Van 'Samen op Weg' naar 'Samen onder Dak'

De auteur is socioloog en was tot voor kort voorzitter van het deputaatschap voor gemeenteopbouw van de generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Het jaar 1992 kan van beslissende betekenis worden voor het Samen op Wegproces (SoW), de aanduiding voor het komen tot een fusie van de twee grote protestantse kerken in Nederland, de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland, plus de lutheranen. Nu zal moeten blijken, dat het accent van dit proces verlegd wordt van het plaatselijke naar het meer opvallende landelijke vlak.

Bij vele kerkelijk nog meelevenden bestaat de indruk dat SoW in diverse plaatsen wel min of meer voortsukkelt, maar dat de gang voor het geheel van de kerken eruit is. Dat wordt toegeschreven aan het feit dat het herenigingsstreven dood loopt op het niveau van de landelijke organisatie en leiding van de twee grote kerken, dat voor plaatselijke eenheid geen gunstige voorwaarden schept. Het zou niet alleen voor het grondvlak, maar ook op het eigen topnivau het fusieproces ophouden. Is dat inderdaad het geval en zo ja, valt er daar dit jaar een doorbraak te verwachten?

We stippen in dit artikel eerst heel kort de geschiedenis van het SoWstreven aan, geven daarna een schets van de huidige stand van zaken en werpen vervolgens een blik in de nabije toekomst. De beschouwing geschiedt vanuit een wat sociaal-organisatorische invalshoek, een optiek die voor dit proces nauwelijks eerder gekozen is, maar wel eens indringender kan zijn dan de gebruikelijke kerkelijk-theologische benadering.

De achttien

Duidelijk boven het plaatselijke vlak uit ging in het begin van de jaren '60 de enthousiasmerende oproep van 'de achttien' (negen predikanten uit beide grote kerken) om nationaal tot hereniging te komen. Het aanstekelijke daarvan in het algemene vernieuwende klimaat van dat roerige decennium heeft toch op officieel niveau tot niet meer geleid dan een voorzichtig zoeken naar een zekere institutionele vorm van samenspraak (zo nu en dan een gezamenlijke synodevergadering) en een gezamenlijke (advies)raad voor nauwere samenwerkingsvormen in het meer kerk-organisatorische vlak.

Het contact en het geestelijke gesprek hebben er - na een kwart eeuw - wel toe geleid dat men het officieel theologisch zodanig eens is geworden dat een fusie mogelijk en noodzakelijk werd geacht. We zouden kunnen zeggen, dat de 'Verklaring van overeenstemming' van 1986 inhield dat men het eens was over het ideele produkt (doelstellingen en taken) van de herenigde kerk, terwijl de gelijktijdige verklaring dat beide kerkgenootschappen zich nu in staat van hereniging bevonden, het fusiebesluit in organisatorische zin betekende.

Op dat moment was - zou men denken - het samen op weg zijn afgelopen en was een gezamenlijke standplaats bereikt. Het is niet zo verwonderlijk, dat iemand als Dingemans voor de opzet van zo'n eenheidsorganisatie een bijdrage levert in boekvorm onder de titel 'Een huis om in te wonen', met een ontwerp voor een moderne kerkorganisatie als concept-kerkorde daarin opgenomen.

Het zou onzes inziens voor alle betrokkenen een prikkel zijn en hen opnieuw bij de zaak bepalen, als het thans achterhaalde beeld van 'Samen op Weg' vervangen zou worden door de term 'Samen onder Dak' (SoD), die beter slaat op de bedoeling vanaf nu gezamenlijk de organisatie in te richten.

Zo'n soort stimulans is echt wel nodig. De plechtige verklaring van het in staat van hereniging verkeren is sinds 1986 psychologisch veel te weinig uitgebuit. Daardoor is mede een kans op versnelling van de fusie onbenut gelaten.

Wat is er sinds 1986 nog wel aan ontwikkelingen zichtbaar en welke betekenis hebben die voor de situatie van nu en straks? Als belangrijke onderstroom moet zeker gewezen worden op de voortgaande ontkerkelijking. Door deze trend kalven de gemeenten meer en meer af. Zij komen vaak zodanig in de knel, dat hun financiele en organisatorische voortbestaan wordt bedreigd.

Zij moeten wel voor het landelijke werk en apparaat naar verhouding hoge bedragen afstaan, ten koste van het eigen functioneren (bijvoorbeeld niet of slechts part-time te vervullen predikantsplaatsen), en stuiten dan landelijk nog eens op gebrek aan echte hulp en steun bij het zoeken naar oplossingen in de richting van een werkelijke plaatselijke fusie.

Verder klaagt men op het grondvlak dat op de landelijke dienstverlenende apparaten nauwelijks bezuinigd wordt, en dat in elk geval de fusie op dit kerkelijke bedrijfsniveau niet krachtig ter hand wordt genomen. Tekenend voor deze spanningen is het hoog opgelopen conflict tussen de plaatselijke en regionale kerkvoogdijen enerzijds en het landelijke topbestuur anderzijds in de hervormde kerk.

Topniveau

Op zich vormt overigens de organisatorische reconstructie van het topniveau bij hereniging al een probleem van aanzienlijke omvang, waar men te lang omheengelopen is. Bij top dient nog onderscheid gemaakt te worden tussen de eigenlijke bestuurlijke bovenlaag van vrijwillige bestuurders die te zamen de synode vormen, en de zich daaronder bevindende laag van dienstverlenende organen, te zamen het bureaucratische apparaat, dat het beleid voorbereidt en uitvoert. Deze tweede laag is eigenlijk een dubbellaag, omdat al deze organen betaalde functionarissen kennen, die door een raad of commissie direct bestuurd worden.

Het voert te ver hier uitvoeriger op de daarmee gegeven toch al complexe organisatiestructuur in te gaan, die beide kerken dus nu al kennen. Gewezen zij slechts op de voor fusie belangrijke verschillen, die hen ook nog kenmerken.

Niet alleen qua kerkgevoel, maar ook wat betreft bestuurspraktijk is de topbestuurslaag van de hervormde kerk zwaarder en continuer dan die van de gereformeerde kerken. De eerste kent een slechts geleidelijke vervanging van leden en heeft een invloedrijke permanente secretaris-generaal. De synode van de tweede wordt elke twee jaar geheel opnieuw samengesteld, waarbij er tussen de oude en nieuwe een 'stadhouderloos', of liever, een statenloos tijdperk van ongeveer een half jaar bestaat; het dagelijks bestuur heeft vooral het karakter van een regelingscommissie.

Adviesbureau

In de bureaucratische laag is het probleem vooral, dat het apparaat in enkele decennia is uitgegroeid tot een onoverzichtelijk samenstelsel van tientallen bureautjes, die zich moeilijk door wat eigenlijk hun besturen zijn, laten beheersen en nog moeilijker zich laten bundelen. Zij zijn ook nog eens, met name aan hervormde zijde, verspreid over diverse locaties in het land. Er wordt in de praktijk wel samengewerkt, ook tussen die van beide kerken. Mede door een grote mate van financiele zelfstandigheid van sommige is er echter van coordinatie nauwelijks sprake, des te meer van overlapping in het werk.

Voor de ordening van deze woekering heeft men samen eindelijk besloten over te gaan tot de inschakeling van het organisatieonderzoek- en adviesbureau KPMG. Hierbij speelde ook een rol de kans om gezamenlijke huisvesting te krijgen in een centraal gelegen kantoorpand bij het station van Amersfoort (in het stadsrenovatieproject daar). Hoewel inmiddels door vertraging van het organisatie-fusieonderzoek, met name door bezwaren aan de kant van het hervormde zendingsblok, de optie op deze locatie is verlopen, is toch het organisatieonderzoek begin dit jaar feitelijk gestart.

Merkwaardig is overigens dat dit onderzoek (nog?) niet is gerelateerd aan een na veel pijn en moeite door de beide synoden geforceerde beslissing om een gezamenlijke werkgroep een kerkorde voor de ene nieuwe kerk te laten opstellen.

Terzijde zij opgemerkt dat zelfs over een naam voor de gefuseerde kerk nog nauwelijks serieus is gesproken: weer een geval van psychologische mijding om een symbolisch gevoelige zaak aan te pakken? Laten wij hier dan maar de naam lanceren die ons de beste lijkt (en die bij een andere gelegenheid wel gemotiveerd zal worden) en die dan verder in ieder geval in dit stuk gebezigd kan worden: de Verenigde Hervormde Kerk (VHK).

Terugkerend naar de kerkordewerkgroep, met het opstellen van een kerkorde wordt aan de bestuursstructuur inclusief de bureaumatige dienstverlening daarvan vorm gegeven. Een duidelijke koppeling met het onderzoek van KPMG ligt dan voor de hand, maar ontbreekt. Hoe dit ook zij, zowel het bureau KPMG als deze werkgroep zullen dit voorjaar de organiseerprincipes respectievelijk de bestuursstructuur in concept presenteren.

Gereformeerde bond

Er vallen nog enkele ontwikkelingen aan te wijzen uit de laatste jaren, die een niet te verwaarlozen invloed op het fusiestreven hebben.

De eerste is, dat zich een tegenstroom heeft kunnen verbreden, omdat men het gunstige tij van 1986 niet heeft benut om sneller voortgang te maken.

We doelen hier op de cultuur-psychologische tegenkracht die de Gereformeerde bond, een hecht in verenigingsvorm georganiseerde grote groep van traditionele en orthodoxe kerkleden in de hervormde kerk, uitoefent. Door wel aan het fusieoverleg deel te nemen maar het openlijk te frustreren weet deze, zeker op het platteland sterke minderheid, ook door de wijze van vertegenwoordiging in de landelijke top, zand in de toch al moeizaam op gang gehouden herenigingsmachinerie te strooien.

Een tweede gegeven dat aandacht verdient, is het sinds kort deelnemen van de Evangelisch Lutherse Kerk aan het fusieproces. Waarom gaat deze kleine dwerg - een klein kerkgenootschap met slechts enkele tienduizenden leden en relatief weinig plaatselijke gemeenten, dat ook historisch nooit deel heeft uitgemaakt van de hervormde kerk - opeens samen op weg met die beide reuzen?

Het antwoord op deze vraag is waarschijnlijk dat voor een klein kerkgenootschap als dit, dat qua mentaliteit gelijksoortig is aan zijn grote zusters, het kwalitatief organisatorische bestaan nog meer bedreigd is. Meedoen kan dan redding betekenen.

In het fusiegebeuren weegt de participatie van de lutheranen organisatorisch niet zo zwaar, omdat hun apparaat voor bestuur en dienstverlening maar heel klein is. De rol van deze kerk kan echter zijn, dat zij als afleider van spanningen fungeert bij optredende wrijvingen, waarmee het herenigen van beide grote calvinistische kerken ongetwijfeld gepaard zal gaan.

Een derde ontwikkeling met niet al te positieve invloed op de fusie vormt het voortdurende gekrakeel over de concentratie van de theologische opleidingen, een zaak die verhevigd wordt door de druk van het ministerie van onderwijs en wetenschappen om ook op deze universitaire opleidingen te bezuinigen. Daardoor is ook de intellectuele kerkelijk-theologische elite geen stimulerend voorbeeld voor het ondergeschikt maken van deelbelangen aan een gentegreerd geheel.

Regio's en provincies

Gelukkig valt er ook te wijzen op een paar zaken die zijn te beschouwen als positieve resultaten van voorbereidend organisatorisch graaf- en spitwerk uit de laatste jaren. Zo is daar de tot stand gekomen indeling van de 'Verenigde Hervormde Kerk' in 74 regio's en 10 kerkprovincies. Beide kerken hebben zich nu verbonden om hun eigen huidige indeling aan de nieuwe aan te passen. Voor degenen die weten hoe moeilijk het is in het openbaar bestuur om gemeentelijke, regionale en provinciale herindelingen tot stand te brengen tegen vaak diepe sentimenten in, zal het duidelijk zijn dat de commissie zonder voorzitter, die dit heeft voorbereid, i.c. haar rekenmeester ir. Veldhuyzen, een grote pluim verdient.

Als een doorbraak is verder te beschouwen - zeker vanwege de grote gevoeligheid die het financiele terrein nu eenmaal kenmerkt - dat er een aanvaardbare en toch wel principiele formule is gevonden voor zeggenschap over en regeling van financieel en goederenbeheer voor plaatselijke gemeenten die eigenlijk geheel willen samengaan. Hiervan kan namelijk landelijk een precedentwerking uitgaan.

Ten slotte is het alleen al uit communicatief oogpunt van belang, dat er nu vanaf begin 1992 een hanteerbaar, regelmatig vergaderend gezamenlijk topbestuursorgaan wordt ingesteld, een tripartite zogenoemde 'Kleine synode' van 28 mensen, die in concreto de fusieaangelegenheden wat beter kunnen gaan aanpakken.

Binnenkort

Valt er nu iets te zeggen over de verdere voortgang van het fusieproces, maar ook over hoe die SoDconstructie eruit gaat zien en of zij afgestemd zal zijn op de eisen die Anno Domini 2000 aan het kerkelijke bedrijf gesteld zullen worden?

Het lijkt erop dat binnenkort enkele ingrijpende beslissingen moeten vallen. Factoren als de toenemende druk van het grondvlak om op landelijk niveau echt te bezuinigen en de sterke aandrang, ja ultimatieve pressie om daarmee nu eens op te schieten, zullen dat bewerkstelligen.

Maar hoe die beslissingen eruit zullen zien? Bepaalde tendensen van de richting waarin een oplossing voor de geschetste fusieproblemen gezocht wordt, lijken zich wel enigszins af te tekenen. Met het oog op het betrekken van een breder kerkpubliek hierbij zullen we pogen iets van deze te verwachten voortgang te duiden, intussen niet schromend aan die contourenschets ook enig eigen commentaar te verbinden.

Aan te nemen valt, dat de in het komende voorjaar te presenteren ontwerp-kerkorde, waarmee in hoofdlijnen de structuur van de Verenigde Hervormde Kerk wordt geduid, te traditioneel zal uitvallen om een op de toekomst gericht kerkelijk leven optimale kansen te bieden. Dat lijkt de consequentie van de door beide synoden al gemaakte afspraak, dat de voorbereidende werkgroep de bestaande hervormde kerkorde als uitgangspunt en richtlijn zal nemen.

Daarmee is door de Gereformeerde kerken min of meer impliciet een zeer grote concessie gedaan, waaraan de partner in de verdere onderhandelingen nog wel eens zal worden herinnerd. Te meer omdat er bij een werkelijk brede kerkelijke discussie zeker een belangrijke stroming zal zijn, die het ontwerp veel meer zal willen ombuigen in de richting van een ontwerp als dat van de eerder genoemde Dingemans.

In ieder geval zal het - alleen praktisch bestuurlijk al - nodig zijn, dat de top een zodanige structuur krijgt dat er van reele sturing en beleid sprake kan zijn. Dat vraagt om een soort dagelijks bestuur en een beleidsraad, een niet onbekende constructie. Overigens wordt hiermee nadrukkelijk geen centralisatie bedoeld. Het te verwachten ontwerp zal ook wel door een decentralisatietendens gekenmerkt worden, met een grotere regionale zelfstandigheid, maar zal lang niet zover gaan als de kerkrechtelijk adviseur Van de Beek van de hervormde kerk in Trouw van 1 februari 1992 nodig achtte.

Testcase

De testcase voor de reorganisatie die met de fusie gepaard gaat, zal echter het afbreken van de zware landelijke functionarissenapparaten zijn, om die in een veel lichtere vorm te laten terugkomen. Om de orde van grootte aan te geven waarin bij decentralisatie en bezuiniging gedacht moet worden: het gezamenlijke landelijke apparaat zal waarschijnlijk wel tot meer dan de helft teruggebracht dienen te worden, een kwart door inkrimping, een kwart door verplaatsing naar de regio's. De toenemende druk vanuit de basis zal daar voor zorgen.

Dat betekent dat op landelijk niveau vooral de daar inderdaad nodige voorziening van een beleidsstaf voor het topbestuur overblijft. Zo'n staf zal waarschijnlijk bestaan uit een onderzoekseenheid, twee a drie eenheden voor specialistische advisering, bijvoorbeeld voor inspraak naar de maatschappij (missionair-diaconaal werkveld), voor de meer intern-kerkelijke gemeente-activering en -opbouw, en voor het belangrijker wordende educatieve en PR-veld (opleidingen, vorming en media). Daarnaast zal een meer voorwaarden scheppende unit (formatie, financien en faciliteiten) niet kunnen ontbreken. Deze eenheden zullen in een veel duidelijker dan nu gecoordineerd verband moeten optreden.

De zware accentverlegging naar het regionale vlak, waarbij een tiental servicecentra zullen ontstaan met een structuur die ongeveer parallel loopt aan de hierboven zojuist geschetste, zal een zware operatie blijken te worden. Een organisatiebureau kan daarbij zeker niet gemist worden. Waarom is deze verschuiving zo noodzakelijk?

Niet genoeg kan beklemtoond worden, dat in de diverse regio's op het plaatselijk vlak men te maken heeft met een grote variatie in het kerkzijn. Nederland is niet homogeen geindividualiseerd en geseculariseerd: er is dorpsleven, er is 'city life', er zijn categoriale concentraties van ouderen, van jongere studerenden, van rijkeren en van armeren, er zijn streekmentaliteiten en beroepsmilieus.

Er zal qua dienstverlening veel energie en menskracht gestoken moeten worden in het opbouwen en activeren van op hun eigen omgeving georienteerde plaatselijke gemeenten. Het is te verwachten dat er een interessant werkterrein ligt voor HBO'ers theologie om plaatselijke kerken te begeleiden bij het fuseren en om hen te helpen in te spelen op de behoeften van hun leden en wellicht die van religieuze randconsumenten.

Zoals Vuijsje het in Trouw van 24 januari 1992 uitdrukte: er zal op basis van kerkelijke 'casco-produktie' een verscheidenheid van doelgroepen met specifieke behoeften te bedienen zijn. Veel expertise van verschillende aard zal in zulke 'SoD-hallen' gevraagd worden. Er zal dan ook niet aan te ontkomen zijn dat hieraan een grote prioriteit gegeven gaat worden, om ergens anders een duidelijke posterioriteit te stellen.

Gevoelige snaar

Die is te vinden bij het omvangrijke werk dat - zoals men dat in kerkelijke kring nogal eens uitdrukt - namens de kerk wordt gedaan, zoals de bovenplaatselijke en extern gerichte, vaak ook ver weg gelegen arbeid van zending en werelddiaconaat.

Het voortgaan op de wijze zoals tot nu toe met deze voor de gewone kerkleden anoniemer en tot een soort ontwikkelingswerk wordende activiteiten, begint in de kerkelijke media langzamerhand ter discussie te komen. Hierop alleen al te wijzen doet een gevoelige snaar raken, omdat het om 'spectaculair' liefdewerk gaat, verricht ook nog eens vanuit goed georganiseerde eenheden onder vigeur van een kerkelijk ambt. De vraag stellen of dit werk voor de plaatselijke kerk(leden) niet te veel een alibi-functie vervult, waar men met een acceptgiro al aan kan voldoen, is niet zo leuk, maar niet onterecht.

Zeker het streven tot concentratie van dit type kerkewerk in SoW-verband, door betrokkenen uit beide grote kerken binnen een groot zogenaamd GGD-orgaan (voor gerechtigheid, getuigenis en dienst) samen te brengen, een streven dat al uitgemond is in een schetsontwerp voor dat mammoetorgaan, verdient het om zeer kritisch beschouwd te worden. Het zou, ook financieel, alle overige mogelijke SoW-constructies sterk overheersen.

Verwonderlijk

Aldus zijn een aantal ontwikkelingen gesignaleerd en becommentarieerd, die in elk geval de fusie van twee grote kerken en een kleintje beheersen, een fusie op een schaal zoals we die in de non-profit-sector van onze Nederlandse maatschappij nog niet eerder gezien hebben.

Het is eigenlijk verwonderlijk dat dit verschijnsel binnenmaar ook buitenkerkelijk niet die aandacht getrokken heeft die sommige kleinere fusies uit het bedrijfsleven wel krijgen. Misschien heeft dat te maken met het zeer geleidelijke en nog niet erg verplichtende karakter dat het proces tot nu toe had.

De stroomversnelling waarin het thans raakt, zou echter wel eens meer proces'watchers' en -begeleiders kunnen mobiliseren. Reeds heeft een groepje kerkelijk betrokken organisatiedeskundigen, verenigd in het zogenaamde Areopagusberaad, zijn vrijwilligersdiensten aangeboden. Een enkele maal heeft het ook al een sessie met een kerkelijke top belegd, hetgeen voor de laatste een aparte ervaring was.

De officiele inschakeling voor enkele tonnen van een organisatieonderzoeks- en adviesbureau is toch wel een andere zaak, en voor beide partijen enigszins een avontuur. Het bureau KPMG heeft voor onderzoek en begeleiding, met name van de bureaufusie, drie jaar uitgetrokken, vooral om voor die fusie een goed draagvlak te verkrijgen. Hoewel het bureau te maken heeft met twee (eigenlijk drie) opdrachtgevers, die bestuurlijk zwak gestructureerd zijn, lijkt deze periode toch te lang: zullen deelbelangen niet veel te veel een kans krijgen in zo'n tijdsbestek? Snelle duidelijkheid hoe de gefuseerde organisatie eruit moet zien is - om het theologisch te zeggen - Gebot der Stunde.

Over theologie gesproken, sommigen en misschien wel velen nog, zullen bij zo'n soort benadering van huns inziens geestelijke kerkelijke aangelegenheden zeggen: waar blijft het geestelijke in dit proces? Waar blijft God in zo'n organisatieaanpak? Hun is te antwoorden met een wedervraag: Wat hebben we nu in de nog maar zo kort achter ons liggende gebedsweek voor de eenheid der christenen onder het motto 'Op weg' concreet aan enigerlei bidstond voor het SoW-proces gehoord? Is dat geen Godsverduistering?

Kerkgeschiedenis

Maar laten we in een positieveresfeer eindigen. Het gelovig en kerkelijk spreken maakt graag gebruik van gelijkenissen en metaforen. Wellicht is een beeld uit de kerkgeschiedenis van het begin van dit millennium op zijn plaats ook voor het einde van dit millennium.

Natuurlijk gaat elke vergelijking ergens mank, maar welk een mobilisatievermogen ging er uit van de indringende oproepen van een Peter van Amiens, van een Godfried van Bouillon, van een Paus Urbanus II, om samen op weg te gaan naar het ene Heilige land. Herinneren we ons de weerklank daarvan nog? Decennia lang scandeerden en praktiseerden duizenden en duizenden het: God wil het!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden