Van watermolen naar vispannenkoek

De grens is een draad waarlangs twee staten elkaar negeren. Een niemandsgebied, waar dingen tot ontwikkeling komen die elders smoren in regels. De zevende reisetappe.

Ver weg aan zee schijnt de zon, in het oosten teistert de regen het land. De auto zoekt zijn weg onder buigende takken door, over een modderweg die steeds smaller wordt en overgaat in een modderpad. Waar is die beroemde Haarmühle?

Watermolens zijn kenmerkend voor dit gebied. In de tijd dat in Noord-Holland een enkel zeiltje op wieken al een revolutie is, staan aan de snelle beken langs dit stuk van de grens al waterkrachtcentrale's. Watermolens malen koren, zagen hout en maken, veel later, papier. Zes of zeven molens staan binnen de band van tien kilometer die de grens van deze reizen is.

Je moet ze wel kunnen vinden. Bij de grote Oosterdorper Watermolen in Haaksbergen was dat geen probleem, al leek het of de molen zelf, de beek waaraan hij ligt en de hele omgeving onder een waterstroom lag, zo regende het.

Nu er minder water lijkt te vallen is de Haarmühle onvindbaar. Het is een Duitse molen, het waren niet alleen Nederlanders die de kracht van het stromende water ontdekten.

Dan schemeren, tussen de dikke stammen van eiken, de bakstenen muren van de Haarmühle. Water in de gezwollen beek ruist vanuit het oosten, gorgelt onder het stilstaand rad en stroomt verder naar het westen waar het, net over de grens, van naam verandert: van Alstätter Aa in Buurserbeek. Al in 1350 is hier sprake van een molen, die afbrandt of inzakt of iets in die geest. De huidige bouwwerken staan er sinds 1619: twee grote schuren, van elkaar gescheiden door een snelle beek. In het meest zuidelijke gebouw staat nog het maalwerk en een enkele maalsteen, maar in de molen wordt niet meer gemalen.

Een bordje 'Frische Käse' lokt verder, de brug van de beek over naar het noorden. 'Drei kilometer', beweert het bord, maar misschien liegt het, want ook na vijf kilometer is er geen boerderij met kaas te vinden.

Wel leidt het bord per ongeluk tot Alstätte. Dat Alstätte al in 1151 bebouwing kende is door oorlogsgeweld volkomen onzichtbaar gemaakt. Alleen de laat-gotische kerktoren bewijst een verleden van voor de oorlog.

Gelukkig is er wel een restaurant. Het interieur van Hotel-Restaurant Gerwing Wolf lijkt wel ouder dan het hotel zelf: donker en licht hout, speels afgewisseld, krommen in een art-deco zwaai door de ruimte. Krukken staan voor de bar, achter de bar hangen vaantjes en elftalfoto's van FC Twente.

Aan zijtafeltjes nuttigen zwijgende ouderen een middagmaal, met bier. Een aardige dame brengt Kaffee und Kuchen: Pflaumenkuchen. Erg lekkere taart, ook nog smeuïg, niet te zoet en voorzien van een flinke dot slagroom.

Na deze zoete onderbreking gaat de tocht naar het noorden, over smalle wegen, door tunnels van maïs; de regen van de afgelopen dagen heeft het gewas enorm doen groeien. Telkens lijkt de weg de grens te passeren, maar dan maakt hij een bocht, weg van het vaderland. Na Herker-Orthaus en Brook breken de maïsmuren en begint Nederland met bossen en kleine akkers tot Enschede. Daar verrijzen rijen portiekflats, de steenakkers uit de jaren zestig. Maar dit is de weg naar Glanerbrug, waar eertijds Snackbar Annie zat. In dat cafetaria van drie generaties vrouwen heeft de grootste culinaire revolutie in snackbarland plaatsgevonden sinds de uitvinding van de friet-mét: de Joppiesaus. Wereldberoemd in Nederland en België, een soort mayonaise met currysmaak en uitjes. Alleen wie de saus op zijn thuisbasis heeft gegeten kan zeggen dat hij heeft geleefd.

Kruisend op de Gronauseweg die, laten we zeggen, niet mooi is, komen er verschillende snel-eetgelegenheden langs. Snackbar Excellent. Cafetaria 't Trefpunt. Een viskraam. Maar nergens Snackbar Annie. Na een passage of drie kan alleen persoonlijke informatie nog helpen. Bij Snackbar 't Trefpunt begint de juffrouw achter de counter te lachen. Dít is Snackbar Annie, alleen is het Snackbar Annie niet meer. De familie is ermee opgehouden, waarom weet de juffrouw niet.

Verderop wacht Gronau, dat in deze regionen een naam van lelijkheid op te houden heeft. Die naam is terecht en weer is de oorlog de schuld. Gelukkig loopt er een weg direct naar het noorden, Nederland weer in, langs Dinkeloord naar Losser. Nooit geweten dat Losser zo'n aardig dorp is met fraaie boerderijen, een kerkje en zijn Martinustoren.

Na Losser loopt de Dinkel naar het noorden, en alleen aan onze kant van de grens en alleen aan stromend water zitten de echte watermolens. De auto bromt over de Denekamperdijk door een weelderig landschap vol vette weitjes, volle bosjes en kronkelende wegen. Aarzelende zonnestraaltjes beroeren de bomen driehonderd meter naar rechts.

De Denekampdijk wordt Lossersedijk, wordt Lutterzandweg en draait via tussenstukjes uiteindelijk de Molendijk van Denekamp op. Die heet niet voor niets zo. Na vijfhonderd meter staat daar, op het landgoed Singraven, de trots van watermolenminnend Nederland. Drie grote raden vol schoepen draaien op de kracht van de Dinkel. Ruijsdael en Hobbema schilderden de bakstenen muren en het fonkelende water. Dan maalt de molen graan, nu zaagt hij dikke stammen tot planken. Het is de grootste watermolen van Twente.

In het gebouw ernaast zit een restaurant. Met terras met koffie en krentenwegge, het alfa en het omega van de Twentse cuisine. En de wegge van dit restaurant is goed, smeuïg, met de vage geur van kaneel, zoet genoeg om wespen te lokken en hartig genoeg om de tong niet te vervelen. Op de achtergrond bonkt de molen een nieuwe stam tot ruwe planken.

Vanaf Singraven loopt de weg langs het kanaal Almelo-Nordhorn, ooit een drukke verkeersader, nu een natuurmonument. Nordhorn was al voor de bombardementen van 1945 een grauwe industriestad, en dat is er daarna niet beter op geworden.

Maar na de grauwe stad loopt de weg heel mooi door Forst Bentheim, een donker bos zoals Duitsland er vele kent. De grensovergang verloopt stiekem, over een bospaadje dat eigenlijk geen auto's verdraagt. Maar ja, pech. Door kleinschalig landschap, vol weiden en koeien, bosranden en beekjes gaat het, van Lattrop naar Belthoek, en van daar weer naar de Hooidijk die bij Hezinge toegang geeft tot de molens van Frans en Bels.

Alleen de namen al, en daar komen de molens nog een keertje bij. Bij Frans breekt eindelijk de zon een beetje door en zet het korenmolentje, ooit eigendom van de familie Frans, kortstondig in een aangenaam licht. Eenden kwaken in de molenvijver, kinderen spelen op de oever, het water ruist onverstoorbaar over de houten schoepen zoals het dat al sinds 1725 doet.

De molen van Bels, zo'n vijfhonderd meter verderop, is een heel ander verhaal. Groter dan die van Frans, al is het niet veel, maar vooral gevulder: met restaurant. Op een terras onder bomen staan tafeltjes over siergesteente verspreid, kippen scharrelen tussen de gasten. Binnen wacht een grote, boerse ruimte vol zware balken en ruwe houten banken. De kaart biedt aardige gerechten, die vooral opvallen door hun naam: de klootschietersbaan, voor champignons in beslag met romige knoflooksaus, en De Knecht, voor een tournedos. Zouden knechts vroeger veel tournedos gegeten hebben?

Maar het interessantste is misschien wel een noviteit: vispannenkoek. Een gewone, goed gebakken pannenkoek, als een pizza bedekt met tomaten, kaas, tonijn en bieslook. Een vorm van Twentse pizza, heerlijk.

En dan, eindelijk, slaagt de zon erin door te breken en de buiten zittende mensen te verwarmen. Het lijkt wel zomer.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden