Van rijkere burger weinig gevraagd

De auteurs zijn respectievelijk voorzitter en vice-voorzitter van de werkgroep 'De arme kant van Nederland' en 'Economie, Vrouwen en Armoede'.

De aankondiging van minister Melkert om met de beleidsnota 'De arme kant van Nederland' de daad bij het woord te voegen gaf enige hoop. Hoe bitter is de werkelijkheid. Hoewel er een begin wordt gemaakt met het uitzetten van een anti-armoedebeleid en hoewel daar ook geld voor uitgetrokken wordt, schieten de voornemens schromelijk tekort.

Dit kritische oordeel komt voort uit de beperkte visie die de nota kenmerkt. Ze sluit aan bij een armoede-definitie van de Europese Unie: “Armen zijn mensen, gezinnen of groepen mensen wier middelen (materieel, cultureel en sociaal) zo beperkt zijn, dat zij uitgesloten zijn van de minimaal aanvaardbare levenspatronen in de lidstaten waarin zij verkeren”. Die omschrijving wordt vervolgens met name uitgewerkt naar persoonlijke factoren. Deze 'analyse' werkt door in de gekozen aanpak, waarin 'maatwerk' van de bijzondere bijstand hoofdmoot is.

Ook processen van verrijking komen niet aan bod. Een debat over de verhouding tussen economische ordening, de werking van marktmechanismen en de taak van respectievelijk overheid, sociale partners en burgers komt te weinig in beeld. Een debat over een structurele aanpak op langere termijn, waarbij verdelingsmechanismen binnen een rijke samenleving fundamenteel aan de orde gesteld worden, wordt op dit moment vermeden. Nergens wordt een grens getrokken met betrekking tot de groei van verarming. Er vinden verschuivingen van middelen plaats ten behoeve van de arme kant van de samenleving, maar het welvarende deel van de bevolking hoeft er weinig veren voor te laten.

De beleidsnota bevat een lappendeken van maatregelen op de korte termijn, waarvan elke maatregel op zich te verwelkomen is, maar waarvan het geheel helaas tekort schiet. Een gemiste kans, zeker nu de verwachtingen omtrent een ontwikkeling van een beleidsvisie hoger gespannen zijn dan te doen gebruikelijk in dit soort zaken. Bijverdienregelingen bijvoorbeeld zijn recent geschrapt. Gedeeltelijke herinvoering voor mensen van 57,5 jaar en ouder en bijstandsvrouwen met kinderen tot 5 jaar wordt gepresenteerd als nieuw-anti-armoedebeleid.

Ondanks de gemiste kansen betekent de nota een eerste stap in een systematische “preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting”. Er wordt gestart met het uitzetten van een beleid, alhoewel er te weinig geld voor wordt uitgetrokken. De regering komt tegemoet aan een jarenlange wens van de anti-armoede beweging door het inrichten van een meervoudige 'armoedemonitor' (jaarlijkse rapportages over armoede en uitsluiting op allerlei terrein). Tevens beoogt het kabinet om tot het jaar 2000 jaarlijks sociale conferenties te houden, waarin preventie en bestrijding nader bekeken worden. Hopelijk geven die conferenties de tijd en ruimte om over deze bredere visies van gedachten te wisselen.

De nota kiest voor het ontwikkelen van vier actiepunten: bevorderen van participatie (aan betaald en onbetaald werk), inkomensondersteuning (een solide stelsel van sociale zekerheid met toereikend sociaal minimum), beperking van vaste lasten en bevordering van 'rondkomen' en terugdringing van niet-gebruik van voorzieningen. Deze actiepunten zijn aanvullend op al in gang gezet beleid rond bijvoorbeeld onderwijs, gezondheidszorg, volkshuisvesting en welzijn.

Het lijkt een flink pakket, maar schiet in de aanpak van de structurele oorzaken tekort.

Een visie op armoedebestrijding houdt ook in een visie op bevordering van werkgelegenheid. In onze samenleving is een belangrijk uitgangspunt dat mensen geacht worden een eigen verantwoordelijkheid te dragen om inhoud te geven aan hun bestaan (werk, inkomen, enzovoorts). De samenleving als geheel wordt geacht in wederzijdsheid te zorgen voor voldoende banen en burgers bij tegenslag te vrijwaren van gebrek. De nota 'De andere kant van Nederland' herhaalt dit uitgangspunt, maar passeert volgens ons een grens als gesteld wordt dat “de taak van de overheid ophoudt wanneer iemand willens en wetens weigert zijn of haar verantwoordelijkheid te nemen”.

Heel lang heeft deze wederkerige relatie een belangrijke rol gespeeld in de ordening van de Nederlandse samenleving. Het recht op arbeid en de plicht tot arbeid, gecombineerd in een sterk arbeidsethos, vormen de basis. Het stelsel van sociale zekerheid is eruit voortgekomen. Armoede werd een verschijnsel in de marge van de samenleving.

Oud recept

De afgelopen tien jaar is de samenleving grondig veranderd. Er is een schrijnend tekort aan banen, mede door de wereldwijde economie en de technologische revolutie. Banen worden geflexibiliseerd, verdwijnen, worden verplaatst. Steeds grotere groepen zijn voor steeds langere perioden aangewezen op een beroep op de sociale zekerheid. Armoede is weer een massaal verschijnsel aan het worden. Terecht kan de vraag gesteld worden of het oude recept nog wel werkt.

Is armoedebestrijding nog mogelijk door het bevorderen van werkgelegenheid? De afgelopen vijf jaar zijn de resultaten van de kabinetten Lubbers-III en Kok op dit terrein pover te noemen. Ondanks alle inzet op het punt 'Werk, werk en nog eens werk' en ondanks het grote belang dat allerlei additioneel werk heeft voor mensen persoonlijk. Elke banenpool- of Melkertbaan, elk JWG-baantje, elk gesubsidieerd in dienst nemen van laaggeschoolde mensen is belangrijk. Elke mens telt immers. En toch schiet het geheel tekort. Er zijn geen tekenen, dat politiek en economisch verantwoordelijken systematisch nadenken over hoe een samenleving met een te beperkt aantal banen eruit al zien.

Aan de andere kant is de afgelopen tien jaar sterk bezuinigd op de kosten van de sociale zekerheid. Naast het - tevergeefs - terugdringen van de aantallen is voortdurend beleid ontwikkeld tot het omlaag brengen van de uitkeringen, het veranderen van de verzekeringsvoorwaarden en het verhogen van de toegangen. Budgettering van de beschikbare middelen en verschuiving van een deel van de verantwoordelijkheid naar de gemeentelijke overheid doet de sociale zekerheid steeds meer van aard veranderen. Van een sociaal vangnet gaat ze lijken op een moderne vorm van armenzorg. In de plaats van de traditionele kerkelijke caritas en bedeling komt nu de gemeentelijke armenkas.

De nota 'De andere kant van Nederland' van minister Melkert kiest voor een bredere aanpak, maar kan in de praktijk naadloos in dit beleid gaan passen. Kerken kennen door eigen ervaring de tekorten van dit beleid. De omvang van de problematiek is zo groot, dat liefdadigheid het gat niet meer kan vullen.

Markteconomie

De discussie over de samenhangen tussen arbeid en baan, inkomen en sociale zekerheid dient verder gevoerd te worden. Hebben mensen wezenlijk iets met elkaar te maken? Vormen banen en inkomen banden van onderlinge samenhang, van mogelijkheden en van bescherming, van maatschappelijke participatie en onderlinge solidariteit? Of wordt alles aan de wetten van de neo-liberale markteconomie overgelaten, waar flexibilisering, prijswerking en winststreven overheersen? Hoe tegenwicht te bieden tegen het werken met verouderde beelden omtrent volledige werkgelegenheid en arbeidsethos, waarin zonder schroom het structurele risico van baanverlies en verarming gelegd wordt bij de mensen zelf? Zij doen zogenaamd hun best niet, zijn inactief, onvoldoende gemotiveerd of geprikkeld, mogen daarom op allerlei manieren gecontroleerd worden. Volgens ons zal door deze nota die stigmatiserende bijwerking van armen niet effectief verminderen.

De kernvraag blijft: kunnen bevordering van werkgelegenheid en armoedebestrijding samen gaan? Wij denken: onder de huidige condities niet. Een andere definiëring van arbeid en inkomen en andere onderlinge verhoudingen zijn nodig om tot andere antwoorden te komen. Een basisinkomen bijvoorbeeld verschaft mensen een gedeeltelijke bestaanszekerheid. Het vermindert binnen de samenleving de huidige pressie omtrent het tekort aan banen. Door een basisinkomen kan de huidige beschermingsfactor rond de beloning van arbeid verminderen. Arbeid kan vervolgens een eigen prijs gaan ontwikkelen op een nieuwe markt. Mensen met een basisinkomen kunnen zich op zo'n markt als een sterkere marktpartij ontplooien, waarin zij hun mogelijkheden omtrent inzet van tijd en vorm van beloning activeren. Daarnaast kunnen zij aan andere taken meedoen, zoals zorgarbeid en vrijwilligerswerk.

Zo'n weg van oplossing is minder gemakkelijk dan de huidige ontwikkeling van een armenzorg van staatswege. Maar ze is op langere termijn voor mensen menswaardiger en voor een samenleving socialer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden