee te spelen, kan een koolmees de huizenmarkt misschien uit het slop trekken. Twee witte duiven zouden Mischa vast ook wel bekoren. Bij de vorige bezichtiging ontdekte ze in een flat aan de overkant een bruid. Voor mij was het gewoon een vrouw in een witte jurk, maar Mischa zag er een bruid in. En dat was een goed omen.

"Omen?"

"Kent u dat woord niet? Een voorteken."

Als ze verder niet zo frank was zou ik me ergeren aan haar feeënpraat, maar ze doet zich niet beter voor dan ze is.

Om te laten merken dat ik me in hun wensen inleef, opperde ik zoeven dat de keuken misschien wat gedateerd was, maar Mischa haalde haar schouders op.

"Een beetje somber, ja. Maar daar is toch wel wat aan te doen?"

"Opnieuw betegelen. Of de goedkope oplossing: tegels overschilderen."

"O, daar ben ik veel te lui voor. Ik wen er wel aan."

Ik schoot in de lach, en toen zei ze met een brede grijns: "Ik heb niet zoveel smaak, eerlijk gezegd."

Wat een verademing. Tientallen vrouwen, van alle leeftijden, heb ik door honderden woningen geleid en allemaal beroemen ze zich op hun goede smaak en gevoel voor kwaliteit. En dan is daar Mischa... Ik sloeg mijn ogen neer.

"Ik ook niet, geloof ik. Daarbij ben ik kleurenblind. Dat helpt ook niet echt."

"Dus u ziet niet of ik blauwe of groene ogen heb?"

Ik keek haar diep in de ogen. Haar brilmontuur was zo groot dat ik even de sensatie had haar door een raam aan te staren. Toch hoorde ik haar ademen, en rook ik haar. Fris, niet zwoel... Wat was het... had ze net een appel gegeten, of een abrikozig parfum in haar hals gespoten? Om niet compleet in de war te raken door haar nabijheid, concentreerde ik me op de bril, en op een gedachte die al eerder door me heen was geflitst. Hoe langer de crisis duurt, des te groter worden de monturen. Alsof al die jonge vrouwen doorlopend moeten solliciteren en met zo'n zwaar montuur willen uitstralen: ik ben wel mooi maar ook erg serieus. Een bekwaam werknemer.

"Nou, u moet wel er-reg lang nadenken?" zei ze.

"Blauw?"

"Groen, voor u groen. Ik heb altijd al groene ogen willen hebben."

Er viel een verlegen stilte, die zij doorbrak door over Benk te beginnen. Benk wist gelukkig wel hoe hij een huis moest inrichten. Voor de verdieping waar ze nu woonden, in Bos en Lommer, had hij alles uitgezocht. Van het bed tot de theedoeken. Het woord bed deed me weer blozen. Wat bezielde me? Zij is met iemand, ik niet meer, maar ik ben te kort gescheiden om me in een nieuw avontuur te storten. Zij staat op het punt een grote beslissing te nemen. Met Benk. Het is haar ernst. Ik meen me te herinneren dat bij de inspectie van de tweede, wat kleinere slaapkamer vorige week, het woord kind viel: een werk-, logeer- of kinderkamer.

Ik schud de herinnering aan het gesprekje van me af, en verbied mezelf nog aan haar te denken anders dan als over potentiële koper. De deur van de slaapkamer staat op een kier, daar zijn ze nu, samen.

Ik hoor ze praten. Hem vooral. Alles moet anders. Kastenwand eruit want daar het bed. Nieuwe kasten, op maat gemaakt. Zij sputtert tegen, het dubbele g-woord valt. "Daar hebben we toch geen geld voor?"

Ze wil het voorlopig laten zoals het is. Ik wil eropaf, haar bijvallen, maar beheers me. Zakelijk gezien heb ik daar geen belang bij. Een luid gesnater onderbreekt Benks monoloog. Ik hoef niet naar het raam te lopen om te weten dat aan onze voeten de Sloterplas ligt. 'Schitterend uitzicht over de Sloterplas' - ik heb die tekst zelf geschreven. Op deze hoogte hoor je wel vaker een eend, maar niet zo luid.

De eend zwijgt. Benk noemt zijn naam, en op hetzelfde moment herinner ik me zijn opdringerige ringtoon, van een eerdere bezichtiging. De deur van de slaapkamer gaat dicht. Wie weet wordt hij door de bank gebeld, door de man die over hun hypotheek gaat. Ik zoek een plek zo ver mogelijk bij de slaapkamer vandaan, zodat Benk en Mischa ongestoord kunnen overleggen.

Hier in deze nis wil zij haar bureau neerzetten. Geen idee wat ze doet; werkt veel aan huis heb ik begrepen. Daarom is het belangrijk dat het appartement 'goed om me heen zit', ook als ze alleen is. Ze wekt de indruk altijd alleen te zijn, ook als Benk vlak naast haar staat of misschien wel juist dan.

Ik draai me af, naar het raam. Als ze dadelijk naar buiten komen is de makelaar in het uitzicht verzonken en heeft niets gehoord. Aan mijn voeten ligt de grote plas: onrustige golfjes met witte kuiven. Daarvoor, als twee hoge coulissen, flats, identiek aan deze. Een vloot van wolken zeilt achter de rechtertoren langs, de plas over. Aan de overkant stapt een man door een half openstaande schuifpui het balkon op en steekt een sigaret op. Op het balkon van een hoekflat begiet een vrouw in badjas de planten. Ik kijk op mijn horloge: halftwaalf. Is ze ziek, en die man in pyjama voor het raam een paar verdiepingen lager, hij ook? Zijn ze allemaal griepig, of werkloos? Kijk ik mijn eigen toekomst in?

Flatbewoners kleden zich later aan, vermoed ik, wanen zich onbespied. Ze voelen zich nooit betrapt op hun marmottengedrag, want er komt zelden iemand langs. Niet onverwacht althans. Hoe hoger des te meer badjassen.

In de flat pal tegenover me gaat een donkergroen, paars of blauw gordijn met een ruk open, en daarna de glazen pui. Twee verdorde, uit hun krachten gegroeide, buxusbollen in grote potten worden opzijgezet. Een vrouw met donker loshangend haar stapt op een kistje of trapje. Veel te hoog torent ze boven de balkonrand uit. Gevaarlijk! Wat moet ze daar? Als er iets kapot is of lek moet ze de huismeester bellen. Weet ze niet dat de meeste ongelukken in en rond het huis gebeuren? Ze buigt voorover, zet haar handen op de balustrade, slaat een been over de rand. Haar voet zoekt steun op een smal richeltje, dan volgt het andere been.

Ik verstijf, maar er gebeurt niets. Ze staat daar maar, de voeten dicht bij elkaar, de armen wijd uitgestrekt, de handen om de rand geklemd, alsof ze aan haar eigen balkon is gekruisigd. Eén hand gaat omhoog, de vrouw zet haar bril af en legt hem achter zich op de balkonrand. Dan kijkt ze de diepte in, slierten haar waaien voor haar gezicht. Beneden, naast de brede stoep, staat een vrachtwagen geparkeerd, klein als een dinkietoy vanaf deze hoogte.

Ik moet iets doen, haar tegenhouden. Niet toegeven aan het duizelen, de angst te vallen, dwars door het glas heen. Open het raam ... roep dat ze niet ... Hand naar de hendel, die meedraait, maar het raam gaat niet open, zelfs niet op de kiepstand. Ramen en balkondeur zijn nooit op slot, heeft mevrouw de Beer me verzekerd, tenzij hun jongste kleinkind net is geweest. Gisteren was het zondag, en zo'n joch klimt overal op.

Het sleuteltje, waar heeft ze het verstopt? Het is me gewezen, maar alweer twee jaar geleden toen de flat in de verkoop kwam. Ik keer een koperen potje om. Licht een kleedje op. Hark met mijn vingers door de aarde van de grote ficus. In een oogwenk heb ik de kamer doorkruist, talloze prullaria opgetild ... Als ik me weer omdraai is het balkon aan de overkant leeg.

Ik wil weg van het raam, maar blijf staan, mijn voorhoofd tegen het koele glas gedrukt. Op de stoep onder het gebouw is niets te zien. Geen vrouw in een plas bloed, geen mensen die toesnellen. Vermoedelijk speelt alles zich achter de vrachtwagen af. Ik luister maar hoor niets, geen kreet van ontzetting. Het lichaam is nog niet ontdekt.

Zo zwaar zijn mijn schouders, mijn armen, mijn bonkende hoofd, dat ik steun zoek op de leuning van een fauteuiltje. Een boek valt met een klap op de vloer. Als ik het oppak zie ik hoe vuil mijn handen zijn, van het graaien in de potaarde. Tuinmannenhanden. Fijne leesplek, heeft Mischa gezegd. Ze ziet zich hier al zitten, zon tot zeker een uur of twee. En altijd wel iets te zien aan de overkant, water, wolken, mensen... Ze ziet zich hier al zitten, ja, opgekruld in een stoel met een boek, maar niet als ze erachter komt dat pal aan de overkant een vrouw van het balkon is gesprongen. Op dezelfde dag, hetzelfde uur dat haar vriend en zij besloten deze flat te kopen, vanwege de ligging, het uitzicht, de koolmees, de bruid, en het vermoeden dat de huizenprijzen niet nog verder zullen dalen.

Ik loop naar de keuken om mijn handen te wassen. Vanuit de slaapkamer klinkt gelach. Ze hebben de beslissing genomen, vast. De champagne kan open vanavond. Ik houd mijn polsen onder het water en probeer mijn hoofd koel te houden. Zelfs Frederik zal me in dit geval niet van onridderlijk gedrag betichten. Als ik het hem vertel, beter van niet, hij heeft al genoeg zorgen.

Wie zegt dat ze is gesprongen? Ik heb haar op dat richeltje zien staan, maar niet zien vallen. Terwijl ik op zoek was naar het sleuteltje is ze teruggekrabbeld. Haar man, zus of zoon heeft haar tegengehouden, haar met één armbeweging, als die aap in de Hollywoodfilm, van de richel gegrist. Terug het balkon op, naar binnen. Ze zal het heus niet nog eens proberen. Een huwelijkscrisis, een scheiding - ik kan het weten - daar kom je wel overheen. Ontslag, schulden, dreigende armoede, een huis moeten verkopen dat niet verkocht zal worden, kan ook geen reden zijn om zelfmoord te plegen. Dit is Spanje niet. Het is niet gebeurd.

Ik draai de kraan dicht en sla de druppels van mijn handen. Ik wil de dunne katoenen doek pakken die naast het aanrecht hangt, maar zie ervan af. Hij is brandschoon, wordt voor elke bezichtiging opgehangen en daarna weer weggehaald; de vouw van het strijken zit er nog in. Terwijl ik mijn handen aan mijn broek afdroog loop ik de kamer weer in. Op het balkon aan de overkant is niets veranderd. Alleen het donkere gordijn bolt op, alsof de kamer de vrouw uitzwaait.

Achter me gaat de slaapkamerdeur open. Als ik me omdraai hoor ik in de verte het geluid dat ik al minutenlang verwacht. Hoe harder de sirene klinkt, des te onzekerder word ik of ik niet toch over de sprong moet beginnen. Benk loopt me tegemoet, houdt stil bij de eettafel en kijkt me strak aan. De vechtersblik. Vriendelijk maar vastberaden kijk ik terug. Ik weet precies tot hoe ver ik kan zakken. Tweehonderdtienduizend, lager ga ik niet.

"Wij zijn eruit", zegt hij. Als ik knik, en zeg "mooi, laten we even gaan zitten", begint zijn telefoon weer te kwaken. Blik op het schermpje, op Benks gezicht verschijnt een flauw glimlachje.

"Sorry, dit moet even."

"Nee, natuurlijk, ga je gang."

De Berlusconitruc. Waarschijnlijk heeft hij zich met opzet laten bellen. Ik moet vooral niet denken dat ik iemand ben.

Mischa kijkt van haar vriend naar mij, en fronst. Haar schouders kruipen omhoog. Ik zou haar in mijn armen willen nemen, haar willen redden ... Wakker worden naast Mischa in de ochtendzon, waar heeft die hufter het aan verdiend. Als ze samen deze flat kopen zit ze voorlopig aan hem vast. En ik kan dat voorkomen, ik hoef maar te kikken... De ambulance is nu vlakbij, dan zwijgt de sirene plotseling. De laatste toon blijft schril in de stilte hangen.

"Wat is dat?"

Mischa loopt naar de nis, schoorvoetend volg ik haar. Samen kijken we uit het raam. De ambulance mindert vaart, rijdt de stoep op en komt naast de vrachtwagen tot stilstand. Alleen de achterkant van het gele voertuig is nu zichtbaar.

"Wat zou er gebeurd zijn?", vraagt ze. Vol vertrouwen kijkt ze me aan.

"Geen idee."

"Bij zo'n sirene denk je altijd meteen het ergste, maar het kan evengoed een bevalling zijn. De vliezen zijn al gebroken en hun auto doet het niet ... Zoiets? Het Lucas is gelukkig vlakbij."

Ik knik en sla mijn ogen neer, zie nog een rouwrandje onder een van mijn nagels en ook dat Mischa het opmerkt. Ze glimlacht naar me, geruststellend. Ze denkt dat ze begrijpt waarom ik bloos. Ik wend me af en laat haar in de nis achter, bij de eettafel wacht ik tot Benk klaar is met bellen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden