Van townshipboy tot diplomaat

Armoede en ongeletterdheid onder de zwarte bevolking zijn de belangrijkste oorzaken van etnisch geweld in Zuid-Afrikaanse townships. Dankzij een sociale professor wist Nkhulu Sebothoma aan deze verstikkende omgeving te ontsnappen.

In de hoogtijdagen van de apartheid pakte Nkhulu Sebothoma (43) elke zaterdag de trein van Mamelodi naar Villeria, een voorstad van Pretoria, om tegen een schrale dagvergoeding de tuin van een kinderloze hoogleraar aan kant te maken. De Afrikaner herkende, in weerwil van het rassenbeleid van de regering van premier Vorster, in de jongen met de blauwe overall een scherp intellect en besloot diens scholing financieel te ondersteunen.

„Ik ontmoette professor Loubser, een vooraanstaande patholoog-anatoom, voor de ingang van zijn huis”, vertelt Sebothoma in zijn werkkamer op de ambassade in Den Haag. „Ouder dan een jaar of negen kan ik niet geweest zijn. Ik zocht een baantje, omdat mijn ouders net voldoende verdienden om de eindjes aan elkaar te knopen. Geld voor scholing en medische zorg was er niet. Daarom reisde ik van het township Mamelodi naar Pretoria, zoals de meeste jonge zwarte mensen in die tijd deden.”

De verdiensten van Sebothoma hielden aanvankelijk niet over. Voor hij aan het einde van de middag richting het station liep, kreeg hij 1,50 rand – ongeveer 15 eurocent – in de hand gedrukt. „Destijds kon je daar best wat mee”, vergoelijkt de diplomaat. „Op de terugweg kocht ik altijd groenten en fruit. Een tros tomaten? 5 cent of minder. Aardappels? Misschien 10 cent. Bovendien stopten Loubser en zijn echtgenote me altijd spullen toe om mee naar huis te nemen.”

Niet lang na de eerste kennismaking raakte Loubser gesteld op het jongetje, in wie hij een snelle leerling herkende. Hij verhoogde diens salaris, liet hem werken tijdens schoolvakanties, kocht lesmateriaal en zorgde voor schrijfwaar. Bovendien deed hij de belofte een eventuele vervolgstudie te financieren. Die kans greep Sebothoma met beide handen aan, getuige de waslijst aan studies die hij vanaf 1986 volgde aan de Universiteit van Zuid-Afrika, gevestigd in Pretoria. Met een lerarengraad, een diploma in personeelszaken, een bachelor in de pedagogiek en een ’honneurs degree’, vergelijkbaar met een master, in bestuurskunde was hij een van de ijverigste studenten.

„Hobbels, opgeworpen door het regime, verzwaarden het studietraject aanzienlijk”, vertelt Sebothoma. „Onder het bewind van premier Botha mochten zwarte mensen weliswaar meer dan voorheen, de segregatie was nog alomtegenwoordig. Als ik vanuit Mamelodi de trein pakte naar de bibliotheek begon het gedonder al. Op de trappen naar de perrons en op de wagons stonden bordjes met: ’slegs vir blankes’ of ’swartes’.

Op de universiteit was de apartheid minder direct aanwezig. Blanke studenten negeerden ons volledig. De docenten, over het algemeen verlichte geesten, vielen wel mee. Als zwarte man kon je een diploma halen. De grootste uitdaging lag op de arbeidsmarkt, waar je hoofdzakelijk voor ’bepaalde’ banen in aanmerking kwam. Je kon leraar worden in een township of een zeer ruraal gebied. Naar werk waarop je echt trots kon zijn, moest je zoeken met een zaklantaarn.”

Sebothoma slaagde daar wel in. Voordat Nelson Mandela in 1994 werd beëdigd tot eerste president van het democratische Zuid-Afrika, vond hij een betrekking als instructeur op het departement, dat zich bezighield met onderwijs voor niet-blanken. Daarna ging het snel. Na op verschillende ministeries te hebben gewerkt als hoofd van de interne ambtenarenopleidingen, gaf hij leiding aan de diplomatenklas van Buitenlandse Zaken. Twee jaar geleden mocht Sebothoma zelf een post op een ambassade bekleden.

De keuze viel op Den Haag, nadat Ivoorkust om praktische redenen geen optie bleek. „Het fragiele gestel van mijn vrouw gaf de doorslag”, legt hij uit. „We moesten goede medische voorzieningen in de buurt hebben. „Die waren er op zich wel, maar we wilden geen enkel risico lopen. Als het om iemands gezondheid gaat, bouw je geen onverantwoorde marges in. Toen kreeg ik de kans naar Nederland te gaan, een land waar je in dat opzicht je hoofd niet kunt stoten.”

Zijn diplomatenstatus en de bijbehorende voordelen, zoals het rijden in een kolossale SUV, doen hem weinig. Hij reageert zelfs licht besmuikt als de hobby van zijn 17-jarige zoon Mosa ter sprake komt. De tiener, ingeschreven op de exclusieve Amerikaanse School in Wassenaar, hangt met enige regelmaat rond op de golfbaan. Bijna fluisterend: „Gelukkig spreekt hij af en toe met wat vrienden af om een balletje te trappen. Tja, mijn jeugd in Mamelodi zag er totaal anders uit.”

Om de armoede tastbaar te maken, wandelt Sebothoma naar een hoek van zijn kantoor. Met zijn rechterhand tekent hij een vierkant. „Ik sliep met mijn oudere broer op een tafel in de keuken. Twee zussen lagen onder het blad. De tweeling, de laatstgeborenen, overnachtten in de slaapkamer van mijn ouders. In de overige twee vertrekken verbleven drie ooms met hun kinderen. Vier families op een oppervlakte van hooguit 40 vierkante meter. Zo leefde iedereen in Mamelodi, dat was volgebouwd met duizenden identieke stenen huisjes. Het apartheidsregime stond uitbouwtjes niet toe.”

Op Vlakfontein Technical High, zijn middelbare school, was de situatie niet veel beter. Overbevolking van de klaslokalen dreef scholieren naar buiten. „We zaten soms onder de bomen, omdat er nergens plek was. In de wintermaanden vroor het binnen. Vreselijk was die koude. En dan praat ik nog niet eens over het ontbrekende lesmateriaal en de gebrekkige kwaliteit van de docenten. We kregen Engels van gediplomeerde leraren die nog nooit een (blanke) ’native speaker’ hadden ontmoet.”

Sebothoma, een bedachtzaam spreker, raakt gepassioneerd als hij de kwalijke gevolgen van de segregatie opsomt. Beelden uit het verleden flitsen voor zijn geestesoog.

Eind jaren zeventig vormde Mamelodi een van de brandhaarden waar de onderdrukte bevolking in opstand kwam tegen het regime. Het verplicht stellen van Afrikaans op zwarte scholen was aanleiding tot een oproer. Nadat politiekogels op 16 juni 1976 een vreedzaam protest van scholieren in Soweto in een bloedbad hadden veranderd, barstte een golf van geweld los in 166 townships rondom Johannesburg en Pretoria.

Deze onvrede vormde de voedingsbodem van een breed gedragen verzet. Voor mensen als Sebothoma wachtte een speciale rol. In achterstandswijken in Zuid-Afrika konden leerlingen zonder ooit een boek open te slaan op 16-jarige leeftijd een certificaat krijgen. Velen verlieten school als analfabeet. Nkhulu Sebothoma bleef tot het officiële eindexamenjaar, om alle vakken met succes af te ronden. Dit gaf hem een status aparte en enige mate van gezag, wat hij gebruikte om de zwakke plekken van de apartheid bloot te leggen.

„Ik was zeer nauw betrokken bij de struggle”, vertelt Sebothoma. „In de jaren tachtig gooiden jongeren uit zelfverdediging stenen naar de politie. Op de middelbare school onttrok ik me daaraan. Ik onderwees klasgenoten over strategieën en belegde vergaderingen om een boycot van een bepaald product in gang te zetten. Of fungeerde als ringleader bij het plannen en uitvoeren van een staking. Op de universiteit, en later op werk, kreeg het een meer academisch karakter. Als vakbondslid schoof ik aan bij salarisonderhandelingen, waar ik onze standpunten voor het voetlicht bracht.”

De politie maakte geen onderscheid tussen passief of gewelddadig verzet. Bij de geringste aanleiding werd traangas gebruikt. Sebothoma: „De regering stuurde ordetroepen om ons verrot te slaan. Ze hebben de verstandelijke vermogens uit een neef van mij gemept, toen ze opzoek waren naar mij. Op een dag sprintte ik voor mijn leven, toen een groep soldaten me op de hielen zat. Eenmaal thuisgekomen verstopte ik me onder de lakens van mijn moeders bed. Een paar tellen later vloog de voordeur open. Ze troffen mijn neef, die in de eetkamer zat, en sloegen op hem in.”

Uit angst voor dergelijke represailles sliep Sebothoma vaak op een geheime locatie. „Onze namen stonden op zwarte lijsten”, licht hij de grimmige situatie toe. „Midden in de nacht klopten ze op je deur. Op school hadden we weinig problemen. Agenten gingen eerst langs de directeur, een klaslokaal binnenmarcheren deden ze niet. Dan stelden ze hun leven in de waagschaal. Klasgenoten beschermden elkaar. Sommigen hadden benzinebommen, gemaakt van glazen colaflessen, klaar liggen. En dan? Schudden, aansteken en gooien. Verschrikkelijk, maar die jongens wierpen die bommen hoofdzakelijk uit zelfverdediging. In die roerige jaren zijn veel onschuldige mensen vermoord, vernederd en vertrapt. Vrienden van mij incluis.”

In het lommerrijke Villeria verborg Sebothoma zijn onvrede over de politieke situatie niet voor professor Loubser. Eenmaal in diens achtertuin vielen de raciale barrières weg en werd hij behandeld als een gelijke. Glimlachend: „Tegen hem kon ik alles zeggen. Hij beschouwde me als een zoon.”

Sebothoma, de enige in zijn familie met een universitaire graad, wil Loubsers rol van mecenas overnemen: „Door inflatie, werkloosheid, slechte scholing en concurrentie op de markt hebben veel Zuid-Afrikanen nog steeds grote moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Er is continue spanning, gevoed door de erfenis van apartheid, met criminaliteit tot gevolg. Mensen vechten om middelen. Geld, eten of een baan. Mijn generatie moet zorgen dat onze kinderen zoiets niet hoeven door te maken. Als ik straks terugkeer naar Mamelodi, waar ik nog een huis heb, wil ik jongeren een kans bieden om verder te leren.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden