Vanaf de achterbank

Ze waren nog geen dag op Pools grondgebied toen de Saab ermee ophield. Ingmar Heytze en zijn familie sleepten zich van garage naar garage.

Het falen van een Saab 96 ruikt naar Trabant. Onze topaasgele Zweedse familiewagen werd het grootste gedeelte van de vakantie voortgetrokken door de tweetaktauto's van vriendelijke Poolse boeren en een enkele taxichauffeur. Mijn ouders, mijn zus en ik hebben grote delen van Polen uitsluitend gezien in een blauwgrijze mist.

Achteraf is me nooit geheel duidelijk geworden wat mijn ouders bezielde om uitgerekend eind jaren zeventig naar Polen op vakantie te gaan. Toeristen uit het Westen mochten het land weliswaar in, maar erg welkom waren we niet. Dat wil zeggen, de Polen die we tegenkwamen waren ongelooflijk aardig, maar iedereen die een pet droeg bekeek ons met een mengeling van wantrouwen en ongeloof. Wat had een Nederlands gezin te zoeken in een land waar heel wat mensen hun rechterarm zouden afstaan om juist naar het Westen toe te kunnen? Daar moest iets achter zitten. Maar er zat niets achter. Het was hooguit de aversie van mijn moeder tegen zuidelijke hittegolven die ons ongeveer op de breedtegraad van België hield.

Polen ín komen bleek het probleem niet. Goed, er was een Checkpoint Charlie-achtig bouwwerk met slagbomen, en een hoop strak geüniformeerde douaniers met grote automatische wapens en nog grotere petten. Nadat mijn vader onze paspoorten had afgegeven lieten ze ons drie kwartier wachten, waarbij we ongeveer hetzelfde dachten als iedereen die in een ver land zijn paspoort afgeeft: dat de dienstdoende douaniers ergens koffie drinken met een paar stukken gebak erbij, uit verveling in een dienstwagen zitten te masturberen bij een in beslag genomen Playboy, of gewoon door de vitrage staan te loeren of je al in paniek begint te raken. Uiteindelijk mochten we doorrijden. Met echte stempels.

We waren nog geen dag op Pools grondgebied toen de Saab ermee ophield. Vraag me niet wat er aan de hand was. Ik was acht. Vijfendertig jaar later kan ik trouwens nog steeds geen carburateur van een luchtfilter onderscheiden. Ik kan weer andere dingen, zoals de wegenwacht bellen en pepermuntjes uitdelen.

We kregen niet de indruk dat de eerste monteur waar de auto heen werd gesleept, ooit een Saab van dichtbij had gezien. Het lukte hem desondanks om een noodreparatie uit te voeren die een paar honderd kilometer hield. Toen stonden we weer met rokende motor in een ander weiland. Om een lang verhaal kort te maken: in de weken die volgden, sleepten we ons letterlijk van garage naar garage. Mijn ouders hadden uit nieuwsgierigheid een paar dagen in Polen willen rondkijken. Het lot besliste anders: we waren voor onbepaalde tijd gegijzeld door een maandagproduct uit de Zweedse metaalindustrie.

Dat wil niet zeggen dat onze vakantie in het water viel. We bezochten prachtige steden als Warschau, Krakau en Pozna¿. We verwonderden ons over het contrast tussen de gastvrijheid van de Polen en de barse Eichmann-mentaliteit van iedereen met een pet op. We leerden om in de rij te staan voor eten en niet te zeuren over slappe koekjes of melk met brokken vet erin. Op de camping ontmoetten we zigeunerkinderen met blikkerende tanden en gitzwarte ogen. Ze hadden nog nooit met Lego gespeeld en namen stiekem de helft van mijn collectie mee. Het oudste meisje uit die familie bracht die 's avonds, met excuses, weer terug.

Poolse monteurs zijn vindingrijk. Tegen de tijd dat de motor van onze auto was versleuteld tot een blauw walmend bastaardkind van een Oost-Duitse Trabant en een Russische tank, werd het tijd om terug te gaan naar Nederland. De auto maakte weliswaar een totaal ander geluid dan vóór de Poolse revisie, maar hij leek geen grote kuren meer te hebben. We reden terug naar de grens in de verwachting dat we het land zonder problemen uit zouden mogen.

Mijn vader is een doorgewinterd reiziger. Hij vloog van Canada tot Japan en van Amerika tot Finland, en in de meeste landen daartussenin heeft hij op zijn minst wel eens een stopover gehad. Er is maar één ding waar hij geen sjoege van heeft, en dat is het omkopen van - ik bedoel het langs monetaire weg versoepelen van mogelijk stroeve verhoudingen met - het plaatselijk gezag. Achteraf weet ik bijna zeker dat we het land direct in en uit hadden gemogen, als hij onze paspoorten had overhandigd met een scheve grijns en een paar dollarbiljetten erin, maar het was niets voor mijn ouders om zich met dat soort clandestien gedoe in te laten. Wel hadden we onderweg steeds meer Pools geld opgenomen om al die monteurs te kunnen betalen. Toen we weer aan de grens stonden, hadden we minstens voor vijfhonderd gulden aan zloty's over - de envelop vol vale biljetten was dikker dan onze reisgids.

Het grenswisselkantoor werd gerund door mannen met petten die bijzonder leken op douaniers, ik vermoed omdat ze dat ook gewoon waren. De pet waarbij mijn vader zijn halve kruiwagen vol zloty's probeerde om te wisselen naar Duitse marken, schudde zijn hoofd. Zijn instructies waren daar heel helder over: dat zou niet gaan. Als ik het goed begrijp, zei de beambte: u komt het geld nog maar eens opmaken op uw volgende vakantie in Polen. Mijn vader schijnt hierop te hebben geantwoord: "U dacht toch niet dat ik hier ooit van mijn leven terugkom?"

Dat had hij niet moeten zeggen. We werden de Saab uit gebonjourd door een stel douaniers, waarna de auto grondig werd doorzocht. Het was vanaf het begin duidelijk dat ze nergens naar op zoek waren: in de reglementen stond dat het kon, mijn vader was lastig, en dus deden ze het. Misschien was het gebak op, of iemand had de Playboy achterovergedrukt. Vele jaren later las ik in de krant een klein berichtje over een Poolse spoorwegbeambte. Het behoorde tot zijn taken om iedereen een boete te geven die in zijn regio over het baanvak liep. Als hij zijn quotum niet zou halen, werd hij ontslagen. Daarom heeft hij zichzelf een boete opgelegd.

Van een afstand moet het een vreemd toneelstuk zijn geweest: een doorsnee Nederlands gezin, een Saab 96 met alle deuren open en douaniers die tassen vol kleren en kampeerspullen doorzoeken op zoek naar iets dat ze in beslag mogen nemen. Als ik me niet vergis, heb ik een douanier ondergoed van mijn moeder tegen het licht zien houden, en toen moest het compartiment voor het reservewiel - ik wist niet eens dat we er een bij ons hadden - nog doorzocht.

Toen onze volledige bagage uitgepakt op de parkeerplaats lag, ontplofte mijn vader. Hij liep terug naar de grenswisselpet en brulde: "Ik heb hier het nummer van de Nederlandse ambassade en als u nu niet gewoon ons geld wisselt en ons doorlaat, bel ik ze op om te vertellen wat er hier aan de hand is." De pet zag in dat het niet goed kon aflopen als hij een heel Nederlands gezin opsloot, schoof een stapel marken door het luikje en wenste ons een goede reis. Met een dot gas gingen we op weg naar het Vrije Westen.

Mijn vader hield woord: Polen hebben we nooit meer bezocht.

Ondanks zijn onbetrouwbaarheid maakt mijn hart nog altijd een sprongetje als ik een Saab 96 zie rijden. Enkele maanden geleden zag ik een vaaloranje exemplaar - de kenner spreekt over 'Indisch geel' - aan de straat te koop staan. Ik heb er zeker tien minuten in verbijstering omheen gelopen. Vergeleken met de Citroën BX waarmee mijn vader het Saab-tijdperk afsloot, waarschijnlijk aangetrokken door de slogan 'De garage vindt-ie maar niks', is het interieur van een Saab 96 belachelijk klein. Hoe is het mogelijk dat we in dit voertuig met vier mensen en een complete kampeeruitrusting dwars door Europa zijn gereden? En moest ik, nu ik zelf aan een gezinsauto toe ben, geen daad stellen door dit antieke stuk Zweeds edelstaal op de weg te houden? Maar toen ik me over de motorkap boog om de geur van het verleden op te snuiven, rook ik al vaag de geur van tweetakt.

Ingmar Heytze
Ingmar Heytze (1970) is dichter en schrijver. Hij wordt gerekend tot de zogeheten Utrechtse Mafia, een groep Utrechtse schrijvers waartoe ook Manon Uphoff, Jerry Goossens en Ronald Giphart behoren.

Heytze werkte als journalist onder meer voor het Utrechts Universiteitsblad, het hogeschoolblad Trajectum en in het verleden voor Rails. Vorig jaar verscheen zijn poëziebundel 'Ademhalen onder de maan' en in het genre proza 'Reisoefeningen'.

Op pagina 39 vraagt Zomertijd Ingmar Heytze wat de favoriete vakantiebestemming is van deze man met reisangst.

Schrijvers Gerwin van der Werf, Manon Uphoff, Jan van Mersbergen, Ernest van der Kwast, Maartje Wortel, Ingmar Heytze en Marjolijn van Heemstra maken deze zomer een reisverhaal onder het motto 'Grensgevallen'. Vandaag aflevering 6.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden