Vandaag gaat het mij overkomen dat het leven zin heeft

Van oren tot knieën besmeurd met toneelbloed neemt Jan Decleir het applaus in ontvangst. Het publiek in zijn Gentse thuishaven is enthousiast. Minutenlang lag hij aan het slot van 'Hendrik de Vijfden + Margaretha di Napoli' ruggelings over een tafel gedrapeerd dood te wezen. Als vileine bisschop van Winchester had hij lopen flemen en hitsen in zijn enorme priestergewaad, waaronder hij zich op rolschaatsen lijkt voort te bewegen. Decleir laat zijn omvangrijke bisschop wiegen en huppelen alsof die op een hobbelpaard zit, en met de vingertoppen zalvend op elkaar steeds verraderlijk snel aanwezig zijn op momenten waarop toeschouwer én mede-acteurs hem even afwezig wanen.

Ook de Bisschop van Winchester legt het af tegen de aanhoudend complotterende koningin. Margaretha windt alle mannen aan het hof om haar vinger, maar als de bisschop haar giftig verzoekt 'haar klieren en haar spieren meer te sparen en de lokroep niet te volgen van haar sappen' zijn ook zijn uren geteld. Decleir kan net zo gemakkelijk gifspuwen ('Uw macht is op uw achterwerk gestoeld!'), flemen, loeien of bedeesd stamelen, en ondertussen wisselt hij die toonzettingen in een handomdraai af.

Decleir kent de hoeken en gaten van de toneelwereld met zijn waaier van dramatische personages. Zijn vertolkingen vallen al lang niet meer op één hand te tellen, en welk Decleir-personage je ooit ook zag; die blijft in het geheugen alsof het een persoonlijke vriend betreft. Sil de Strandjutter (Cor Bruijn), Priester Daens (Louis-Paul Boon), Meneer Paul (Tankred Dorst), Jan zonder Vrees (Hugo Claus), Dreverhaven (Bordewijks 'Karakter'), politie-inspecteur Beck (Sjöwall/Wahlöo), Antonius (Shakespeare/Barnard), als de soloverteller van Dario Fo's 'Obscene fabels' ('poezemooizeke') en nu als de Bisschop van Winchester en Risjaar Modderfokker den Derde (in de Shakespearebewerking 'Ten oorlog' van Luk Perceval en Tom Lanoye).

Door zijn kloeke verschijning, bezemwenkbrauwen en kaakpartij als een scheepsboeg waarop vaak een raspbaard van een dag of vier stoppelt, wordt hij wel de Vlaamse Gérard Depardieu genoemd. Hij laat zich dat aanleunen, hoewel hij het langzamerhand tijd vindt worden dat Depardieu eens te horen krijgt dat die welbeschouwd 'de Franse Jan Decleir' is.

Jan Decleir (Niel, 1946) komt uit een acteursfamilie. Hij werd geboren onder de rook van Aalst, het gezin trok later naar de Kempen. Al op z'n veertiende wilde hij toneelspelen, maar te jong voor de toneelschool werd hij 'op proef' toegelaten op de Antwerpse kunstacademie om daar schilderen en beeldhouwen te leren. “De klassieke school, dat lukte toch niet.”

Sinds z'n vijfde ging hij met z'n ouders mee naar try-outs die Toon Hermans vóór zijn Nederlandse première eerst in Vlaanderen vertoonde. De meeste grappen ontgingen hem, maar hij raakte ontroerd door de sfeer in het theater.

“Ik herinner het me niet goed meer, maar ik denk dat ik een vrolijk kind was. Alhoewel ik geen spijt heb dat de jeugd voorbij is. Ik was onbekommerd, had een gemis aan ernst, zocht ook - net als nu nog - nooit naar werk. Wie werkt er nou graag? Als het met iets minder kon, was ik er als de kippen bij.”

Om te voorkomen dat hij 'heel veel zou moeten spelen' verbond Decleir zich niet aan een gezelschap. Hij was wel langere tijd gastacteur bij hetzelfde gezelschap, zoals De Nieuwe Scène, maar wilde z'n handen vrijhouden. Jaarlijks zes of zeven rollen in het repertoiretoneel, zoals destijds bij de Koninklijke Nederlandse Schouwburg in Antwerpen gebruikelijk was, vond hij erg veel. Achteraf bezien zat er wel charme in die veelheid, ook al was het theater niet goed: “De KNS was te conservatief op negentiende-eeuwse principes geënt.”

Twijfels cirkelden om hem heen, hij kon z'n draai niet vinden, totdat oprichter en regisseur Luk Perceval van de Blauwe Maandag Compagnie hem voorzichtig vroeg residentieel acteur bij zijn gezelschap te willen worden: “Ik heb een troupe jou waardig gevonden!”, zei Perceval in opperste overtuigingsdrift. Een 'residentieel acteur' is volgens de Blauwe Maandag-wetten een acteur 'die één voorstelling per jaar doet'. Regisseur en gezelschap stellen een voorstelling voor, andersom mag ook de residentieel acteur zelf een productie voordragen. Een moeilijke keus was het niet, temeer omdat al zijn 'goeje vrienden' in het gezelschap zaten of kwamen te zitten.

Al weken voor aanvang was de Shakespeare-cyclus 'Ten oorlog' in Vlaanderen en Nederland uitverkocht. “We hernemen het stuk, dus volgend jaar zit ik weer op rozen”, zegt Decleir in de dictie van iemand die juist een welvoorziene dis heeft verorberd. In het slotdrama van 'Ten oorlog' is Decleir de tierende 'Risjaar Modderfokker den Derde' (Richard III). “Ik had heel graag óók Richard II gespeeld, ik ben een jaloers man; ik had álle koningen willen spelen.

Maar het moet nu eenmaal een groepswerk zijn. En het kan ook niet: de opeenvolgende koningen moeten elkaar op het toneel ontmoeten.'' In de marathonvoorstelling staat hij al zo'n negen uur op het toneel voordat 'Richard III' zijn ontklassiekte beginregels aanheft:

Kwartieren achtereen op stormkracht tierend, belichaamt Decleir 'Risjaars' neergang. Al lispelend, kwispelend, kermend, snauwend, commanderend-crescenderend. En passant nog binnen de seconde van tongval en dus kaakmotoriek wisselend. Alsof hij de mond vol knikkers heeft, bijt Decleir zich letterlijk door z'n meertalige tekst heen.

“Toen ik de tekst in m'n eentje voor het eerst las dacht ik: dit is gevaarlijk, daar gaan we moeite mee krijgen. Nee, niet vanwege die taalwisselingen en rare klanken, dat leer je wel.

Er was even sprake van een acteursopstand. De moeilijkheidsgraad van de tekst vormt nooit een probleem, en ach, als je dan bedenkt: als ik er die prachtige jonge dame mee krijg, dan vlieg je er wel in. In de tekst, bedoel ik. Het is ook plezierig om iets aangereikt te krijgen waar je aan moet sleuren. Binnen de troupe waren bedenkingen of die mengelmoes niet veel te lang zou worden, of het dramatisch zou werken en niet in de cyclus zou detoneren. Zou ook het publiek daar in meekunnen? Ik vind het knap van Tom Lanoye dat hij die tekst als auteur heeft doorgezet, maar dan nu ook nog voor de acteur. Ach, niet alles hoeft ook verstaan te worden. Risjaar hakkelt en stottert, hij heeft geen moeder, hij heeft geen moedertaal, hij stapt van het ene slagveld naar het andere. 'Nu hebben wij niets meer om te doden dan tijd', zegt zijn bruur Edwaar. Je kunt Risjaar louter als monster neerzetten, dat is in twee regels gezegd. Maar je moet toch ook begaan met hem zijn. Theater heeft altijd met een spiegel van de tijd en bovenal met mededogen te maken. Ook al spaart de kunstenaar de roede niet, hij dient z'n publiek te kastijden, maar er moet mededogen zijn.''

Decleir citeert de naamgever van de Antwerpse toneelschool Studio Herman Teirlinck (waarvan hij artistiek directeur is): 'Kunst is de mededeling van een uit ontroering ontstaan levensbeeld.' “Toneelspelers verbeelden dingen die er niet zijn, en koesteren van het publiek de bereidheid om dat te geloven.”

Content is Decleir nog allerminst; nu 'Ten oorlog' na de Nederlandse marathons in Rotterdam weer terug in Gent is, bespeurt hij een terugval. Hij rept zelfs van 'heimwee naar Rotterdam' omdat daar de speelvloer, zaal en het gemelangeerd Vlaams-Nederlandse publiek hem zo bevielen. Na afloop van de voorstelling sprak hij met toeschouwers: “ik vond het zeer plezierig om, na al die uren, nu ook het publíek in de ogen te kunnen kijken.”

Na de marathon van een half etmaal duurt het nog minstens een uur voordat 'Risjaar Modderfokker' weer Jan Decleir wordt. In de coulissen wachtten bedden waar de acteurs tussentijds kunnen slapen, er zijn masseurs. Teneinde te 'ontrisjaren' houdt Decleir nog zeker een uur na afloop zijn Risjaar-kostuum aan, hij drinkt 'een cognacske', praat met z'n medespelers om langzaam terug op aarde te komen. Hij bezweert dat de fles rode wijn die Risjaar tijdens zijn laatste avondmaal opklokt onvervalste en zeker geen theatrale wijn is. Het prikkeldraadmondje dat hij trekt bij de gedachte dat Risjaar in zijn laatste uur bessensap op de planken zou moeten drinken, verraadt pure walging en verontwaardiging.

Niet achter, en zeker niet voor, maar op de planken - dat is de beste plek om te zijn, zei zijn vriend en geestverwant Pjeroo Roobjee al. Beiden willen entertainen, in plaats van geëntertained worden. Pas 'sinds een paar jaar' durft Decleir toe te geven dat hij op de planken - 'die smartelijke plek' - het beste vertoeft. Maar onmiddellijk hoort daar ook zijn 'gulden regel' bij: teer nooit op je verworvenheden. “Het heeft, vrees ik, met ouder worden te maken. Dat je je plotsklaps realiseert: vandaag gaat het mij overkomen dat het leven zin heeft. Waardoor het afscheid nemen straks moeilijk zal worden. Of niet. En dan ebt het weer weg. [Grinnikend:] Dat klinkt nogal triestig allemaal hè? Vermits ik nogal lui en traag ben, heb ik me misschien vrij laat gerealiseerd dat de eeuwigheid niet bestaat, dat jeugd zoek raakt. Ik heb er eigenlijk nooit bij stil gestaan dat eindigheid ook mijn lotsbestemming is. Dat is misschien een lichte vorm van achterlijkheid.”

Eindig of niet, met 'die smartelijke plek' als levensdomein; eenzaam is een acteur niet zolang hij de homo ludens in zichzelf koestert. “Ondanks alles ben je bezig de wereld bij elkaar te spelen, de tijd in te delen en met verhalen en woordjes aan elkaar te breien, je uit de werkelijke tijd te onttrekken om een nieuwe, andere tijd te verbeelden.”

Nu 'Karakter' voor een Oscar genomineerd is, is het niet onmogelijk dat Decleir - met duchtige tegenzin - naar Amerika zal moeten reizen. En stel je maar liever niet ook nog voor dat iemand als Coppola 'Ten oorlog' zou willen verfilmen. Decleir heeft het goed bij zijn Blauwe Maandag Compagnie, hij weet niet wat hij in Amerika zou moeten. “Ik ben hier onder vrienden, er is groot vertrouwen, en dan denk ik eigenlijk alles te kunnen.”

Bestaat er zoiets als willig of vijandig publiek?

“Nou, vijandig publiek. . . . Twaalf uur lang vijandig zijn, dat lijkt mij een hele opgave. Maar soms kan er toch iets in de lucht hangen. Na afloop van een voorstelling in Parijs trof ik vrienden weer in het theatercafé. We hadden verschillende voorstellingen gezien en er bleken die avond kennelijk door heel Parijs 'lachers' in het publiek te zitten. Je weet niet hoe dat komt. Maar een scheiding tussen 'goed' of 'slecht' publiek - nee. Je kunt je wel ergeren als een voorstelling niet functioneert. Maar dan ga je toch eerst jezelf bevragen. Het publiek komt niet urenlang zitten om zich vreugdevol te vervelen. Als het 'fout' gaat, is er met de motor van de verbeelding iets niet in orde. En dan is het wat al te gemakkelijk om de regisseur de schuld te geven. Als een regisseur met een decorateur aankomt die meer architect dan speler is, dan durf ik wel een verwijt te maken. Maar verder zijn het natuurlijk de spelers die de toon zetten. Het maakt niet veel uit of ze dan een zwart of rood kostuum aantrekken.”

Heeft hij gaandeweg en onbedoeld de grens van tevredenheid misschien niet toch bereikt?

“Och, ik ben nog altijd iemand die jengelt naar liefde en bevestiging. Bij tijd en wijle verlang ik naar een veelheid die niet van deze wereld is. Zo tevreden ben ik dus ook weer niet. Maar dat is een luxe probleem. Tevreden mag je nooit zijn. Dan is het afgelopen hè. Net zoals een huis, dat mag ook nooit helemaal af zijn.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden