Van kasteel naar klooster

De grens is een draad waarlangs twee staten elkaar negeren. Een niemandsgebied, ver van de regelende hand van de hoofdstad, waar dingen tot ontwikkeling komen die anders smoren in een nevel van regels. Jeroen Thijssen reist langs die grens. Vandaag de tweede etappe.

De wolken schuren het land met kwasten van regen, rijen populieren buigen in de wind. Het lijkt wel herfst in Vlaanderen, tussen Kalmthout en Wuustwezel. Hier moet het kasteel van Loenhout zijn, maar wegwijzers ontbreken en de Vlamingen schuilen achter de kachel.

Dan duikt rechts een enorme Indiaan van kunststof op. De vervallen resten van een schavot schemeren achter de Indiaan, en de oranje gevel van een saloon. Een man nadert de auto, een witte jas tot de enkels, een cowboyhoed op het hoofd, sporen aan zijn laarzen. Hij gebaart naar achteren door te rijden.

"Die plaatsen zijn gereserveerd", zegt hij, Vlaanderen voor op de tong, "voor de mannen van 't Belang."

Hij wijst op de vlag met een huppelende zwarte leeuw op een geel veld. Dit is cowboydorp El Paso, legt hij uit. De vlag is van het Vlaamsch Belang, dat hier vanmiddag een bijeenkomst houdt.

In afwachting van de komst der nationalisten flaneren de bewoners van El Paso over de modderige cour in rijlaarzen, hoeden en opnieuw witte cowboyjassen, de vrouwen in laarsjes, geroesde rokken, giletjes, en alle parafernalia die een meisje tot een negentiende eeuwse cowgirl maken. Want, allee, dit is de cowboyclub van El Paso. Rond een voetbalveld hebben leden van de club optrekjes gebouwd in stijl: de bank of el paso, een general store, een corral (stal); er is zelfs een kerk. Ieder weekeinde komen de clubleden hier samen, in cowboy-dracht gekleed, om het leven van het Wilde Westen te herbeleven.

De grote saloon is nog gesloten, maar de kleine er tegenover levert een enorm open vuur en een slecht kopje koffie. "De frituur gaat pas om drie uur open", zegt een vrouw in zwarte jurk, een zwart kapje op het hoofd. En de grote salon? Zij schudt het hoofd; vanwege de komst van 't Belang is er geen show.

Een show? Zij knikt, een zuinige trek rond de mond om deze Hollander die van niets weet.

"Iedere zondag is er show", zegt ze. "Maar vandaag is er Filip." Filip? Weer een stuurse blik. Filip is De Winter, leider van het Vlaamsch Belang en spreker vanmiddag. De Nederlandse bezoeker knikt begrijpend. Toch is het verband tussen cowboy's en Vlaamse belangen niet meteen duidelijk.

Eigenlijk is deze etappe als een kastelenreis begonnen; een blik op de grote kaart leert, dat vooral aan Belgische kant talloze versterkingen staan. Niet verwonderlijk bij een zo brute scheiding als die uit 1830, toen België zich vrijvocht van Nederland.

Dat is de theorie. Maar het kasteel van Loenhout, dat even ten noorden van El Paso oprijst, is een neo-classisitisch geval uit de 18de eeuw, lang voor er sprake was van een Belgisch-Nederlandsch koninkrijk. Kasteel Sterbos, even verderop bij Wuustwezel, is een art nouveau-droom. Kasteel Maxburg, meer naar het noorden, heeft een oprit met rhodondendrons, een gesmeed hek, daarachter rood bakstenen muren met groene luiken en witte banden in de gevel. Gevallen takken liggen op het pad, tussen de klinkers groeit gras. Als er een baron van Maxburg is zorgt hij niet goed voor zijn zaakjes. En een kasteel is het ook al niet.

Hier kronkelt de grens als een ongetemde beek. Zoekend naar een verborgen spoor van voedsel passeert de auto onopgemerkt de grens en stopt op het marktplein van Zundert. Daar puilen de klanten bijna uit een vaste patatwagen. 'Zelfgemaakte friet', staat er op de wagen en dat trekt. De meeste klanten spreken met een Belgisch accent, dat zegt wel wat. Belgen weten waar de frieten goed zijn.

'Bolle buiken', heet de wagen en die serveren ze ook: een gehaktbal met paneerkorstje en een pittig smaakje. Niet heel slecht maar ook niet om over in de krant te schrijven. De friet wel, stevig, smaakvol en knapperig.

Het pand tegenover de kraam heeft een nuttig ANWB-bordje op de gevel. Op deze plek, meldt het bordje, stond het huis waarin Vincent van Gogh is geboren. Helaas is dat geboortehuis in 1903 afgebroken. Maar toch, heeft de gemeente gedacht, is Van Gogh ook een beetje van Zundert. Het naastgelegen Van Goghhuis, documentatie-plek over Vincents Zundertse tijd, is voorlopig nog aan de bezuinigingen ontkomen.

Na het geboortedorp volgt grensoverschrijding op grensoverschrijding, in een tempo waarmee een mens wereldrecords breekt: tussen de Belgische enclaves van Baarle-Hertog en de Nederlandse van Baarle-Nassau staan geen grenspalen of markeringsbordjes meer. Tweeëntwintig stukken België liggen in Nederlands, en acht Nederlandse in België. Hier lonken vele uitspanningen met friet, met wok en met appeltaart, maar de tocht gaat verder naar het hoofddoel: de Postelse abdij.

Tussen de Nassau's en de abdij ligt een prachtig landje waar eten ontbreekt. Zelfs geen landwinkel steekt zijn vrolijke wimpels naar de hemel, dit is niemandsgebied zoals een mens dat verwacht: vol bomen, leeg van mensen. Bordjes verwijzen naar plaatsjes als Eel en Zuidheikant, maar eenmaal daar lost de belofte van een dorp op in drie huizen en een schuur. Boswegen lopen dood op vijvers of een hek, bewegwijzering is er niet. Na wat een eindeloze reis lijkt, duikt eindelijk de grote weg op. Het vertrouwde ronken van automotoren scheurt de stilte, borden wijzen de juiste richting, naar de abdij.

Postel is geen dorp maar een bocht in de weg. Als de motor afslaat, dringt het geluid van zingende vogels door de open ramen naar binnen. Uit het bos steekt een vriendelijk torentje zijn spits, broeders zijn niet te zien: in deze Norbertijen abdij heerst stilte en versterving. Des te luider spreekt het volk, deze plek is een geliefd toeristisch uitje. Misschien vanwege het statige adbijcomplex, helaas ontoegankelijk, misschien vanwege de uitgestrekte kruidentuin, met kastanjehekjes afgezet, waar honderden planten staan opgesteld, meest geneeskrachtige maar hier en daar ook gewoon eetbare. Hier verstomt het rumoer van de toeristen, hier lopen ernstig kijkende ouderen, vaak in stelletjes van man en vrouw verdeeld, en sprekend op gedempte toon.

Bij de abdijwinkel, vooraan in het complex, staat een rij tot buiten. Binnen wachten kruidenaftreksels voor medicinaal gebruik, kaas, bier en brood. Genoeg voor zwijgende broeders om de winter door te komen, dus waarom niet voor ons.

Het brood gaat ongesneden in een homp waar een normaal klooster een dag van kan leven, de kaas komt in een broodje van een kilo, de bieren zitten in flessen van driekwart liter: de bezoeker kan zelf een klooster beginnen. Heerlijk bier is het, donker, kruidig, een dubbel zoals alleen monniken kunnen maken. Ook de blonde is gezegend met een diepe smaak en een flinke bruis. Van kaas zijn Nederlanders niet snel onder de indruk en bij deze is dat terecht. Het zuivel is wel smeuïg maar de smaak is eerder zout dan pittig. En het brood, tja. Het is niet slecht, het is ook niet bovenmatig goed. Het is vooral groot.

Eenmaal buiten trekt drenzende muziek de aandacht; drommen mensen slenteren van de abdijwinkel langs de parkeerplaats en verdwijnen achter de bomen, net of zij een doel hebben. De geur van oude olie drijft mee op de wind. Onverwachts breekt een panorama open, dat alleen in België kan bestaan; op een steenworp afstand van de eeuwenoude abdij staat een pretpark van frietkotten, ijsverkopers en hamburgerkramen. Voor wie niet genoeg heeft aan brood en bier.

Jeroen Thijssen begon zijn eerste etappe langs een grensstrook van tien kilometer, vorige week bij de grenspaal in het Zwin.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden