Van topsport alleen kunnen olympiërs niet leven

In Londen was vrijwel alles gratis voor de Nederlandse olympiërs. Heel fijn, want terug in Nederland beginnen de geldzorgen weer. Als je niet Kromowidjojo, Zonderland of Vos heet, is een topsportbestaan geen vetpot.

Wat baalde Sebastiaan Verschuren dat hij op de honderd meter vrije slag achthonderdste van een seconde tekort kwam voor een bronzen medaille. Hij dook als tweede Nederlander ooit onder de 48 seconden. Een wereldprestatie, maar dat deed hem weinig. De 23-jarige zwemmer wilde op het erepodium staan, bij de grote mannen horen. Naast een plak liep Verschuren ook een hoop geld mis: 15.000 euro prijzengeld voor het bronzen eremetaal. Geld dat je als Nederlandse olympiër goed kunt gebruiken.

Topsporter zijn is leuk, maar in Nederland word je er niet bepaald rijk van. Of je moet profvoetballer worden (spelers in de eredivisie verdienen gemiddeld een paar ton per jaar), Wimbledon winnen (het totale prijzengeld is 19,7 miljoen euro), of een hele reeks medailles binnenslepen op de Spelen. Zwemster Ranomi Kromowidjojo bijvoorbeeld, kreeg met haar twee gouden en één zilveren medailles van sportkoepel NOC-NSF 53.354 euro. Leuk zakcentje natuurlijk, bovenop het inkomen dat ze via sponsoren krijgt.

Maar topsporters kunnen niet voor eeuwig aan de top staan. Daarom is het volgens sportmarketingdeskundige Frank van den Wall Bake belangrijk om succes op de Spelen te gebruiken voor nieuwe inkomsten. "Je zult hier en daar een babbeltje moeten maken, wat lintjes doorknippen, nieuwe sponsoren zoeken. Maar dat moet je wel willen. Er zijn sporters die denken: aan mijn lijf geen polonaise. Die willen zich zoveel mogelijk op de sport focussen. Maar dit is wel de enige manier waarop je als sporter in Nederland een beetje geld kunt verdienen."

Nederlandse atleten die tot de top van de wereld behoren, hebben een A-status. Daarmee krijgen ze van de sportkoepel NOC-NSF een kostenvergoeding waarmee ze rond zouden moeten komen. Zodra ze van hun sportbestaan via sponsoren kunnen rondkomen, stopt die vergoeding.

Rijk worden ze niet van het 'loon' van de sportkoepel, zegt Ralph van Baasbank, manager van onder meer Ranomi Kromowidjojo en Edith Bosch via sportmarketingbureau House of Sports. "Het is een vergoeding van ongeveer duizend euro per maand, waar ze nog zo'n dertig procent bovenop mogen verdienen. Je kunt er net een huisje van huren en boodschappen doen. De atleten krijgen ook een auto. Die hebben ze nodig om naar de trainingen te gaan. Soms worden die op onmogelijke tijdstippen gehouden als het openbaar vervoer nog niet op gang is gekomen."

Als atleten hun A-status verliezen door slechte resultaten, is dat een grote financiële tegenvaller. "Ze moeten er dan bij gaan werken, of bijvoorbeeld een beroep doen op hun ouders", zegt Van Baasbank. "Ze verliezen ook de auto, waardoor ze minder mogelijkheden hebben om op de training te verschijnen. In zo'n situatie moet je goed nadenken welke keuzes je maakt. Ga je voor de sport of een carrière daarbuiten? Omdat je minder financiële middelen hebt is het lastiger om die A-status weer te halen."

Sparen voor later zit er voor het grootste gedeelte van de Nederlandse olympiërs niet in, afgezien van de echte wereldtoppers. Daarom gaan de meeste atleten na de Olympische Spelen weer de collegebanken in. Althans, terug aan de studie, want in de collegebanken zitten topsporters maar weinig.

Kromowidjojo studeert Business Administration aan de Business School Notenboom in Eindhoven. Op deze privéschool kan ze haar studie combineren met trainen. Contact met docenten gaat vaak vanuit huis via e-mail of telefoon en ze krijgt persoonlijke begeleiding. Zo lukt het haar om ook nog te studeren tussen de drie trainingen van in totaal vijf uur op een doordeweekse dag.

Veel collega's van de kampioene studeren volgens een soortgelijke constructie. Zo doet turner Epke Zonderland op een aangepast tempo geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen, studeert hockeyster Naomi van As mondhygiëne aan de Hogeschool Utrecht en doet windsurfer Dorian van Rijsselberghe een opleiding tot sportinstructeur aan het CIOS in Heerenveen. Allemaal op hun eigen tempo, want sport staat op nummer één.

Er zijn ook olympiërs die werken, maar geen van allen fulltime. Dat is simpelweg niet te combineren met het vele trainen. Binnenkort loopt judoka Edith Bosch weer rond als marketing manager bij de Nederlandse Spoorwegen, zit zeilster Lisa Westerhof in de cockpit als piloot bij luchtvaartmaatschappij KLM en speurt baanwielrenner Teun Mulder naar sporen als forensisch assistent bij de politie.

Bovenstaande sporters hebben werktijden die zijn aangepast op hun trainingsschema. Wie net als Mulder bij de Politie Topsportselectie zit, kan de helft van de tijd aan trainen besteden, de andere helft aan werk. Beachvolleybalster Sanne Keizer en schermer Bas Verwijlen maken ook gebruik van deze regeling. Voordeel van die constructie is dat de atleten ook na hun topsportcarrière bij de politie kunnen werken, zodat ze niet in een 'zwart gat' vallen als hun sportcarrière eindigt.

Steeds meer bedrijven proberen op deze manier topsporters aan zich te binden, ziet Van den Wall Bake. "Heel slim. Je laat als bedrijf zien dat je een bijdrage levert aan sportontwikkeling. En zo'n atleet is een merk voor het bedrijf. Intern zorgt het voor trots onder collega's, en extern voor een positief visitekaartje."

Slechts een paar olympische atleten in de Nederlandse topsportgeschiedenis hebben zoveel aan hun sport verdiend dat ze er ook na hun carrière als prof op kunnen teren. Zwemmer Pieter van den Hoogenband had veel contacten vanwege zijn duels tegen aartsrivaal Ian Thorpe. "Hij versloeg uitgerekend bij de Spelen in Sydney op het koningsnummer een Australiër, ook nog de favoriet voor goud", vertelt Van den Wall Bake. "Daarmee werd hij over de hele wereld bekend. Daarna werd Van den Hoogenband overal voor gevraagd. Voor Inge de Bruijn geldt hetzelfde, met haar successen op de Olympische Spelen. Judoka Anton Geesink heeft ook van zijn titels kunnen profiteren. Wereldberoemd werd hij toen hij in 1964 in Japan het goud haalde op de Olympische Spelen door een Japanner te verslaan."

Afgezonderd van die paar uitzonderingen, moeten de meeste Nederlandse topatleten op de centjes letten. Weer vier jaar trainen, hopend op die ene medaille die misschien het verschil kan maken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden