'Van joggen raak je opgetogen'

Dr. Theo Stevens was aan iets nieuws toe. Hij is zestig en vroeg zich in gemoede af of hij ook de laatste vijf jaar van zijn werkzame leven al die verhaaltjes over met name de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië moest afdraaien voor de studenten van de Universiteit van Amsterdam.

Ineens had de aan de vakgroep economische en sociale geschiedenis verbonden Stevens de brainwave waar hij al een tijdje op zat te broeden: de geschiedenis van de sport. Voor hem doemde een onafzienbaar braakliggend terrein op. Want sporthistorie in Nederland bestaat eigenlijk alleen bij de gratie van gebundelde uitslagenlijsten, sterk anekdotische geschriften en kritiekloze jubileumboeken waarin hoge officials als generaals over de bladzijden paraderen. In de Verenigde Staten lopen minstens tien hoogleraren in sportgeschiedenis rond, in de docentenkamer van de UvA werd Stevens wat meewarig aangekeken. “Mijn collega middeleeuwse geschiedenis mompelde iets van: 'Tja, tja, sport. . . ' Pas toen ik hem uitlegde dat ik sterk geïnteresseerd was in de mystificatie rond de sport, begon het onderwerp ook hem te interesseren.”

Dat dedain is niet terecht, oordeelt Stevens. “Ik zag laatst een grammofoonplaat in de kast staan: 50 million Elvis-fans cannot be wrong. Daar kun je de variant op bedenken dat 4,5 miljoen leden van sportverenigingen in Nederland ook geen ongelijk kunnen hebben. Wanneer de Elfstedentocht verreden wordt, zitten er elf miljoen mensen aan de buis gekluisterd. De hele samenleving is geënt op sport. De economische betekenis is gigantisch. Het aandeel van sport in het bruto nationaal product is vier procent. In geld uitgedrukt een bedrag van 24 miljard gulden.”

De enige en eerste universitaire sporthistoricus van Nederland zit vandaag in het Nederlands Sportmuseum in Lelystad een symposium voor over de sportgeschiedenis in dit land. De sport past zich aan de tijd aan. Wie langs de publieke netten zapt, moet regelmatig tot de conclusie komen dat er werkelijk niets anders meer bestaat dan de belangrijkste bijzaak in het leven. Maar sport, of misschien treffender: lichaamsbeweging, is natuurlijk al zo oud als de mensheid. De definities verschilden echter door de jaren heen. In 1922 werd sport in de vierde editie van de Winkler Prins heel verheven als volgt getypeerd: “In het algemeen verstaat men onder sport het spel of beweeg, dat het lichaam versterkt en verfraait, de geest verkwikt. Wordt het spel of beweeg een wedstrijd, dan verstaat men mede onder sport het, tijdens die kamp, trachten naar ridderlijkheid, opoffering van het individu voor het algemeen belang, onder meer bij samenspel, zodat in dat geval sport mede van invloed is op tucht en karaktervorming.”

“In 1950,” zegt Stevens, “wordt in de Winkler Prins vooral de prestatiemoraal benadrukt. Zo zie je alleen door het vergelijken van encyclopedieën dat in amper dertig jaar tijd grote verschillen in denkwerelden optreden. Dat geldt voor heel veel dingen. In 1928 mochten voor het eerst vrouwelijke atleten deelnemen aan de Olympische Spelen. De 800 meter was de maximale afstand, elk zwaarder nummer was mensonterend. Trouwens, bij een zwaardere inspanning zouden vrouwen geen kindjes meer kunnen krijgen.”

Ook het modebeeld is drastisch veranderd. “Kijk naar de badmode van veertig jaar geleden. De meisjes droegen toen een soort harnas. Nu is het allemaal heel sexy en dat kun je niet los zien van de mentale veranderingen in de samenleving.” Stevens zal vanochtend in zijn inleiding met een gulle glimlach de moralistische schrijfster Amy Groskamp-Ten Have citeren, die indertijd een heuse kruistocht voerde tegen alles wat in haar ogen onzedelijk en aanstootgevend was. “Moeders die hun dochters toestaan om ten aanschouwe van Jan en alleman zich nagenoeg geheel ontkleed in gezelschap van jongelieden in de meest ongewenste houdingen te vertonen, dienen van overheidswege beboet te worden.”

Hoe anders is de olympische moraal nu. Waarom wilden de organisatoren in Atlanta per se beachvolleybal op het programma van de Olympische Spelen van 1996? Vanwege de 'lekkere meiden' in hun strakke bikini's; daar wonden ze bepaald geen doekjes om.

Sport volgt de mode. Het zet in dat geen opzicht geen trends, omdat het presteren voorop staat. In andere gevallen zet dat fenomeen wel processen in gang die in de rest van de maatschappij niet of veel trager wortel schieten. Op het punt van de ontzuiling bijvoorbeeld. “Dat is ook logisch”, vindt Stevens. “Je kunt als jochie aardig voetballen, maar bent lid van IJsselmeervogels. Daar zijn overwegend jongens van de gereformeerde gemeenschap lid van. Op zekere dag komt er een meneer van Ajax. Dan wordt het heel moeilijk om bij IJsselmeervogels te blijven hangen. Dat geldt ook voor het meisje dat lid is van een obscuur katholiek atletiekclubje in het zuiden des lands. Die wil ook wel eens tegen sterkere tegenstanders lopen.”

Confessionele sportbonden bestaan eigenlijk bij de gratie van gymnastiekverenigingen. “Die tref je vooral aan in dorpen in het oosten en zuiden”, zegt Stevens. “Het zijn besloten gezelschappen. Het gaat niet in de eerste plaats om het presteren. Gymnastiek kweekt saamhorigheidsgevoel. Het is het cement van de samenleving, zoals majorettenkorpsen dat ook zijn.”

Sport wordt in meer kringen als smeer- en bindmiddel gezien: als voorloper in de integratie van allochtonen, als middel om teleurstellingen te overwinnen, als kanalisator (maar ook aanstichter) van geweld. Van dat laatste kijkt Stevens overigens niet op. “Het was vroeger veel erger dan nu. Toen waren er wedstrijden waarin dorpelingen een bal naar een ander dorp moesten zien te schoppen. Het ging er zo heftig aan toe, dat er doden vielen. Boksen gebeurde vroeger ook met de blote vuist, totdat het te gevaarlijk werd gevonden. De reglementering heeft tot een bepaalde schoonmaak van de sport geleid.”

De veranderde rol van de politiek past helemaal in die lijn. Sport is altijd al een al dan niet kwalijke voedingsbodem voor chauvinistische gevoelens gebleken. “De rivaliteit tussen Nederlanders en Duitsers dateert niet van sinds de oorlog. In het begin van de eeuw schreven Nederlandse sportverslaggevers al denigrerend over die moffen. De plaatselijke overheid liet zich heel lang niets gelegen liggen aan sport. Ze zag het niet als taak. Dat veranderde pas in de jaren zestig. Vóór de oorlog was je als jongere lid van de gereformeerde knapenvereniging of het Sint Jozef-gezelschap.” Nu lopen sportclubs trouwens leeg, omdat de jongeren zap- of computerjunks zijn geworden, maar dat terzijde. “Dat er van de kant van de gemeenten belangstelling is voor sport, merk je aan een stad als Amsterdam. Die heeft het tot beleid verheven om archieven van sportverenigingen te verzamelen. In de vakgroep doen we periodiek onderzoeken. Bijvoorbeeld naar de sociale achtergrond van deelnemers aan de Olympische Spelen van 1952, 1972 en 1992 en de wijze waarop de dagbladpers de afgelopen honderd jaar de moderne Olympische Spelen versloeg.”

Tot dusver zijn er enkele belangwekkende publicaties over de geschiedenis van de sport verschenen. Zoals een boek van de historicus Swijtink over sport in de Tweede wereldoorlog en het 'levenswerk' van pionier Kees Miermans over voetbal in de jaren vijftig.

“Het is alleen geen afstudeerrichting”, zegt Stevens, en dat komt volgens hem door het ontbreken van een sportcultuur. “In het calvinistische Nederland ging het altijd om de geest en niet om het lichaam. Terwijl die twee toch onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Mensen die depressief zijn, moeten gewoon gaan joggen. Daar raak je opgetogen van.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden