Van worm tot mens

In 'De vis die aan land kroop' biedt Jelle Reumer een overzicht van de evolutie. Relativerend, zoals we van deze rasverteller gewend zijn.

Het kenmerk dat alle, maar dan ook echt alle zoogdieren bindt, is niet het feit dat ze hun jongen zogen, maar het bezit van drie kleine, losse botjes in het oor. Dat is één van de verrassende weetjes die Jelle Reumer optekent in zijn nieuwe boek, 'De vis die aan land kroop'.

Trouw-columnist Reumer is directeur van Het Natuurhistorisch Museum in Rotterdam en één dag in de week ook bijzonder hoogleraar in de paleontologie van de gewervelde dieren aan de universiteit van Utrecht. Die studie van de fossielen, en daarmee de evolutie van gewervelde dieren is zacht gezegd geen omvangrijke wetenschap in ons land. De vooruitzichten op passend werk zijn voor een afgestudeerd paleontoloog niet florissant. Het is dan misschien ook niet zo vreemd dat er tot nu toe geen Nederlandstalig boek bestond met een overzicht van de stappen die de evolutie heeft gemaakt van een ruggengraatloze worm, via een klein visje mét een soort ruggengraat, tot uiteindelijk de mens. Of beter gezegd: tot uiteindelijk de kolibri. Want om de clue maar vast te verklappen: in 'De vis die aan land kroop' komt Reumer tot de conclusie dat niet wij de kroon zijn op de evolutie, maar 'een heel kleine, gevederde dinosaurus die heel snel klapwiekend nectar uit een bloem kan zuigen.'

Zogen
Twee jaar terug verzorgde Reumer een korte serie colleges voor Studium Generale in Utrecht, over de evolutie van gewervelde dieren. Door die colleges op schrift te bundelen, heeft hij nu het eerste Nederlandstalige boek gemaakt met een bloemlezing uit de vertebratenpaleontologie, zoals zijn vakgebied officieel het. En daarin lees je dus onder andere dat wij eigenlijk geen zoogdieren zijn, maar hamer-aambeeld-en-stijgbeugeldieren. Dat klinkt natuurlijk niet lekker, maar dat laat onverlet dat er dus zoogdieren zijn die hun jongen niet letterlijk zogen. Naast een hele hoop uitgestorven voorbeelden bestaan er anno nu nog een paar eierleggende zoogdieren die geen tepels hebben, zoals het vogelbekdier uit Australië. Het beestje heeft wel melkklieren, dus de jongen kunnen de melk op zijn best oplikken uit de vacht op de buik van de moeder. Het is hooguit zogen avant la lettre.

Het enige kenmerk dat echt álle zoogdieren hebben, zo schrijft Reumer, en andere diergroepen niet, dat zijn drie losse botjes aan het uiteinde van onze onderkaak. Zoals op meer plaatsen in het boek illustreert hij dat met informatie uit de keuken; de makkelijkste bron van kennis over anatomie en evolutie. Want toen wij nog geen zoogdieren waren, maar vissen, bestond onze onderkaak nog uit een samenstel van verschillende botjes die door kraakbeen bijeen werden gehouden. Dat kun je in de keuken zien als je bouillon trekt van een vissenkop. Door het koken laten een paar onderdeeltjes aan het eind van de onderkaak van de vis los. In de evolutie zijn die stukjes ook losgeraakt en verhuisd naar het binnenoor, waar ze ervoor zorgen dat zoogdieren goed kunnen horen. Handig voor dieren die er doorgaans een nachtelijk leven op na houden.

De eerste zoogdieren met losse botjes in hun oor zijn waarschijnlijk 210 miljoen jaar terug ontstaan. Ongeveer 150 miljoen jaar daarvóór werd een andere cruciale stap gezet. Onder andere aan een kust die nu bij het Canadese Ellesmere Eiland ligt, kroop voor het eerst een vis aan land. Deze tiktaalik, het Inuitwoord voor 'platte zoetwatervis', had een krokodilachtige kop, vissenschubben, en op de plek van zijn borst en buikvinnen ook vier 'pootjes', waarmee hij op land kon bewegen. De zwemblaas, waarmee in het water het drijfvermogen werd geregeld, werd in de evolutie omgebouwd tot primitieve longen waarmee tiktaalik ook op het droge zuurstof in zijn bloed kon krijgen. De Amerikaans paleontoloog Neil Shubin had die stap van zee naar land ooit al op de tekentafel bedacht om aan het begin van deze eeuw de bijbehorende fossielen ook daadwerkelijk in Canada te vinden.

Reis door de tijd
'De vis die aan land kroop' biedt een soort canon van de paleontologie: welke stappen moet je als student, als wetenschapper of gewoon als geïnteresseerde leek in je hoofd hebben om de evolutie van primitief visje tot de huidige zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en vissen te kunnen begrijpen? Maar zeker die geïnteresseerde leek heeft best een kluif aan deze reis door de tijd. De geologische tijdperken en de wetenschappelijke namen van al dan niet uitgestorven dieren vliegen je in sneltreinvaart om de oren. Toen het boek een collegeserie was zaten er zonder twijfel meer 'powerpoint-dia's' bij dan er nu illustraties in het boek zitten. Bij een tweede druk zou het goed zijn om, net als in een echte reisgids, een grote uitvouwbare kaart in de kaft te plakken. Een stamboom met de dieren die aan bod komen, geplaatst op een verticale as met het betreffende geologische tijdperk zou het overzicht ten goede komen.

Gelukkig is Reumer een ras-verteller en weet hij de reis op die manier te verluchtigen. En te relativeren. 'Van de maan af gezien zijn wij allen even groot', zo citeert hij Multatuli. De paleontologie bevat sowieso de nodige subjectiviteit, dus waarom zou hij als vogelliefhebber de kolibri niet aan de top van de stamboom van de evolutie mogen zetten?

'De vis die aan land kroop', Jelle Reumer. Historische uitgeverij, 25 euro.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden