Van zes naar achttien Van zes naar achttien

De grachtengordel van Amsterdam moet op de Unesco-lijst van het werelderfgoed komen. Althans, dat zou de gemeente graag willen. Ook de Waddenzee, de Van Nelle-fabriek en nog negen andere monumenten zijn kandidaten voor de prestigieuze erfgoedlijst van objecten. Erkenning kan ook wel eens betekenen dat andere plannen gedwarsboomd worden.

Schokland en omgeving was in 1995 het eerste stukje Nederland dat op de Werelderfgoed-lijst kwam te staan.

Een jaar later volgde de ring van 45 forten rondom Amsterdam, die samen ’De Stelling van Amsterdam’ heten. Nog een jaar later kreeg de historische binnenstad van Willemstad, op het Antilliaanse Curaçao, de officiële status van werelderfgoed – tegelijk met de molens van Kinderdijk.

In de drie jaar daarna kwam er telkens eentje bij. In 1998 het stoomgemaal van Ir. D.F. Wouda in Lemmer, in 1999 de Noord-Hollandse Beemster. De laatste keer dat een stukje Nederland tot werelderfgoed werd verklaard (in 2000, het Rietveld-Schröderhuis in Utrecht), was de eerste keer dat een erfstuk niets met water te maken had. Bij alle andere erfstukken was dat de rode draad.

Maar sinds die laatste keer werd het weer zo stil als vóór 1992. Want hoewel de Unesco in 1972 officieel met z’n lijst van werelderfgoed begon, en Nederland dat jaar keurig het verdrag tekende, duurde het toch twintig jaar voor Nederland er werkelijk belangstelling voor kreeg.

Pas in 1992 kreeg het Unesco-verdrag in Nederland parlementaire goedkeuring – en vanaf dat moment mocht Nederland zelf ook z’n erfstukken aanmelden, en daarmee de zware en langdurige procedure binnengaan die uiteindelijk leidt tot het stempel ’werelderfgoed’. Tot 1992 dacht Nederland blijkbaar ’ach ja’ over het Unesco-idee dat erachter schuil gaat. Dat sommige cultuur- of natuurfenomenen te belangrijk, te uniek zijn om ze als ’nationaal’ te beschouwen, maar ze te zien als universeel.

Dat idee was bij de Unesco in 1972 alweer jaren oud. Het idee van een lijst erfgoederen waarop niet speciaal het land waarin het ligt, maar de hele wereld goed hoort te passen, is eigenlijk een uitvloeisel van de bouw van de Aswandam (1960-1970) en het Nassermeer, in het zuiden van Egypte. Had de Unesco toen niet ingegrepen, dan had de toenmalige regering van Egypte de twee 3000 jaar oude tempels van Aboe Simbel bij de aanleg van het Nassermeer in het water laten terechtgekomen.

In plaats daarvan zijn de tempels tussen 1964 en 1968 in blokken gezaagd en 200 meter verderop, en 65 meter hoger, opnieuw in elkaar gezet. Een paar decennia later kreeg elk land dat had meegeholpen, van Egypte een materieel bedankje. Zo komt het Museum van Oudheden in Leiden aan het Taffeh-tempeltje in de hal.

De animo om eigen cultuur- of natuurschatten op de Unesco-lijst te krijgen is niet overal even groot – of in ieder geval is dat zo geweest. Zo zette het rijke Noorden heel wat meer op de lijst dan het arme Zuiden van de wereld. Dat heeft een wrange paradox als reden: om tot de Unesco-lijst te worden toegelaten, moet je aantonen dat je als nationale overheid heel wat doet ter bescherming van je monumenten. Sommige landen hebben wel wat anders aan hun hoofd dan de bescherming van hun monumenten. Zo had Afghanistan er begin deze eeuw bijvoorbeeld geen tijd voor, er was per slot een oorlog aan de gang, om de aanvraag bij de Unesco af te maken waardoor de twee grote boeddhabeelden van Bamiyan officieel beschermd erfgoed zouden zijn geworden. Begin 2001 bliezen de Taliban ze op. Twee jaar later, in 2003, kwamen de restanten op de officiële Unesco-lijst voor culturele erfstukken die ’in gevaar verkeren’.

Maar er zijn ook intra-Europese verschillen die met de kloof tussen rijk en arm, of oorlog en vrede, niets te maken hebben. Italië (met 41 werelderfstukken), Spanje (39), Duitsland (32), Frankrijk (30) en het Verenigd Koninkrijk (27) moeten wel heel wat actiever zijn geweest om het eigen cultuurgoed op de Unesco-lijst te krijgen dan België (9) of Nederland (6) tot dusver waren. De verklaring lijkt in elk geval niet te zijn dat Nederland en België (vinden dat ze) minder cultuur- of natuurschatten hebben. Want beide landen hebben wel flink wat kandidaten op de zogeheten ’tentatieve lijst’. Dat is het verlanglijstje dat een land indient bij de Unesco, waarop de kostbaarheden staan die ze graag op de officiële erfgoedlijst terecht zouden zien komen.

België heeft zeven kandidaten op z’n verlanglijstje staan – van het kasteel en de rotsen van Freyr (sinds 1997 op het verlanglijstje) tot de middeleeuwse binnenstad van Gent (sinds 2002). Nederland heeft zelfs een verlanglijst van twaalf, sinds september 1995. De kandidaten variëren van de rivierduinen (’donken’) in het oosten van de Alblasserwaard tot het Waddengebied en de Amsterdamse binnenstad.

„De Amsterdamse grachtengordel op de werelderfgoedlijst, dat is eigenlijk al een heel oud voornemen”, zegt Liesbeth Sloof van het Bureau Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam. „Niet van onszelf, trouwens, maar van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Het heeft een paar jaar stilgelegen, omdat Nederland zelf een lid in de Unesco-commissie had zitten.”

Rick van der Ploeg, de voormalige PvdA-staatssecretaris van cultuur, wilde er namelijk graag in gaan zitten. In de campagne om Van der Ploeg verkozen te krijgen, beloofde Nederland om zolang geen Nederlandse erfstukken aan te melden: dat zou maar tot belangenverstrengeling kunnen leiden. In Amsterdam was toenmalig wethouder Belliot niet blij met de vertraging die Van der Ploegs ambities voor de stad opleverden; in Rotterdam – dat de eveneens sinds jaren genomineerde Van Nelle-fabriek binnen z’n stadsgrenzen heeft, bij uitstek een icoon van Het Nieuwe Bouwen – schreven burgemeester en wethouders er herfst 2003 een brandbrief over aan de D66-bewindsvrouw die inmiddels cultuur ’deed’: Medy van der Laan. In Amsterdam en Rotterdam zijn ze er blij mee dat Van der Ploeg in elk geval niet de volledige termijn, zes jaar, in de commissie bleef zitten. Als er nu niet opnieuw iets tussenkomt, en de commissie niets afwijst, dan zouden de twaalf Nederlandse kandidaten, waaronder dus ook de Amsterdamse grachtengordel, in 2008 officieel tot ’werelderfgoed’ bestempeld kunnen worden.

Wat je daar als stad aan hebt? Liesbeth Stoof is even stil en zegt dan: „Het geeft eigenlijk vooral meer status. De Amsterdamse grachten zijn natuurlijk nu al erg beroemd, maar een officiële status als werelderfgoed geeft je nog meer naamsbekendheid. Dat komt neer op: meer toerisme. Maar wat het in ieder geval niet oplevert, is extra geld. Aan de kwalificatie ’werelderfgoed’ verbindt de Unesco geen geld. En naar we hopen levert het evenmin extra regels op. De Amsterdamse binnenstad is nu al beschermd stadsgezicht. We zijn nu een zogeheten ’nominatiedossier’ aan het schrijven, om aan de Unesco-commissie duidelijk te maken wat we nu al aan de conservering doen. Dat is al zoveel, ik denk wel dat de Unesco het voldoende zal vinden – dat ze niet nog meer regels zullen opleggen.”

De Vrienden van de Amsterdamse binnenstad (VVAB), een comité met 2400 leden dat er allerminst gerust op is dat die gemeentelijke status van ’beschermd stadsgezicht’ het aangezicht van Amsterdam-centrum wel voldoende beschermt, hoopt eigenlijk van wel. Met de Unescoregels om werelderfgoed te kunnen worden in de hand, betoogt de VVAB dat de hoogbouwplannen aan de rand van het IJ in Amsterdam-Noord, aan de overkant van het Centraal Station, van de baan moeten. Het zicht op het IJ moet open blijven, vinden de Vrienden.

De Vrienden lijken een punt te hebben. Niet alleen schreef de Unesco vorig jaar in het zogeheten Weens Memorandum dat bij nieuwbouw in historische gebieden ’goed gelet moet worden op de schaal, vooral wat betreft hoeveelheid en hoogte’. Dat lijken slechts woorden, maar in 2000 hield de Unesco zo met succes hoogbouwplannen in Keulen tegen. Aan de overkant van de dom, aan de andere kant van de Rijn, waren plannen voor hoge flats. De Unesco dreigde daarop om de Keulse dom zijn status van werelderfgoed te ontnemen. Onder dat dreigement wijzigde Keulen toen de bouwplannen.

En zojuist, in juli, gebeurde in Duitsland opnieuw zoiets. Half juli, bij haar jaarlijkse vergadering (dit keer in de Litouwse hoofdstad Vilnius) besloot de werelderfgoed-commissie om de Elbe-vallei ter hoogte van Dresden – die 18 kilometer riviervallei zijn sinds 2004 werelderfgoed – op de rode lijst te zetten, de lijst van werelderfgoed dat ’in gevaar’ verkeert. De reden: de gemeente Dresden wil juist daar een brug over de Elbe bouwen. Gaat de bouw toch door, dan haalt de Unesco de Dresdner Elbe-vallei volgend jaar van de lijst met werelderfgoed af. De gemeenteraad van Dresden vergaderde er vorige week donderdag over en besloot spoorslags (met 39 stemmen voor en 29 tegen) het bouwplan te herzien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden