Van popmuziek heb ik geen verstand

(Trouw) Beeld EPA

Afgelopen zondag overleed de dichter en theoloog Willem Barnard. Sinds de jaren negentig zocht journalist Peter Sierksma hem regelmatig op. Bij gelegenheid probeerde hij zijn liefde voor popmuziek op Barnard over te dragen. Vergeefs. Tot die ene hymne van Nick Cave passeerde.

Het is 21 november, laatste zondag voor Advent. Nog eenmaal de oude vertrouwde route. Via de Rembrandtkade over de Zonstraat langs de sterrenwacht en dan de stad in, de gracht over, langs café ’De Morgenster’ naar het Geertekerkhof. Zo definitief.

Op de fiets denk ik aan Ingmar Heytze, de Utrechtse dichter die ik de dag ervoor, zaterdagmiddag, op straat tegenkwam. „Ik ben net op het Neude geweest voor de cultuur”, stamelt hij, „maar ik denk alleen maar aan Willem.”

En nu is Willem er niet meer en dringt het langzaam tot ons door dat het ’grote zingen’ hier niet meer gehoord zal worden. Wij zullen het verder, in de woorden van William Butler Yeats, moeten doen met de echo van het ratelen van de kiezels aan de kust, als de golven ebben.

Maandag 9 november 2009. Een grauwe herfstdag zonder zon. Voor ik naar mijn werk ga eerst even langs bij Willem Barnard. Afgelopen zaterdag heb ik hem mijn exemplaar van zijn nog niet verschenen dagboek uitgeleend. Dat is de omgekeerde wereld, maar het is niet anders. Komende vrijdag wordt ’Een zon diep in de nacht’ gepresenteerd en het lijkt erop of Willem zelf tot die tijd nog even geduld moet hebben.

Willem is tevreden met het resultaat. Mooi dundruk en een prachtige marineblauwe omslag met – iets in het linnen weggezonken – gele letters. Daaronder een nog verduisterde zon, bijna onzichtbaar, maar wel voelbaar, upcoming

De linde voor Willems huis is al kaalgeslagen door de wind de afgelopen dagen en de Geertekerk staat er vandaag wat somber bij.

We drinken onze koffie en ik vertel dat ik me onderweg op de fiets realiseerde dat het café op de hoek van de Oudegracht en de Geertestraat ’De Morgenster’ heet. Ook een soort ochtendgloren.

Behalve voor het dagboek, kom ik om een liedje. In een pasgelezen interview met Francoise Hardy zag ik dat zij, mijmerend over de kloof tussen ideaal en werkelijkheid in de (romantische) liefde, Que reste-t-il de nos amours? van Charles Trenet aanhaalt als de kwintessens ervan. Ik laat Willem het artikel lezen en hij draait Trenet; eerst Verlaine, dan het bewuste lied:

Bonheurs fanés, cheveux au ventBaiser volés, rêves émouvantsQue reste-t-il de tout cela?Dites-le moi

Willem zingt mee (’Dites-le-moi’) en is ontroerd. „Dit is zo mooi. Zo ontzettend mooi.”

Lang heeft de dichter het volgehouden: „Wij delen veel, maar van popmuziek heb ik geen verstand. Ik kan er niet naar luisteren. Het doet mij zeer aan de oren. Ik verdraag die herrie niet. Bovendien kan ik nooit verstaan wat die jongens en meisjes zingen. En als ik ’t wel zou kunnen, dan gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat het meestal nergens over gaat. Misschien mis ik iets, maar in dat geval heb ik er geen last van. Als je eenmaal de liederen van Schubert hebt gehoord of het dubbelconcert van Brahms, dan vallen die popliedjes in het niet.”

Maar de laatste tijd verandert dat. Nee, moderne popliedjes draaien we nog steeds niet samen, maar wel oude populaire – ’doch muzikale!’ – liedjes van Trenet en Brel en Béart, van Ella Fitzgerald, Louis Armstrong en Fred Warning. De laatste is nog bekend van zijn vertolking van het oude schoolliedje ’Dry Bones’ uit de BBC-serie The Singing Detective (1986). Willem heeft de cd, waarop ook het druilerige (door Fitzgerald en The Inkspots gezongen) ’Into Each Life Some Rain Must Fall’ staat.

Pure popmuziek uit de jaren veertig, waag ik, van voor ’the rock’ n roll and after’. En laatst heeft Willem zelfs de naam van Bryan Ferry in de mond genomen!

Popmuziek. Lang heeft hij het volgehouden. Als wij ergens, meestal in het Utrechtse restaurant Polman’s, in groter gezelschap bijeen waren en het toeval wilde dat ook Nelleke, Brecht of Marina van de partij waren en de naam van David Bowie viel of die van de oude Dylan of die andere Elvis (Costello), dan haakte Willem af.

„Hier kan ik niet over meepraten”, zei hij dan een beetje gespeeld verongelijkt, zonder ook maar een beetje zijn best te doen er maar een jota, laat staan een tittel, van te begrijpen.

En dus luisterden wij op zaterdag in de late namiddag of vroege avond vaak naar Brahms maar nooit naar Bowie en hoorde ik regelmatig Schubert zonder dat hij ooit een noot van Suede of Cave te horen kreeg.

Er bleef genoeg over, daar niet van. Vanaf het eerste moment dat wij in het voorjaar van 1997 door Ilse van de kantoorboekhandel om de hoek met enig succes aan elkaar gekoppeld waren, deelden wij onze verwantschap met (zijn vriend en mijn hoogleraar) Jan Willem Schulte Nordholt, onze haat-liefdeverhouding met onze krant die Trouw heet en een zekere eerbiedige omgang met de taal die ons gegeven is.

Maar popmuziek? Nee. Niets kon ik aan de dichter kwijt en dat vond ik jammer, want ik was er in die dagen, mede dankzij mijn werk bij de krant, behoorlijk vol van. Zo had ik op de dag dat Barnard zich voor het eerst op mijn ’voorsneeuw’ (zoals hij de voicemail graag noemde) meldde, net David Bowie gesproken.

Ik was die zaterdag de negentiende april, speciaal naar Londen op en neer gevlogen om mijn jeugdheld, vijftig inmiddels, te ontmoeten en voelde mij ver verwijderd van welke stille omgang ook.

Ik probeerde een ingang te vinden via de Beat Poets. Maar het grenzenloze en hallucinerende knip- en plakwerk van Ginsberg en Burroughs bleek niet aan hun Utrechtse collega besteed. En Simon Vinkenoog dan? Onze eigen nationale beatnik – als dat geen popdichter is!

Maar Willem was niet te vermurwen: „Ik mag Simon erg graag en heb hem als dichter ook zeer hoog. Maar ik stond buiten de wereld waarin hij verkeerde.”

Ruim een maand later kwam ik terug en meende ik wel beet te hebben. Ik had de Australische zanger en anglicaanse koorknaap Nick Cave geïnterviewd en dacht met het Lucasevangelie, waar de zanger door gegrepen was, in handen een brug te slaan van de oever van de donkere ballade naar die van de door het blauw van de blues gekleurde hymne. Ik zag zelfs een parallel tussen een lied van de zanger en een vers van de dichter; maar vergeefs.

Twee jaar later, in het najaar van 1999, wij kenden elkaar inmiddels beter en hadden samen meer en meer beleefd, probeerde ik het opnieuw. Nu hardop en in druk. Ter gelegenheid van de 85ste verjaardag van Edward Schillebeeckx was ik uitgenodigd iets over popmuziek en christologie te zeggen. De lezing werd eerst in de krant en later in een boekje afgedrukt en zo stond het zwart op wit:

„ In The Boatman’s Call volgt de terugkeer naar de kern van het evangelie van Lucas Dat begint al meteen in het eerste nummer, Into my arms, waarin de liefde van de zanger voor zijn geliefde zo groot is, dat de taal als vanzelf nieuwtestamentisch wordt en het beeld van Christus opdoemt wanneer hij de engelen vraagt haar in zijn armen te leiden:

I ask them to watch over you

To each burn a candle for you

To make bright and clear, your path

And walk, like Christ, in grace and love

And guide you into my arms.

Hier is de liefde niet enkel de extatische weg tot God, maar richt zij zich totaal op de overgave aan de ander. Weg is alle cynisme. Hier wordt met de geliefde ook Christus als lichtend voorbeeld omarmd. Net zoals de dichter Van der Graft dat deed, toen hij zijn overleden geliefde aansprak op een wijze waarin zij vrijwel geheel met Christus samenvalt:

Die mijn kinderen droeg tot aan

De drempel van het licht, die mijn

hand vroeg om over het grote

duister heen mij te redden, waar

was ik, je blijft naar mij uitzien,

voorgoed onbereikbaar nabij.

Ik paste de laatste strofe uiteindelijk, met een knipoog naar de dichter en de duistere band uit de jaren tachtig Joy Division, ook toe op een ander lied van Cave, over Pasen op Pinksteren, Brompton Oratory geheten:

Als ik de beker drink, ruik ik je bloed,

dat nog steeds op mijn handen zit. Waar

was ik, uitgeput, je blijft naar mij

uitzien,

voorgoed onbereikbaar nabij.

Ik gaf Willem het boekje met de lezing en hoopte op bijval. De gedachte leek hem origineel, maar inhoudelijk vond hij het lastig er ook maar iets zinnigs over te zeggen. Ik gaf hem ook nog de cd, maar aanslaan deed het niet. Het was aardig, maar geen Vogel en nog minder Cowper, Dowland (recent trouwens door Sting niet onverdienstelijk verpopt), Meertens, Mozart (toch ook een rockstar in zijn tijd) of Bach.

Ik gaf het op. Pop, zo wist ik nu, was in Willems ogen blijkbaar net als dood een woord dat niet hoort, een woord in de weg. Maar waarom dan? „Kijk”, zei hij eens, „lichte muziek, dansmuziek, een liedje met een strijkje, volksmuziek, liederkens, chansons, cabaret, revue, vaudeville, fado en saudade, vooruit; maar pop en beat verdraag ik niet. Het zijn de uitdrukkingsvormen van een verwilderd volk.”

Dit voorjaar zocht ik voor de kerk die ik iedere zondag bezoek een lied. Een avondmaalslied. De keuze viel op Brompton Oratory. Een paar weken voor de bewuste dienst, trok ik voor de laatste maal mijn stoute schoenen aan en legde ik Willem na tien jaar opnieuw de hymne van Nick Cave voor. Het lied was opgenomen in de verzamelbundel ’King Ink II’ en las als een gedicht.

Ik wachtte zijn reactie af en merkte dat hij dit keer wel onder de indruk was. Hij nam zelfs het woordje ’indrukwekkend’ in de mond en ’poëzie’ en mompelde dat deze man „iets van het geheimenis (waar wij het zo vaak over hebben als wij ons wekelijkse Belgisch biertje drinken) had begrepen”.

Vooral die nauwelijks te harden schoonheid deed de dichter wat. Ik vroeg hem of hij het gedicht voor mij, voor in de kerk, vertalen wilde, zodat de mensen daar het ook konden begrijpen. Enkele dagen later vond ik een brief in de bus.

’Nick Cave (min of meer)’ stond er op de enveloppe. Erin zat zijn vertaling.

Maandagmorgen. Op het bureau ligt het nieuwe dagboek. Ik blader wat en zie het slot, geschreven op donderdag 6 oktober 2005: „Zo langzamerhand ben ik genaderd tot het standpunt van de Nadere Reformatie, dat een mens niets meebrengt, ja, behalve zichzelf in zijn armzaligheid. En dat juist dat arme zijn zaligheid is. Geen praatjes, niks om op de borst te slaan, qua ’heiligheid’ ben ik mislukt. Maar als er niets van mij uitgaat, des te meer komt het naar mij toe. De taal van de Schrift, de verhalen en gedichten, de woorden die vermoedens behelzen en bewaren. Zoals het jodendom altijd al geweten heeft. En dan de oudchristelijke liturgie. Geen samenvattingen van geloofsinzichten, geen overzichtelijke inzichten, geen catechismussen, – stemmen die dé Stem weergeven. En ten slotte: ’het woord van God, u in de mond gelegd.’ De eucharistie. De communie.”

Zo drinken wij onze koffie. De dichter is een bard. En ik? Ontpopt ben ik. En neurie zachtjes mee.

(Trouw) Beeld EPA
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden