Van marktwerking is in de beeldende kunst geen sprake

AMSTERDAM - Vlak voor de jaarwisseling maakte de Mondriaan Stichting bekend dat de Kunstkoopregeling het goed doet. Deze in 1997 vernieuwde regeling maakt het voor particulieren mogelijk om renteloos kunst te kopen bij geselecteerde galeries. Het gebruik ervan nam het afgelopen jaar met vijftig procent toe en het gemiddelde aankoopbedrag steeg met 66 procent tot 5800 gulden per koper. In totaal werd via de Kunstkoopregeling voor 13 miljoen gulden aangeschaft.

Volgens de directeur van de Mondriaan Stichting, Melle Daamen, betekent het toegenomen gebruik van de regeling dat de kunstmarkt in Nederland groeit. Het is de vraag of zijn constatering steek houdt. Als er in de beeldende kunst namelijk iets niet goed lijkt te werken, dan is dat nu juist de markt. De particuliere markt wel te verstaan: de omzetten zijn laag en hetzelfde geldt voor het prijspeil; vergeleken met veel landen ligt de prijs voor verkochte kunstwerken zo'n dertig procent lager. Veelzeggend is ook dat de gemiddelde Nederlandse beeldend kunstenaar na aftrek van beroepskosten niets op de markt verdient. Uit recent onderzoek (1997) van het ministerie van OCW blijkt dat zijn inkomen uit verkoop, opdracht en verhuur ongeveer negentig (90!) gulden per jaar bedraagt. Een kleine toplaag kan van zijn werk leven, maar het overgrote deel van de kunstenaars lijdt op zijn kernactiviteit verlies. Zij houden hun artistieke hoofd alleen boven water dankzij subsidies en andere inkomsten. In het zojuist bij de Boekmanstichting verschenen 'Visies op beleid en markt' signaleert de econoom Hans Abbing - zelf beeldend kunstenaar - dan ook terecht dat er zowel sprake is van een teveel aan beeldend kunstenaars, als van een tekortschietende vraag.

Een belangrijke oorzaak voor deze situatie wordt algemeen gezien in de rol die de overheid de afgelopen decennia gespeeld heeft. Zij is weliswaar slechts een van de drie partijen op de markt - naast particulieren en het bedrijfsleven - maar haar activiteiten bederven de markt op twee manieren. In de eerste plaats doordat zij vooral beurzen en opdrachten verstrekt aan kunstenaars die op een of andere wijze 'vernieuwend' bezig zijn. De kunst die hieruit resulteert, arriveert vroeger of later in de musea voor moderne kunst en bepaalt zo het beeld. Deze smaakmakende voorbeeldfunctie werkt niet stimulerend voor de particuliere koper. Niet alleen is 'vernieuwende' kunst lang niet altijd zijn smaak, maar bovendien, waarom zou hij kunst aanschaffen die de overheid al voor haar rekening neemt?

Het gedrag van de overheid (lees: het ministerie van cultuur) is nog steeds vrijwel uitsluitend gericht op het stimuleren van het aanbod: via werkbeurzen, het actief verstrekken van opdrachten en door aankopen. Deze eenzijdige oriëntatie belemmert echte marktwerking. In feite is de genoemde Kunstkoopregeling het enige instrument dat gericht is op het stimuleren van de particuliere vraag. Kopers en galeriehouders wachten met smart op de aangekondigde maar nog niet geëffectueerde aftrekbaarheid van kunstaankopen via de inkomstenbelasting. En wellicht is het inderdaad aan te bevelen, naar het voorbeeld van de aanpak van de Nederlandse film, om specifiek marktbeleid voortaan via het ministerie van economische zaken te laten lopen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden