Review

Van Monmouth als bron van Artur-legende

AMSTERDAM - Van Chrétien de Troyes en Wace, via vele films, tot de absurdistische interpretatie van Monty Python aan toe. De zoektocht naar de Heilige Graal en de dappere daden van koning Artur hebben een lange reis afgelegd in de Europese cultuurgeschiedenis. Maar vermoedelijk was Artur een waanbeeld gebleven wanneer Geoffrey van Monmouth zijn daden en die van andere Britse koningen niet te boek had gesteld. Kenner van middeleeuwse literatuur Mark Nieuwenhuis vertaalde onlangs de 'Historia regum Brittanniae' (Geschiedenis van de Britse koningen) uit het Latijn. Dé bron van de Artursagen en met koning Leir in een bijrol.

De historia werd tussen 1130 en 1138 in Oxford geschreven door de kanunnik Geoffrey van Monmouth. Hem komt de eer toe aanstichter te zijn van Arturs fictieve leven. In zijn boek, een verzameling feiten en fabelachtige verzinselen, behandelt Geoffrey de rol van de Britse koningen over wie tot op dat moment vrijwel niets bekend was. Veel was al gepubliceerd over de Angelsaksen, maar de Britten schenen historieloos. De historia wekt de indruk dat Geoffrey die lacune in een keer de wereld uit wilde helpen en dat is hem gelukt. Toen de pseudo-wetenschappelijke 'Geschiedenis van de Britse koningen' plots verscheen, stonden de Britten meteen op de kaart.

,,De historia is een oertekst', motiveert Nieuwenhuis zijn vertaling. ,,Het staat aan de wieg van de Artur-literatuur. Over Artur bestonden enkel een paar opmerkingen in Latijnse werken en in de annalen van Wales en de bestaande levendige orale traditie bleef tot de Keltische wereld beperkt. Geoffrey heeft het verhaal toegankelijk gemaakt en prestige gegeven.'

Hoewel niet zo magisch en sprookjesachtig als de door latere schrijvers opgepikte Artur-verhalen, werd het geschrift een internationale best-seller. Er zijn ruim 200 manuscripten overgeleverd, een ongekend hoog aantal. Daarvoor heeft Geoffrey flink wat trucs uit de kast getrokken, zo laat Nieuwenhuis in zijn goed geannoteerde en vloeiende vertaling zien.

,,Volgens Geoffrey zou Artur heel Europa veroverd hebben, tot Noorwegen aan toe. Onzin natuurlijk. Maar in die tijd was het al gauw bijzonder dat iets op schrift stond en als dat dan ook nog in het Latijn gebeurde, toch de taal van de wetenschap, dan was er wel wat aan de hand. Geoffrey was iemand met een opleiding en een geestelijke rang. Aan dat gezag twijfelde men niet zomaar. Daar komt bij dat hij zich beriep op een oud Keltisch boek, waarin de Britse geschiedenis beschreven zou staan.'

Dat boek heeft waarschijnlijk nooit bestaan, maar die door Geoffrey opgevoerde bron was amper te controleren doordat weinigen Keltisch lazen. En volgens het adagium 'hoe ouder hoe betrouwbaarder' werd het boek op voorhand meer autoriteit toegekend dan het werk over de geschiedenis van de Engelsen van de bekende monnik Beda Venerabilis die leefde rond 700 en een pro-Engelse grondhouding had.

Daardoor kregen Geoffreys bij tijd en wijle leugenachtige praatjes een warm onthaal. Om de Britse koningen aanzien te verschaffen liet hij ze afstammen van de Trojanen, citeerde andere schrijvers zoals het in zijn kraam te pas kwam en liet soms volkomen verzonnen figuren opdraven. Tot woede van serieuzere collega's die inzagen wat hij in zijn schild voerde. Willem van Newburgh, een historicus die schreef vanuit Engels oogpunt en de Britten kapittelde, was extreem in zijn oordeel: ,,In onze tijd is een schrijver opgedoken die om de fouten van de Britten goed te maken belachelijke verzinsels over ze aan elkaar heeft geschreven. Hij heet Geoffrey en heeft Artur als bijnaam omdat hij sprookjesverhalen over Artur aan oude sagen van de Britten heeft ontleend, hij heeft daar zijn eigen verzinsels aan toegevoegd en door er de fraaie glans van de Latijnse taal op aan te brengen heeft hij ze vermomd met de respectabele naam van de geschiedenis.'

,,Geoffrey had natuurlijk de handicap dat er vrijwel niets over de Britten was verschenen,' vergoelijkt Nieuwenhuis. ,,Zijn werkwijze was een mengsel van een literaire en een historische benadering. Hij wilde vooral een mooi verhaal maken. Wat mij zo fascineerde: waarom schreef hij een boek over de Britten? En waarom deed hij dat op zo'n manier?'

Daarvoor rouleert een aantal verklaringen. Zo zou Geoffrey van Bretonse herkomst zijn. Bretonnen stamden af van Britten die in de vroege Middeleeuwen naar Bretagne gevlucht waren. Uit een soort nationale trots, om redenen van bloedverwantschap, zou hij deze geschiedenis hebben opgetekend. ,,Vreemd, want hij stelt de Welshmen - en dat zijn ook Britten - in een kwaad daglicht. Anderen denken dat Geoffrey de gewelddadige Welshmen een spiegel wilde voorhouden om hun gedrag en leven te beteren en ze tot eenheid te brengen. De Britten kwamen onder de eenheid van Artur tenslotte tot grote successen.'

Deze visie vertoont parallellen met de verwikkelingen ten tijde van Geoffrey. Toen hij aan zijn boek werkte stierf in 1135 net Hendrik I, die bezig was Wales in te lijven. De Engelsen besloten de veel sterkere Welshman even met rust te laten, zodat ze tijd hadden elkaar de hersens in te slaan. Aldus geschiedde, vandaar de populariteit van deze verklaring. Maar Nieuwenhuis acht een interpretatie met aandacht voor veranderende morele waarden beter.

,,Het boek bevat opvallend weinig kerkelijke aangelegenheden. Normaal verschijnen in de middeleeuwse literatuur aan de lopende band wonderverhalen. In de historia komen vrijwel geen heiligen, monnikenlevens of vereringen van reliekschrijnen voor. En dat terwijl Geoffrey zelf een geestelijke was! Kennelijk heeft hij zich af willen zetten tegen de kerkelijke manier van geschiedschrijven. Die enkele keer dat een klooster of abdij in het verhaal voorkomt is het niet eens positief. De vergiftiging van Aurelius Ambrosius gebeurt door een als monnik vermomde Saks. Geoffrey kent een koning moed, vrijgevigheid, macht en rijkdom toe, zelden vroomheid of liefdadigheid. Vrouwen zijn geen zielige wezens die thuis wegkwijnen van kuisheid en deugdzaamheid. Nee, Geoffrey ziet schoonheid als hoogste goed. Hij propageerde wereldse waarden.'

Volgens de historicus Willem van Newburgh verspilde moeite aan Britten die zo 'stompzinnig zijn dat ze nog steeds op Artur wachten, alsof hij terugkomt, en niet willen horen dat hij dood is.'

Geoffrey van Monmouth, Geschiedenis van de Britse koningen. Vertaald uit het Latijn door Mark Nieuwenhuis, verschenen bij Athenaeum/ Polak & Van Gennep. fl65.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden