VAN NOUVEAUTE TOT BURGERTROTS IN EEN ROMMELIGE HAVENSTAD

Van CS naar Schelde

De enorme, overkapte spoorhal van ijzer en glas uit 1899 en de stenen entreehal met haar 60 meter hoge koepel waren een persoonlijk paradepaardje van Leopold II. Nu de muren geschoond zijn van de dikke, bruinzwarte koek die bijna honderd jaar roet en remstof achterlieten en nu details opnieuw met bladgoud zijn bedekt, komen de vele kleuren Belgisch marmer en natuursteen en de statietrappen van de entreehal weer tot hun recht.

Aan de noordkant van het station ligt de vermaarde dierentuin (2) uit 1843, nu beschermd als stedelijk landschap van kunst en architectuur. Net als het CS weerspiegelen de fantasievolle paviljoens uit 1890-1910 de trots van Antwerpen als succesvolle wereldhavenstad. De entree van de Zoo is art nouveau, het onderkomen van de okapi's neo-Moors en de olifanten huizen in een Egyptische neptempel, compleet met hierogliefen. De monumentale panden van de Maatschappij voor Dierkunde aan het Koningin Astridplein vormen een vreemd contrast met de rest van het plein, dat voor een groot deel braak ligt. Hier moet een groot, prestigieus hotel verrijzen naar een (nog niet gemaakt) ontwerp van de Amerikaanse (post)moderne architect Michael Graves.

De as die van het station naar de Schelde loopt, geeft een beeld van de Antwerpse architectuurgeschiedenis dat teruggaat in de tijd. Het rijtje laat-19de eeuwse pronkpanden aan de Leysstraat is gebouwd in de toen populaire mix van architectuurstijlen. In feite zijn dit moderne versies van de gildehuizen aan de grote Markt, maar dan met volledig door elkaar gebruikte stijlelementen. Op deze manier toonde de Antwerpse burgerij zowel haar trots op het rijke, 16de-eeuwse verleden als het gevoel om als lid van een moderne, industriele maatschappij naar eigen goeddunken uit dat verleden te kunnen putten. Deze voorkeur voor neostijlen komt terug in het neobarokke warenhuis Innovation uit 1903 aan de Meir. Huis Osterrieth (Meir 85) (3) is een 18de eeuws stadspaleis en een van de weinige gebouwen in rococostijl van Antwerpen. Op de hoek van de Meir met de Wapper staat het voormalig Koninklijk Paleis (4) uit 1748, een door Napoleon I geannexeerd herenhuis. Aan de Wapper zelf ligt het Rubenshuis (5) van de schilder Pieter Paul Rubens uit 1611-1615. Dit weelderige pand in een noordelijke vorm van renaissance en barok is een soort Vlaams Italie met veel arcadebogen en classicistische beelden. Waarschijnlijk ontwierp Rubens zelf de prachtige tuin, die hij op zijn schilderijen vaak afbeeldde.

Een 'monument' uit de jaren zestig en een gruwel voor veel Antwerpenaren is de Stadsschouwburg (6) aan het Theaterplein uit baksteen en beton, in de wandel terecht de 'Theaterbunker' genoemd. In de modernistische euforie van gezonde steden, vooruitgang en sloopwoede moest deze schouwburg het summum van moderne mogelijkheden betekenen. In de praktijk bleek het podium echter te groot en de geavanceerde theatertechniek onhandig. Een waardige tegenhanger van dit betonblok vormt de recent gerestaureerde Bourlaschouwburg (7) uit 1827 van de Antwerpse stadsarchitect PierreBruno Bourla aan de Komedieplaats. Deze prachtige, symmetrische schouwburg is een uniek voorbeeld van laat-classicistische, monumentale architectuur met een intact gebleven 19e eeuwse toneeltechnische installatie. Het interieur is rijk gedecoreerd met verguld stucwerk, beelden, kandelaars en plafondschilderingen. Met hulp van enkele Praagse studenten conservatie en restauratie zijn nu de schilderingen van het tongewelf in de foyer gerestaureerd.

Op de kop van de Meir staan twee voor hun tijd zeer vooruitstrevende gebouwen: de Boerentoren en de Handelsbeurs (8) in de Twaalfmaandenstraat. De beurs dateert van oorsprong uit 1533 en was de eerste handelsbeurs van Europa; na een brand in neogotische stijl herbouwd in 1872 was het het eerste gebouw op het Europese vasteland waarvan de binnenplaats met een stalen overkapping werd afgedekt.

De KB (Koninklijke Bank)-toren op de kop van de Meir verrees tussen 1927 en 1932 naar een ontwerp van Jos Smolderen en stadsarchitect Emiel van Averbeke. Deze 87,50 meter hoge Boerentoren (9), genoemd naar de opdrachtgever de Boerenleenbank, was de eerste wolkenkrabber met staalskelet van Europa. Een dergelijke constructie was de enige mogelijkheid om zo hoog te bouwen op de zompige moerasgrond van de Meir. Antwerpen was trots op dit vooruitstrevende kantoorgebouw, maar ook bang dat het de kathedraaltoren zou wegconcurreren. De toestemming voor de bouw kwam desondanks en daarmee was een trend gezet: verschillende architecten trachtten later moderne tegenhangers van de 123 meter hoge kathedraaltoren te maken, zoals Renaat Braem in 1957-1967 met zijn kantoorgebouw aan de Oudaan. Een echte concurrent werd de Boerentoren pas in de jaren zeventig, toen hij tot krap 100 meter werd opgehoogd.

De Groenplaats werd voor 'Antwerpen '93' volledig opnieuw ingericht en ondergraven met een parkeergarage, waarmee een schat aan archeologische gegevens onder het beton verdween. Onder dit plein lag het grootste burgerlijke kerkhof van de stad, dat sinds de middeleeuwen tot de Napoleontische tijd in gebruik was, maar de gemeentelijke afdeling Opgravingen kreeg geen toestemming voor bouwbelemmerend onderzoek.

Binnen de 13de-eeuwse, gesloopte vesten bevindt zich het oude centrum met panden die in ouderdom teruggaan tot de middeleeuwen. Aan de Vrijdagmarkt staat het Museum Plantijn-Moretus (11), een prachtig woon-werkpand uit 1576 in Vlaamse renaissancestijl rond een binnenplaats met arcadebogen. Ook het interieur van de wereldberoemde drukkersfamilie bleef grotendeels bewaard. In een binnenhof aan de Reyndersstraat (nr. 4) staat het huis van de schilder Jacob Jordaens uit 1641, op nr. 18 een gotisch nonnenklooster met kapel. In de Pelgrimsstraat ligt een van de drie toegangen tot de Vlaeykensgang, een 16de-eeuwse, kronkelende binnenstraat. Een van de oudste stenen gevels van Antwerpen ligt aan de Oude Koornmarkt 26.

De herwaardering van het centrum in de jaren tachtig zorgde voor renovaties, horeca, antiekwinkels en prijsopdrijving. Gingen de vervallen panden begin jaren tachtig nog voor spotprijzen weg, nu verhuizen veel mensen weer door de toeristenoverlast. Rond het Stadhuis (13) werden de 16de en 17de eeuwse huizen weer zoveel mogelijk in 'oorspronkelijke' staat opgebouwd om een harmonieus decor te krijgen. De nummers 5, 7, 21, 24, 38 en 40 zijn authentiek; van de rest staan de originele gevels in het openluchtmuseum van Bokrijk. Het renaissancestadhuis van Cornelis Floris de Vriendt II dateert uit 1560. Erachter staat unieke, 15de eeuwse hoogbouw in de Gildekamersstraat en de Kaasstraat. Alleen in Genua bouwde men indertijd vergelijkbaar hoog.

De Onze-Lieve-Vrouwe Kathedraal (14), de grootste gotische kerk van de Nederlanden, dateert uit de 13de-16de eeuw. Aan de volledige restauratie, die eind maart voltooid is, wordt al sinds 1967 met verschillende opvattingen gewerkt: de absis is helderwit geschilderd met polychrome versieringen op de gewelfkruisingen, terwijl in het schip en de kruisbeuk resten van oude schilderingen zijn blootgelegd. Koorgestoelten, schilderijen en beelden zijn teruggezet, evenals de drie grote, gerestaureerde drieluiken van Rubens. De vlakbij gelegen Carolus Borromeuskerk (1615-21) (15) is een weelderige, Italianiserende barokkerk uit de tijd van de contra-reformatie. Van de hoge Sint Pauluskerk (1517-1571) (16), een combinatie van gotiek en barok met en rijk interieur, zijn de neprotsen van de Calvarieberg tegen het zuidertransept het meest curieus.

Het noordelijk deel van het centrum is een merkwaardige mengeling van oud, nieuw en veranderende opvattingen over sloop en renovatie. Het Schipperskwartier tussen Vleeshuis en Brouwersvliet kwijnde weg toen de haven zich sinds de oprichting van de EEG eind jaren vijftig steeds meer richting Scheldemonding begon uit te breiden. De laatste restjes van de ruige, verkrotte hoeren- en zeemanskroegenwijk verdwijnen momenteel onder de slopershamer. Rond het prachtige, monumentale gotische Vleeshuis (17) uit 1503 werden de historische panden gesloopt en nieuwbouw neergezet in een pseudomiddeleeuwse baksteenarchitectuur, die typerend is voor de nostalgische opvattingen over integratie uit de jaren zeventig. Om de huren betaalbaar te houden, werd de bouwgrond in een boven- en een ondergronds gedeelte gesplitst en onder het terrein een grote parkeergarage aangelegd. Zelfs van het alleroudste stadsdeel de Guldenberg, tussen de Burchtgracht en het Steen, werden veel panden gesloopt zonder bouwhistorici of archeologen de gelegenheid te geven onderzoek te doen en verdwenen de mooiste gevels richting het openluchtmuseum van Bokrijk.

Het Steen (18) is van oorsprong een middeleeuws kasteel aan de Schelde met een burchtmuur uit 1200. Bij het rechttrekken van de Scheldekaaien tussen 1877 en 1883 overwoog het stadsbestuur de burcht te slopen, maar een recent ontwaakt gevoel voor geschiedenis deed besluiten het gebouw te restaureren. Het uiterlijk veranderde daardoor ingrijpend en het pand kwam gesoleerd te staan tussen de loodsen en de twee verhoogde wandelpromenades, het Noord- en Zuidwandelterras. Alleen de kelders en de folterkamers zijn nog authentiek.

Van Kaaien naar Zuid

Even apart als het Steen staat het Zuiderterras (19) uit 1990 van de Antwerpse architect Bob van Reeth. In zijn vormgeving verwijst het op een geslaagde manier naar water, schepen en gebouwen langs de Schelde. Binnen zorgen inventief opgehangen spiegels voor een continue confrontatie van de stad met het water. Van Reeth werd de ongekroonde koning van de Scheldekaaien door zijn iets verderop aan de Sint Michielskaai gelegen, zwart-wit gestreepte Huis Van Rosmalen (20). Door met alle bouwvoorschriften voor hoogte, zadeldak en verticale ramen te breken, betekende dit opvallende woonhuis voor projectontwikkelaars en architecten een stimulans om langs de kaaien hun meest gewaagde gebouwen neer te zetten, zoals dat van de Nederlander Willem Jan Neutelings (Plantijnkaai 27). Vooral de Linkeroever aan de overkant (te voet bereikbaar via de voetgangerstunnel aan de SintJansvliet) geeft vol zicht op deze moderne architectuuretalage.

De Kaaien leiden naar het Zuidkwartier, een buurt die er een jaar of vijf geleden nog vervallen bijlag maar tegenwoordig '19e eeuws stedebouwkundig monument' heet. Sinds het Museum voor Fotografie (Waalse Kaai 47) en het Museum voor hedendaagse kunst Antwerpen (MuHKA, Leuvenstraat 16-30) (21) zich hier in oude pakhuizen vestigden, is Het Zuid in opkomst. In hun kielzog volgden galeries als Ronny van de Velde (IJzerenpoortkaai 3) (22), die museale tentoonstellingen organiseert in een door de Anwerpse architect Georges Baines in 1990 verbouwd pakhuis, en winkels en horeca rond de gedempte binnenhaven tussen de Vlaamse en de Waalse Kaai. Het door Van Reeth gerenoveerde Zuiderpershuis (23) uit 1883 aan de Waalsekaai is vast heropend in afwachting van een door de Italiaanse architect Aldo Rossi ontworpen entree. Het blok rond het MuHKA werd gesloopt voor museumuitbreiding en een klein appartementengebouw met een scheve gevel van de Franse ontwerper Philip Starck. Sinds het huis Van Rosmalen zijn de grondprijzen vertienvoudigd en kost een appartement nu al gauw tussen de 5 en de 7 1/2 ton, behalve de

rwoningen van woningbouwverenigingen, zoals het pakhuis aan de Sint Michielskaai 14-22 dat verbouwd werd tot appartementen door er trappenhuizen aan de buitenkant tegenaan te plaatsen.

De buurt rond het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten (KMSK) (24) bevat veel mooie panden, waarvan een aantal in art nouveau. Het mooiste, 'De vijf werelddelen' (25) uit 1901 met een erker in de vorm van een schip, ligt op de hoek van de Schilder - en Plaatsnijdersstraat. Een ander fraai art nouveaupand en een monument in de geschiedenis van de Antwerse arbeidersbeweging is het voormalig Liberaal Volkshuis 'Help Uzelve' (Volksstraat 40) (26) uit 1898 van stadsarchitect Emiel van Averbeke. Aan Nationalestraat 120 ligt het mooiste art decogebouw van Antwerpen, het Instituut voor Tropische Geneeskunde (27) uit 1924 van M. Spittael en P. le Bon, met een authentiek interieur en exotische muurschilderingen, afkomstig van de wereldtentoonstelling van 1930.

De Cogels-Osylei

De straten rond de Cogels-Osylei vormden de eerste als woonwijk geplande buurt van de stad. In deze sjieke woonwijk van rond 1900 woonde de welgestelde burger weliswaar in een rijtjeshuis, maar onderscheidde hij zich door fraaie opsmuk in alle denkbare architectuurstijlen. De Cogels Osylei was bedoeld als een permanente architectuurtentoonstelling, een schitterende laan vol dynamiek en symboliek. In straatnamen en decoraties zijn hemel en aarde, de elementen, de seizoenen, hemellichamen, het planten- en dierenrijk, elementen uit de Bijbel en de geschiedenis van Belgie verwerkt. De meeste panden zijn als kunstwerken gesigneerd. Sinds een succesvolle actie onder leiding van architect Renaat Braem de woonwijk rond de Cogels-Osylei in 1969 van de sloop redde, is deze laat-19de eeuwse pronkwijk piekfijn opgeknapt.

Tentoonstellingswijk

Het gebied tussen de Jan van Rijswijcklaan, de Ring, de Kolonel Silvertopstraat en de Boomsesteenweg was in 1930 het terrein van de wereldtentoonstelling. Na de Expo verrees hier een wijk in verschillende bouwstijlen met de nadruk op modernisme en Nieuwe Zakelijkeid, zoals de school van Van Averbeke in de Pestalozzistraat, de atelierwoning uit 1933 van architect Leon Stijnen (Camille Huysmanlaan 85), de woning uit 1935 van architect J. Jacobs aan de Vlaamse Kunstlaan 45 en het appartementencomplex uit 1932 van G. Brosens aan de Volhardingsstraat. Het laatste was een poging om tot een totaalbeeld te komen, in tegenstelling tot de vele individuele projecten in Antwerpen, en was gebaseerd op Berlages uitbreiding van Amsterdam-Zuid.

Ten westen van de Jan van Rijswijcklaan staat een aantal mooie woonhuizen in art deco in de Hazelarenstraat (nummers 12, 13 en 14). Aan de Populierenlaan bouwde de Franse modernist Le Corbusier in 1926 een atelierwoning voor de schilder Rene Guiette (28). Het 57 meter hoge BLL-kantoorgebouw (29) aan Jan van Rijswijcklaan 162 van Leon Stijnen uit 1960-1963 was de eerste hangende betonconstrucie van Europa. Rond een kern van beton liggen de verdiepingen, die aan de buitenkant zijn opgehangen aan stalen trekkabels, gedragen door een draagconstructie op het dak.

Middelheim

Middelheim is een van de weinige 'hoven van plaisantie' die niet voor stadsuitbreidingen verkaveld werden. In 1910 werd het 18de-eeuwse kasteeltje met omringend park door het stadsbestuur gekocht en als park opengesteld voor publiek. Sinds 1950 is het terrein een openluchtmuseum voor beelden, waar tot 1989 om de twee jaar een expositie werd gehouden. Renaat Braem, schrijver van 'Belgie, het lelijkste land van Europa' bouwde hier in 1969 een merkwaardig expressionistisch Beeldenpaviljoen (30), bedoeld als protest tegen de vervlakking van het begrip 'functionalistische architectuur'.

'Antwerpen '93' is een aanleiding om het wat verstofte Middelheim op te knappen en te actualiseren met beelden van tien internationale, hedendaagse kunstenaars als Richard Deacon, Per Kirkeby, Panamarenko en Juan Munoz.

Stad aan de Stroom

Voor de wens tot heraanleg van drie oude havengebieden - Zuid, de Scheldekaaien en het Eilandje, samen het project 'Stad aan de Stroom' - waren de Londense Docklands zowel een lichtend voorbeeld vanwege hun prestigieuze architectuur als een schrikbeeld door de uiteindelijke leegstand. Dat er iets moet gebeuren is duidelijk; de kademuren moeten na honderd jaar vervangen en de havenwijk moet gesaneerd worden. In 1990 schreef Antwerpen een internationale prijsvraag uit. De Japanse architect Toyo Ito en de Spaanse Manuel de Sola-Morales werden uitgekozen om verder te denken over plannen voor woonwijken op het Zuid (700 woningen) en het Eilandje en een recreatiepark langs de Gedempte Zuiderdokken. De plannen zijn nu grotendeels klaar; de haalbaarheidsonderzoeken volgen en het eerste wijkje aan de Hanzestedenplaats is aanbesteed.

Inmiddels heeft de Antwerpse haven ook haar eerste megalomane project met bijpassend schandaal rond een internationaal befaamd architect achter de rug. De Amerikaan Richard Meier tekende een plan voor de buurt rond de Entrepotkaai met een Administratief en Maritiem Centrum Antwerpen (AMCA) (31). De sloop van de 19e eeuwse Koninklijke Stapelhuizen op deze plek leidden tot veel protest, evenals de ongenaakbare kolos van spiegelend glas en graniet die hiervoor in de plaats kwam. Meier klaagt echter dat zijn plannen misbruikt zijn omdat niet hijzelf maar twee Antwerpse architecten de opdracht voor uitvoering kregen; de projectontwikkelaars vonden hem te duur. Daarmee is Antwerpen een beroemde naam rijker, maar geen betere architectuur. Hopelijk lukt het de ontwerpen van Ito en De Sola-Morales beter te beschermen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden