Van steen des aanstoots tot Rotterdams icoon

Is kunst een speeltje voor de elite? En wie is dan die elite? Deze maand zoekt Trouw naar de scheidslijnen tussen elitaire en populaire kunst. Vandaag: Zadkine’s ’Jan Gat’: van verafschuwd beeld naar Rotterdams icoon.

’Moet mijn stad verlamd worden door deze zes meter hoge bezetene?’ Deze hartekreet slaakte directeur Jan Tillema van Gemeentewerken Rotterdam in 1950. Vol afgrijzen had hij in museum Boijmans Van Beuningen naar een ’macaber’ beeld staan kijken van een verwrongen menselijke figuur, gemaakt door de Russisch-Franse beeldhouwer Ossip Zadkine.

Deze kunstenaar kreeg het idee voor dit beeld toen hij in 1947 met de trein door Rotterdam reed en de ’krater in het lichaam van de stad’ zag, aangericht door het bombardement van mei 1940. Het beeld, met de titel ’Een monument voor een verwoeste stad’, werd eerst in Berlijn en München geëxposeerd en in 1948 in het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Vanaf eind 1949 was het te zien in museum Boijmans in Rotterdam. De Rotterdamse kunstelite zag er meteen een herdenkingsmonument in voor de stad. Maar Tillema, die nauw betrokken was bij de wederopbouw van stad en haven, moest er niet aan denken dat dit extreme beeld van een ’in hysterische razernij verminkt menselijk lichaam’ een prominente plek zou krijgen.

Hij verwoordde daarmee de afkeer van veel Rotterdammers van moderne beeldende kunst in het algemeen en van dit beeld in het bijzonder. Zelfs het argument dat Rotterdam met deze kolossale sculptuur wel het ’grootste monument ter wereld’ zou krijgen, wat in deze stad toch vaak doorslaggevend is gebleken, kon de tegenstanders niet vermurwen.

De protesten van de burgers dat hun belastingcenten werden gespendeerd aan een krankjorum beeld waarin ze niets herkenden van het leed dat hen was overkomen in de oorlog, haalden niets uit. De smaak van de kunstwereld gaf de doorslag, al kwam er steun uit onverwachte hoek. De directie van de Bijenkorf bood aan om het beeld te betalen, op voorwaarde dat de voltallige gemeenteraad zich erachter zou scharen.

Op 15 mei 1953 werd het beeld in het bijzijn van Zadkine onthuld. Vanaf dat moment zijn de protesten stilaan verstomd en begonnen de Rotterdammers het zowaar te waarderen. En nu is ’Jan Gat’ of ’Jan met de Jatjes’ zoals het ook wel wordt genoemd, al jaren het meest geliefde beeld van Rotterdam en uitgegroeid tot een icoon. Het is uitgeroepen tot rijksmonument.

Hedendaagse kunst wordt niet altijd meteen begrepen en gewaardeerd door de massa. Zelfs een wereldberoemde kunstenaar als Vincent van Gogh overkwam het. Bij leven werd hij een kliederaar genoemd. Pas na zijn dood kwam er een brede waardering voor zijn schilderkunst en tegenwoordig vind je zijn schilderijen terug op theemutsen en dekbedhoezen.

Zo zijn er meer voorbeelden van kunstuitingen die illustreren hoe de massa na verloop van tijd de smaak van de kunstelite overneemt. Volgens kunstfilosofen is dat een fenomeen van alle tijden.

Om in Rotterdam te blijven: vijf jaar geleden waren er hevige protesten tegen het plan om midden in de stad een zes meter hoog beeld neer te zetten van een Kerstman met een seksattribuut in de hand. Het ging om ’Santa Claus’ van Paul McCarthy, die graag mag provoceren en shockeren. In de volksmond werd ’Santa Claus’ al snel ’De sekskabouter’ of ’Kabouter Buttplug’ genoemd.

De meerderheid van de gemeenteraad vond het beeld te aanstootgevend om het op een prominente plek te plaatsen. De gemoederen raakten zo verhit dat de Kerstman tijdelijk geparkeerd werd op de binnenplaats van Museum Boijmans Van Beuningen, uit het zicht van voorbijgangers. En dat terwijl de kunstenaar dit beeld toch voor een drukke plek in een grote stad had gemaakt, omdat het de ongebreidelde consumptiedrift in de westerse samenleving symboliseert.

Net als bij het beeld van Zadkine destijds, kwam de steun voor de kabouter uit onverwachte hoek. Een van de vurigste pleitbezorgers was de Rotterdamse ondernemer Joop van Caldenborgh, eigenaar van chemieconcern Caldic en kunstverzamelaar. Volgens Van Caldenborgh, die had bemiddeld bij de aankoop (180.000 euro) van ’Santa Claus’, past dit beeld fantastisch in deze tijd en samenleving, waaraan het refereert op een manier die ons, gewone mensen aan het denken zet en anders laat kijken naar de wereld.

Hypocriet vond Van Caldenborgh het argument dat de Kerstman met dildo aanstootgevend zou zijn, gelet op alle ’vunzige rotzooi’ die de tv dagelijks verspreidt. Zijn veronderstelling dat er net als bij het extreme beeld van Zadkine gewoon wat tijd overheen moest gaan, voordat de massa ’Santa Claus’ op waarde zou schatten, lijkt te kloppen. ’Santa Claus’ staat al twee jaar op het Eendrachtsplein, in het centrum van de stad. Er spelen kinderen aan zijn voeten en geen mens die je er nog over hoort. Hij is niet beklad, er zijn geen pogingen ondernomen om hem te vernielen.

Of dit staaltje van hedendaagse kunst over pakweg dertig jaar nog tot de verbeelding spreekt, is de vraag. Maar ’Santa Claus’ wordt wel geaccepteerd en misschien zelfs gewaardeerd, in al zijn lelijkheid.

Vernieuwingen in de kunst kunnen volgens kunstfilosofen bijna standaard rekenen op afwijzing in bredere lagen van de samenleving. Dat geldt te meer als ze betaald worden met subsidie en de burger dus meebetaalt aan ’die onzinkunst’.

Dat staat los van of iets mooi of lelijk wordt gevonden, of dat het gaat om toegankelijke of hermetische kunst. Mensen kunnen zich geschoffeerd en niet serieus genomen voelen, omdat iets als kunst wordt gepresenteerd wat in hun ogen niet meer dan een verwrongen hoop staal is, een vol gekladderd schildersdoek of een pompeus beeld van een Kerstman met een dildo in de hand.

Wat de discussies over Zadkine’s beeld en ’Santa Claus’ ook illustreren, is dat niets zo veranderlijk is als smaak en dat er in zekere mate ook sprake is van smaakterreur.

Er is altijd een kleine elite die uitmaakt wat kunst is en wat mensen mooi of niet mooi mogen vinden, zegt kunstfilosoof Antoon van den Braembussche, tot voor enkele jaren verbonden aan de Erasmus Universiteit, nu aan de Universiteit van Brussel. Dat verklaart de kloof tussen de massa en de kunstwereld, wat de laatste zich moet aantrekken, wil ze op den duur nog mensen naar de musea krijgen. Altijd maar toegeven aan de smaak van een breed publiek is ook geen optie. Dan krijg je alleen maar populistische kunst.

Hoe dan die kloof te dichten of in ieder geval te verkleinen? Na het aanvankelijke verzet van de grote massa, zie je vaak dat de door de elite bejubelde vernieuwende kunst doorsijpelt, zegt Van den Braembussche. Op het moment dat die begint te consolideren en te beklijven, ook bij bredere lagen van de bevolking, is populair gezegd de lol er al weer af voor de elite. Die wil zich niet conformeren aan de smaak van de massa en zoekt naar vernieuwende kunst. En dan begint het allemaal opnieuw...

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden