Vanaf de eerste zin ben je waar je wezen moet

In de serie Elementaire delen vertellen vooraanstaande auteurs steeds over één aspect van hun vak. Vandaag deel 2: de zeer-korte-verhalenschrijver A.L. Snijders over de beginzin.

Een goed begin is niet het halve werk bij het schrijven, maar het helpt wel. Een sterke beginzin schept verwarring, wekt nieuwsgierigheid op, verbazing, ergernis. Nodigt hoe dan ook uit tot verder lezen. Sommige beginzinnen verwerven eeuwigheidswaarde, of staan toch op zijn minst vooraan in onze collectieve bibliotheek: 'Ik ben makelaar in koffie, en woon op de Lauriergracht No. 37.' Multatuli's 'Max Havelaar', 1860. Of deze, recentere, sterke eerste zin: 'Ik heb vader naar boven gedaan.' Uit 'Boven is het stil' van Gerbrand Bakker.

Geen schrijver ontkomt aan de beginzin, maar er is er één die er voortdurend mee aan de bak moet: A.L. Snijders (75), schrijver van het zkv, het zeer korte verhaal.

De winnaar van de Constantijn Huygensprijs (2010) vindt het leuk om over zijn werk te praten, dat merk je meteen. Hij heeft speciaal voor de meneer van de krant croissants gehaald, staat zo nu en dan op om iets te laten zien of om er een verhaal bij te pakken dat hij net heeft geschreven. En soms vraagt hij de interviewer wat die er eigenlijk van vindt.

Snijders leest voor, zet koffie, verzorgt zijn zieke vrouw, vergeet nog bijna de kippen te voeren. Stil valt het nooit. Hoe snel het Volkswagenbusje rijdt, waarmee hij zijn bezoek van het station haalt en terugbrengt, is afhankelijk van de lengte van zijn anekdotes. Alleen al de route van Zutphen naar het buurtschap Klein Dochteren, waar hij woont, herbergt ongetwijfeld een reeks zeer korte verhalen.

U moet zich wel héél vaak het hoofd breken over een eerste zin.
"Wel vaak, maar nooit lang. Ik denk iets langer over mijn eerste zin na dan over mijn andere zinnen. Je moet dan aan onderdelen van een minuut denken, langer duurt het niet. Ik schrijf hem wel heel langzaam op. Hij mag absoluut niet vervelend zijn, hij moet uitnodigen om ook de tweede zin te lezen."

Is de eerste zin de belangrijkste zin?
"Als de beginzin niet goed is, dan bestaat de kans dat je niet verder leest. Al is dat bij korte stukjes veel minder aan de orde dan bij een roman. Bij een roman is niet alleen de eerste zin van belang, maar zijn de eerste bladzijden cruciaal. De belangrijkste zin is voor mij niet de beginzin. Het is die ene zin die even ontspoort. Ik streef altijd naar minimaal één zo'n zin in mijn korte verhalen. In dat stukje dat ik net aan je voorlas, staat een zin die daar volgens mij onder valt. Luister, hier heb ik hem: 'De bekende angst die zijn eigen bron heeft.' Ja, dat was hem. Dat gaat over de vreemdeling. Het zijn zulke zinnen die een stukje geslaagd maken."

Wie of wat bepaalt eigenlijk het begin van een verhaal?
"Ik ben er natuurlijk over gaan nadenken en toen kwam ik tot de conclusie dat mijn verhalen een aantal vaste kenmerken hebben: ze gaan bijna altijd over iets dat ik zelf heb meegemaakt, en het oerverhaal is altijd in strikt chronologische volgorde opgeschreven. Het ultieme begin is natuurlijk: 'Hij werd geboren'. En als ultiem einde zou je dan moeten hebben: 'Hij sliep vredig in'. Zo letterlijk is het bij mij ook weer niet, maar ik begin een verhaal wel echt bij het begin en het eindigt ook echt bij het einde. Dat moet bij mij zo gaan, ik weet ook niet hoe dat precies zit. Er lijkt wel een hogere macht te zijn die mij dwingt te beginnen bij het begin."

En dat begin, heeft A.L. Snijders gemerkt, is meestal het begin van een gebeurtenis. Vandaag zou het station van Zutphen het begin van zo'n gebeurtenis kunnen zijn. "En ik heb ontdekt dat ik een verhaal vrijwel altijd in de verleden tijd begin om vervolgens in de tegenwoordige tijd terecht te komen. Even kijken of dat klopt, hoor."

De schrijver staat op en pakt het verhaal erbij dat hij zojuist voor de KRO-radio heeft geschreven. Zijn analyse blijkt over het algemeen wel juist. Maar niet altijd. De eerste zin heeft hij later veranderd, ziet hij nu. Die begon eerst met 'Toen ik op perron 4...' en begint nu met 'Als ik op perron 4...'.

In de bundels van A.L. Snijders herkent de gespitste lezer steeds min of meer dezelfde structuur als raamwerk van de korte vertellingen. En ja, vanaf de eerste zin ben je waar je wezen moet: 'Ik liep in Leerdam, in de vroege ochtend, zon'. Of: 'Als de eekhoorn me ziet, schrikt hij zich rot en vliegt de notenboom in, achter de stam naar boven, zorgvuldig achter de stam'.

Het zijn typische beginzinnen voor de korte baan, niet voor een roman.
"Ik denk heel vaak: zal ik een roman schrijven? Anderen sporen mij er ook vaak toe aan. Dan hebben ze iets van me gelezen waar ze een langer vervolg in zien. Maar ik kan er niet op doorgaan. Ik heb geen zitvlees. Voor in een roman zie ik weleens zoiets staan als: 'Voor Lucie, die mij zo veel avonden heeft moeten missen.' Dan denk ik: goh, zij heeft dus een rotleven en hij heeft een rotleven. Ik zie die vinexwijk al voor me. Nee, dat wil ik ons besparen. Dat snelle, dat losse, dat is gewoon een kant van me. Daarna wil ik de kippen weer te eten geven."

"Ik ben ook een conventionele schrijver. Geen experimentele. Dat zou ik best willen, maar ik durf niet ver genoeg te gaan. Het ontbreekt me aan lef. Toch heb ik wel degelijk een stijl: een lichte bevreemding zoek ik, of iets filosofisch. Maar altijd: een beetje. Altijd een beetje, nooit té. Daar ben ik te veel een burgermannetje voor. Ik moet er ook te veel om lachen, om dat serieuze. Een beetje zoals Karel van het Reve dat had. Bij de Amerikaanse schrijver James Salter ontdekte ik voor het eerst hoe mooi het is om hele stukken weg te laten. Ik dacht: dit is het echte schrijven."

Waar komen uw verhalen vandaan?
"Het bedenken begint meestal 's morgens in bed. Dan ga ik na wat ik allemaal heb meegemaakt. Dat levert niet meteen iets op. Dat hoeft ook niet altijd; ik schrijf alleen maar op de dag dat het moet. Niet zelden komt het pas op het laatste moment. Ik ben een pathologische lastminute-werker. Voor het VPRO-radioprogramma 'De avonden' maak ik altijd een zeer kort verhaal en het is me weleens gebeurd dat ik nog tijdens de uitzending aan het schrijven was. Dan bel ik ze op en vertel ik eerlijk dat ik al wel een onderwerp heb, maar dat er nog niks op papier staat. Heerlijk vindt de eindredacteur dat. Hoe spontaner, hoe beter."

Zo kort als zijn verhalen zijn, zo lang duurde het voor A.L. Snijders bij het grote publiek bekend werd. In 2010 won hij plots de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre. "Dat heeft veel in gang gezet, natuurlijk. En dat op mijn drieënzeventigste!"

Snijders kreeg een stortvloed aan reacties vanuit het hele land, zat ineens een paar keer aan tafel bij Matthijs van Nieuwkerk en kan zowaar tot op de dag van vandaag leven van het schrijverschap. "Die prijs is goed geweest. Er wordt totaal anders naar je gekeken, vooral door mensen in het culturele circuit. Daar is zo'n prijs enorm belangrijk voor. Zeker als je moet schnabbelen, zoals ik. Ik blijf een broodschrijver."

Hij is tegelijkertijd de eerste die zo'n onderscheiding ook weer relativeert. "Ik heb een keer iets heel geks meegemaakt. Er is hier bij mijn huis een ruimte waar ik nooit kom, waar ik nooit kwam. Ik was er een half jaar niet geweest toen ik besloot er eens te kijken. Het was net nadat ik die prijs had gekregen. Ik liep er binnen en hoorde de radio. Die had dus een half jaar aangestaan. En wie was er te horen: Willem Frederik Hermans! Hij zei dat ons in de literatuur maar een paar dingen zullen bijblijven: De gedichten van De Schoolmeester - pseudoniem van dichter Gerrit van de Linde -, een paar bladzijden van Multatuli en het hele werk van Nescio. Dat heb ik heel goed onthouden. De enige schifting is de tijd. De tijd. Maar jij kwam eigenlijk voor de beginzin, hè. Kom eens mee."

De schrijver loopt naar de huiskamer, waar een ingelijste uitvergroting hangt van de eerste bladzijde van 'De Uitvreter'. Handgeschreven. Snijders leest hem voor: 'Behalve den man die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.' "Kijk, dat is pas een beginzin. Ken je het? Nescio, ja. Goed zo. Die ga ik uit het hoofd leren, dat neem ik me nu voor. Ik vind dat ik deze hele bladzijde uit het hoofd moet kennen."

Wie is A.L. Snijders?
A.L. Snijders (Amsterdam, 1937) is een pseudoniem voor Peter Cornelis Müller. Hij was eerst docent Nederlands en gaf later les aan de politie-opleidingsschool in Lochem. Laatbloeier Snijders begon als columnist bij onder meer Het Parool. Hij maakte zijn Zeer Korte Verhalen (zkv's) eerst alleen publiek in eigen kring, tot de kleine uitgeverij AFdH vroeg zijn werk te mogen bundelen. Inmiddels verschijnen zijn columns bij De Bezige Bij. Snijders leest zijn verhalen ook voor op de KRO- en VPRO-radio.

Snijders' doorbraak kwam na het winnen van de Constantijn Huygensprijs in 2010, die hij kreeg voor zijn gehele oeuvre.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden