Van paradijs tot paradox

Hij was een van de meest gelezen en gelauwerde dichters van Nederland. 'Schrijven is uitvinden wat in je leeft'.

Afgelopen woensdag overleed Rutger Kopland, dichterlijk pseudoniem van de psychiater Rudi van den Hoofdakker, op 77-jarige leeftijd. Hij is na Gerrit Komrij de tweede dichter en P.C. Hooftprijswinnaar binnen een week die overlijdt.

Kopland debuteerde in 1966 met de bundel Onder het vee, gedichten die de aandacht trokken vanwege hun romantisch-realistische karakter, dat de lezers, gewend aan de luidruchtige woordwatervallen van de Vijftigers en de emotieloze objets trouvés van de Barbarber- en Gard Sivik-groep nieuw in de oren klonk. Samen met dichters als Jan Emmens en Judith Herzberg luidde Kopland een nieuwe periode van de Nederlandse naoorlogse dichtkunst in.

Het eerste gedicht in Onder het vee zette direct de toon voor zijn gehele oeuvre, het heet 'Een psalm' en begint zo:

De grazige weiden de rustige wateren

op het behang van mijn kamer

ik heb geloofd als een bang kind

in behang

Het terugverlangen naar het paradijs van de jeugd, de getemperde levensangst en milde ironie om alles wat het leven ons wijsmaakt (ik heb geloofd in behang), kenmerken ook zijn latere gedichten die ook steeds indringender worden en dieper graven in de menselijke ziel, waar hij zich beroepshalve als psychiater dagelijks mee bezighield. Tegelijkertijd is zijn poëzie ook altijd een persoonlijke zoektocht gebleven.

In de bundel Alles op de fiets uit 1969 schreef hij het misschien wel meest gebloemleesde en geciteerde gedicht van de naoorlogse Nederlandse poëzie 'Jonge sla':

'Alles kan ik verdragen, het verdorren van bonen, / stervende bloemen, het hoekje / aardappelen kan ik met droge ogen / zien rooien, daar ben ik / werkelijk hard in. // Maar jonge sla in september, /net geplant, slap nog, / in vochtige bedjes, nee.'

Opvallend is de kalme praattoon van understatement en nuancering die grotere, pathetische gevoelens moet onderdrukken. In zijn kortheid is het een opmerkelijk gedicht. In zekere zin zet het de oude poëtische wereld op z'n kop. Niet de dood is het voorwerp van melancholie maar het beginnende leven. Niet de kosmos staat op het programma maar het eigen achtertuintje.

Opmerkelijk is ook het ontbreken van enig engagement. 'Jonge sla' en andere gedichten van Kopland werden geschreven in een tijd dat Nederland enorme veranderingen onderging, ontzuild en in vele opzichten bevrijd raakte. In Koplands poëzie zie je daar geen sporen van. In die juist zo op de actualiteit gerichte tijd focust hij op tijdloze zaken.

Aanvankelijk leek de eenvoudige praattoon critici ook weleens op het verkeerde been te zetten. Is het eigenlijk wel echte dichtkunst? vroeg Kees Fens zich af over de generatie van Kopland (met Jan Emmens, Judith Herzberg, Hanny Michaelis). "Wat zij gemeenschappelijk hebben (...) is een weinig uitgesproken vorm, een zelden tot in details overdachte ook, waardoor de gedichten vaak met het 'verhaal' op zijn: de aan de spreektaal grenzende ontboezemingstaal verdicht zich vaak te weinig."

Die kritiek zullen maar weinigen nu nog beamen, maar ze lijkt wel tot Kopland zelf te zijn doorgedrongen. Ergens in de jaren zeventig verdwijnen de anekdotiek en de weemoed uit zijn werk om plaats te maken voor een meer elliptische stijl, en meer verstilling. Geen verhaaltjes meer, maar poëzie die existentiële raadsels en tegenspraken ongekookt op het programma zet.

De verandering zet in met de bundel Al die mooie beloften(1978), nog wel praterig van toon maar met veel metafysische twijfel in de thematiek:

'Die dagen met jou G., ze smaakten heel hevig / naar weinig, als de dag van een uitgesteld / afscheid, als je alleen wilt zijn en niet kan, / de smaak van oud brood al en restjes jenever'

Behoedzaam, dat wel, wordt de jeugd, het paradijs, het oude geloof, bij de vuilnis gezet; in plaats daarvan krijgt de paradox de overhand. Het zijn verzen waarin de dichter afrekent met het oude godsbeeld, dat hij als een menselijke projectie neerzet. In plaats daarvan bezingt hij een soort seculiere en aardse spiritualiteit.

Steeds meer begin je in zijn werk de psychiater te herkennen, voor wie de zoekende en gekwelde mens het startpunt is en niet de metafysica. Ook komt steeds meer de notie tijd, die alles verandert, op het programma te staan. In meanderende zinnen probeert de dichter de onmogelijkheid om het oude te behouden te beschrijven:

'terwijl alles nog stroomde en niets bleef, / hoe je ook probeerde terug te keren, wanneer / vond je jezelf. geen moment waarin je zag / wat je weerzag'

Van de twijfelende dichter uit het begin ontwikkelde Kopland zich gestaag tot de wijze dichter die ziet dat er geen panklare oplossingen voor de levensraadsels zijn. Dat is ook de inzet van een aantal literaire essaybundels die hij schreef, Het mechaniek van de ontroering (1995) en Mooi, maar dat is het woord niet (1998).

Kopland was in zijn dagelijks leven hoogleraar biologische psychiatrie in Groningen. In die hoedanigheid schreef hij ook een aantal essaybundels over psychiatrie als maatschappelijk verschijnsel. Hij speelde verder een belangrijke rol bij de herintroductie van de electroshocktherapie.

In 2005 leek een ernstig auto-ongeluk met als gevolg een hartstilstand, coma en verpleging op de psychiatrische afdeling waar hij zelf ooit chef was geweest, een einde aan zijn scheppende carrière te maken. Maar voorzichtig nam hij de poëzie toch weer op:

'Ik zit voor het raam en zie / hoe de tuin niet is veranderd / voor haar ben ik niet weggeweest.'

Zijn laatste bundel Toen ik dit zag verscheen in 2008.

Rutger Kopland was een van de meest gelezen en gelauwerde dichters van Nederland. In 2000 werd hij verkozen tot Dichter des Vaderlands maar liet de eer aan Gerrit Komrij. Alle grote poëzieprijzen, waaronder dus de P.C. Hooftprijs vielen hem ten deel. Hij ontving voor de bijzondere combinatie van zijn wetenschappelijke en literaire werken twee eredoctoraten en zijn gedichten zijn in vele talen vertaald.

Kopland zal zonder twijfel de geschiedenis halen als een van de belangrijkste naoorlogse dichters, iemand die het landschap van de Nederlandse poëzie heeft gevormd en veranderd. Voor hemzelf gold onverkort wat hij ooit in het gedicht 'Zijn brieven' schreef: 'Schrijven is uitvinden wat in je leeft'.

Rutger Hendrik (Rudy) van den Hoofdakker werd geboren op 4 augustus 1934 in Goor (Overijssel). Hij stierf op 11 juli 2012 in Glimmen (Groningen).

Een tip voor Naschrift?
Mail het naar naschrift@trouw.nl

Of per post naar Trouw/Naschrift,

postbus 859, 1000 AW Amsterdam

Rutger Kopland 1934-2012

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden