Van witte kubus naar bonte kermis

aankleding | Kunstmusea trekken steeds vaker hulpmiddelen uit de kast om de kunst aantrekkelijk te maken. Welke gedachten zitten daarachter, en waar ligt de grens?

Damien Hirst had één kunstwerk uitgeleend, en om dat te zien stonden mensen in 2008 heel lang in de rij in het Rijksmuseum. Het ging om 'For the love of God', een schedel met negenduizend diamanten en een waarde van 64 miljoen euro. Het spektakel was niet alleen het kostbare kunstwerk zelf: het stond als enige werk opgesteld in een glazen vitrine, in een duistere zaal, met twee bewakingsmedewerkers er continu naast. Er mochten maar vijftien bezoekers per keer naar binnen - en dat verhoogde de aantrekkingskracht.

Meestal valt de aankleding of inrichting van een tentoonstelling museumbezoekers nauwelijks op. Het is net als bij de vormgeving van een krant: zolang het goed gebeurt, besef je zelden dat de tekst bestaat uit verschillende soorten letters en dat de pagina bij elkaar wordt gehouden door papier, lijnen en witte vlakken. Naar een tentoonstelling ga je voor de kunst, niet voor het behang erachter. Pas als het 'anders' is, valt het op.

Zo had het Rijksmuseum bij de tentoonstelling 'Azië > Amsterdam' eind vorig jaar de zalen voorzien van behang dat bestond uit opgeblazen details uit aquarellen. Het idee was dat die achtergrond een bepaalde sfeer zou oproepen zonder te overheersen, zo vertelden de vormgevers, Kiki van Eijk en Joost Bleiswijk. Maar in sommige gevallen trok de muur wel erg veel aandacht weg van de schilderijen en meubels.

In het 'Univers impressionniste' in Auvers-sur-Oise, de sterfplaats van Vincent van Gogh, is het inrichten tot kunst verheven. De decors van de bekendste impressionistische schilderijen zijn er nagebouwd - strandstoeltjes, een park, een café - en in elk decor wordt steeds een toepasselijk schilderij geprojecteerd. Digitaal: het museum bezit geen enkel schilderij. Het idee erachter: door de omgeving zo realistisch mogelijk te maken, kan de bezoeker zich optimaal inleven in wat de kunstenaar uitbeeldde.

Een verhaal

Hoewel geen Nederlands museum zover gaat als dat in Auvers, zijn er op dit moment meerdere tentoonstellingen met een gewaagde, ongebruikelijke vormgeving. Trouw vroeg twee museumconservatoren naar de achterliggende reden. Waar houdt de sfeerbepaling op en begint het attractiepark? En waar gaat het het museum uiteindelijk om, bij een tentoonstelling?

Edwin Becker, hoofdconservator tentoonstellingen van het Van Gogh Museum, zou uren kunnen praten over de overwegingen die gemaakt worden bij de inrichting van tentoonstellingen. Hij werkt meer dan twintig jaar in het Van Gogh. "Een tentoonstelling is een goed verhaal. Met een inleiding, een rode draad en verschillende hoofdstukken. En om dat verhaal te vertellen heb je in de eerste plaats de kunst, die staat voorop. De vormgeving staat ten dienste van de kunstwerken, en van het verhaal. Maar je kunt er wel veel mee bereiken."

Ook in het Gemeentemuseum in Den Haag wordt de vormgeving gebruikt om zo'n verhaal te vertellen. De tentoonstelling 'Klimt-Schiele', rond het bruikleen 'Judith I' van Gustav Klimt uit Wenen en het eigen 'Portret van Edith' door Egon Schiele, begint met een visuele knal. Het voorportaal en de daarachter liggende zalen zijn van onder tot boven bekleed met dikke zwarte lijnen op een witte achtergrond. De twee vrouwenportretten hebben ieder een eigen zaal gekregen met bijpassende decoratie. Bij Judith zijn de wanden gevuld met oplichtende parfumflesjes, bij Edith hangen gestreepte gordijnen rondom in de zaal.

Wanneer je er achteloos binnenstormt, lijkt het eerder een optische illusie dan een serieuze tentoonstelling. Conservator Frouke van Dijke snapt die reactie, maar kan ook uitleggen waarom het museum voor dit spektakel koos. Het is een kleine tentoonstelling, vertelt ze, opgebouwd rond twee schilderijen. Klimt is bekend bij een groot publiek, hij maakte veel 'laagdrempelige' kunst, maar deze 'Judith' is broeierig - Klimt maakte van de traditioneel zo kuise bijbelse Judith een verleidelijke vrouw.

De bijna dertig jaar jongere Egon Schiele is minder bekend, en maakte veel erotische tekeningen. Alleen niet van zijn vrouw Edith, haar verbeeldde hij juist als een lappenpop, in de trouwjurk die ze maakte van gordijnen.

In de eerste twee zalen krijgt de bezoeker, aan de hand van prenten, tekeningen en affiches, een beeld van Wenen rond de eeuwwisseling, en van de andere vrouwentekeningen die de kunstenaars maakten. En zo sta je vervolgens in een zaal met maar één schilderij.

Van Dijke: "Het is een kleine tentoonstelling, maar wel een unieke gelegenheid: er is niet één Nederlands museum met een schilderij van Klimt in de collectie. Daarom hebben we gekozen voor deze opstelling, waarbij je diep ingaat op één thema, het vrouwenportret, en de twee schilderijen. Bezoekers worden uitgenodigd langer naar het schilderij te kijken, de rest van de zaal beïnvloedt de sfeer. Studio Maison the Faux, de ontwerpers, kozen voor een spectaculaire entree, maar wel in de stijl van de vormgeving van die tijd. En nee, die benadering moet je niet bij elke tentoonstelling toepassen. Maar hier past het goed. En je ziet dat bezoekers inderdaad lang bij het schilderij blijven staan."

Het Van Gogh Museum wil de bezoekers ook in een andere stemming brengen, en dat is de verantwoordelijkheid van de vormgever. Dat is bij elke expositie weer iemand anders. Vaak laat het museum vormgevers zelf kiezen welk onderwerp het beste bij zijn, haar of hun stijl past, en zijn ze vanaf het begin van het proces betrokken.

Natuurlijk, de kunst blijft het belangrijkst, benadrukt Becker nog eens. Er mogen best accessoires komen, oftewel 'props' - de vormgevers komen opvallend vaak uit de toneel- en balletwereld - maar het moet niet te dol worden. Muziek kán bijvoorbeeld, op koptelefoons, maar moet niet overheersen. Uitvergrote details komen er bij het Van Gogh niet in, laat staan de projecties à la Auvers. Verder zijn er rond de kunst en rond het publiek steeds meer en strengere veiligheidsvoorschriften: brandbare decoratieve doeken kunnen bijvoorbeeld niet, vluchtroutes moeten vrij blijven. En de kunstwerken zelf moeten natuurlijk ook geen risico lopen op beschadiging.

Gaslantaarn

De huidige tentoonstelling is 'Lichte zeden', over prostitutie in de Franse kunst van 1850 tot 1910. Eerst was die in Parijs te zien, in het Musée d'Orsay. Het Van Gogh heeft, zoals bijna altijd gebeurt bij reizende tentoonstellingen, een eigen vormgever gekozen, het vormgevingsduo Clement & Sanôu.

De grote halfronde zalen lieten zij open, het rode pluche, dat in Parijs domineerde, bleef weg. Wel zijn de muren in tinten rood geschilderd, en is er in reliëf de suggestie van gordijnen gewekt. In het midden van de benedenzaal staat een Parijs bankje, zoals die ook te zien is op een van de schilderijen, met een straatlantaarn ernaast. Blikvanger is een negentiende-eeuws bed, dat uitdagend onopgemaakt is.

Hebben de kunstwerken dit soort decoraties eigenlijk wel nodig? Edwin Becker: "Ja natuurlijk vertellen de kunstwerken het verhaal, maar het wordt toegankelijker en explicieter door bijvoorbeeld die lantaarn en het bankje. De lantaarn is bovendien hét symbool van de straatprostitutie: het 'heure du gaz', waarop de lampen gingen branden, was het moment waarop de vrouwen op straat klanten mochten werven. En het bankje heeft ook gewoon een praktisch nut: bezoekers kunnen erop zitten."

Op de Wallen

De decorbouw gaat nog een stap verder bij de 'pop-uplocatie' van de tentoonstelling. Midden op de Wallen heeft het Amsterdamse museum drie voormalige peeskamers ingericht als negentiende-eeuws bordeel, met veel donkerrood velours, oude meubels en juwelen. Op de ramen staat natuurlijk de naam van het Van Gogh Museum, en de titel van de expositie - gezien het contrast met de huidige 'kille' ramen is de kans op verwarring klein.

Aan de muur, of als kamerscherm, reproducties van schilderijen uit de tentoonstelling, net als in Auvers. Is dit niet wat te veel decoratie, en te weinig kunst? Becker ziet het als een noodzakelijke brug naar het heden. "Met dit onderwerp, met een museum zo dicht bij de Wallen, is het bijna vanzelfsprekend dat je er iets mee doet. En het is meer dan een reclame voor de tentoonstelling. Er worden interviews gehouden over kwesties rond prostitutie en kunst, die online terug te zien zijn. We hebben ook twee keer een groep sekswerkers op bezoek gehad in het museum, dat was erg interessant. Zo houden we de kunst levend, ook al zijn het schilderijen van meer dan honderd jaar oud."

Klimt-Schiele: Judith en Edith is nog t/m 19 juni te zien in het Gemeentemuseum in Den Haag. Ook Van lichte zeden is nog tot 19 juni te zien in het Van Gogh Museum in Amsterdam, en op de pop-uplocatie Sint Annenstraat 21 is Lichte zeden x Red Light District te bekijken. De interviews staan op www.theartlovers.nl. Details over het Univers Impressionniste in Auvers: http://www.chateau-auvers.fr/

'Bed na 1860, Ville de Neuilly-sur-Seine' op de tentoonstelling 'Lichte zeden' in het Van Gogh Museum.

Heilige Brandblusser in een witte kubus

De Ierse kunsthistoricus Brian O'Doherty bekritiseerde in 1976 de steriele, geïsoleerde manier waarop moderne kunst in de 'witte kubussen' werd getoond, zoals je bijvoorbeeld veel in het Van Abbemuseum ziet, en in het Amsterdamse Stedelijk Museum. Volgens O'Doherty moest de kunst juist in contact komen met de buitenwereld. Galeries gedroegen zich als een kerk, met afgeplakte ramen en witte muren. Voor de bezoeker is het ongemakkelijk: je eigen lichaam is in die steriele ruimte als een indringer die onnodig ruimte inneemt. En een toevallige brandblusser wordt zo opeens ook een heilig object. De weg die O'Doherty in 1976 voorstelde, lijkt met de genoemde 'gedecoreerde' exposities veertig jaar later te zijn gekozen. Tenminste, bij de negentiende-eeuwse kunst. Rembrandt, Matisse en Malevich hingen afgelopen jaren nog gewoon aan dezelfde platte muren, zij het soms met een kleurtje.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden