Van hopeloos tot halleluja, en alles er tussenin

De Tweede Kamer sprak gisteren over ontwikkelingssamenwerking. Ook na de bezuinigingen zal Afrika speerpunt blijven. Van 'hopeloos continent' naar 'het beloofde continent': de beeldvorming is snel omgeslagen. Een poging om enkele bijbehorende vooroordelen te ontkrachten - of waar nodig te bevestigen - aan de hand van twee voorbeeldstaatjes: Burundi en Rwanda.

Stelling 1 Afrika is één grote corrupte bende...
"We hebben hier twee grote problemen: zwak leiderschap, en enorme corruptie." Zonder zich er misschien van bewust te zijn, schetst Eric Manirakiza in enkele woorden het beeld dat zovelen van heel Afrika hebben.

Manirakiza, directeur van Radio RPA Burundi,heeft een doordringende blik en kauwt op elk woord voordat het luid en duidelijk van zijn lippen komt.

Zijn antwoorden buigen door onder de ernst. Het gesprek gaat over armoede, schaamteloze corruptie door hoge functionarissen, banken die geen geld hebben, kritische media die onder druk staan - de hele Afrikaanse rataplan. "De regeringspartij is niet competent. Ze heeft alle mensen weggejaagd die ook maar iets kunnen."

Waar Burundi gebukt gaat onder de corruptie, is dat probleem in buurland Rwanda juist nagenoeg uitgeroeid. 'There is no space for corruption in Rwanda', zo luidt de onverbiddelijke tekst van een billboard dat al vrij snel na de grensovergang opdoemt.

De Rwandese president Paul Kagame geldt als een autoritaire leider, maar voor zijn anticorruptiebeleid wordt alom de pet afgenomen.

Op Botswana na is Rwanda inmiddels het minst corrupte land in Afrika, vindt althans de internationale organisatie Transparency International. Op de jaarlijkse landenlijst is Rwanda in enkele jaren omhooggeschoten naar de 49ste plaats, landen als Brazilië, China, Griekenland en Italië ver achter zich latend.

Burundi staat 172ste op de lijst van 183 landen.

Conclusie: stelling 1 wordt zowel bevestigd als ontkracht in twee kleine landjes, op een gezamenlijke oppervlakte van slechts 1,3 keer Nederland.

Stelling 2 Rwanda = goed, Burundi = slecht
De centrale markt van de Burundese hoofdstad Bujumbura is een wirwar van houten stalletjes en smalle doorgangetjes die soms doodlopen en soms niet. Ananassen, aardappelen, tomaten, stukken zeep, petjes, tassen, noten; het is hier te koop. Sjofel ogende westerse kleding - uit hulpzendingen waarschijnlijk - aan de ene kant, de prachtigste patronen gebatikt katoen uit Nigeria aan de andere kant.

"Mzungu, mzungu!" Blanke, blanke, riem kopen?

Tientallen minibusjes die als muggen om de markt heen zoemen, completeren het beeld dat je 'typisch Afrikaans' zou kunnen noemen. Deze markt zag er tien jaar geleden waarschijnlijk precies zo uit en zal er over tien jaar vermoedelijk precies zo uitzien.

Een ander beeld in de Rwandese hoofdstad Kigali, hemelsbreed 175 kilometer van Bujumbura vandaan. Welkom in supermarkt Nakumatt, onderdeel van een Keniaanse keten die vorig jaar de sprong naar het snel groeiende Rwanda waagde. Hier staan koelkasten van Amerikaans formaat opgesteld naast kinderspeelgoed, levensmiddelen, boeken, dure Zuid-Afrikaanse wijnen, Rwandese koffie en keukengerei. Bij de kassa staat een mannetje dat de boodschappen in papieren zakken doet - plastic zakjes zijn streng verboden in Rwanda.

Inmiddels is het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking in Rwanda met zo'n 1300 dollar per jaar (ongeveer 1100 euro) ruim twee keer zo hoog als dat van Burundi, al is die 'rijkdom' ongelijk verdeeld. "Over het algemeen doet Rwanda het beter dan andere Afrikaanse landen als het gaat om het bruto binnenlands product", zegt Aimable Twahirwa, een Rwandese wetenschapsjournalist. "Maar arme gemeenschappen in afgelegen gebieden hebben het moeilijker. Er gaapt nog steeds een grote kloof tussen arm en rijk."

Neemt niet weg dat de gemiddelde Burundees twee keer zo arm is als de gemiddelde Rwandees. De leek zou daaruit kunnen concluderen dat Burundi meer Nederlands ontwikkelingsgeld krijgt dan Rwanda, maar het omgekeerde is het geval. In de meerjarenplannen ontwikkelingssamenwerking van Nederland voor beide landen wordt voor Burundi in de periode 2012-2015 - onder voorbehoud van de bezuinigingen van Rutte-II - 94 miljoen euro uitgetrokken, voor Rwanda 228 miljoen.

Rwanda is een veel dankbaarder land voor donoren, al is daar dit jaar de klad in gekomen door de beschuldigingen over Rwandese betrokkenheid bij de strijd in Oost-Congo. Maar ruim anderhalf decennium, vanaf de genocide van 1994, is Rwanda een donor darling geweest. Die genocide was voor de westerling een herkenbaar drama, terwijl de slachtpartijen tussen hutu's en tutsi's in Burundi versnipperd zijn over meerdere decennia.

Rwanda is sindsdien een 'succesverhaal', Burundi een 'fragiele staat'.

"Je kunt niet in oneliners over deze landen praten", zegt de Nederlandse Anthe Vrijlandt, die al sinds 2004 in deze regio woont en werkt, eerst in Rwanda bij de Nederlandse ambassade, en sinds 2008 in Burundi. "Het is een ingewikkelde regio. Toen ik hier vier jaar zat, dacht ik dat ik het een beetje begon te snappen. Maar dan gebeurt er weer iets en dan snap je er ook meteen helemaal niks meer van."

Inmiddels werkt Vrijlandt voor de handelsbevorderende organisatie Trademark East-Africa. Haar nieuwste project: het helpen hervormen van de Burundese belastingdienst.

Volgens Vrijlandt gaat het eigenlijk best goed met Burundi, maar heeft het land een imagoprobleem. "Burundi wil graag van dat stempel 'fragiele staat' af. Ik vind het een beetje dom van de donoren om die labels erop te plakken. Aan de andere kant is de presentatie van Burundi naar de buitenwereld ook een beetje klungelig, dat pakken ze in Rwanda een stuk slimmer aan."

Ook Eric Manirakiza, de directeur van Radio RPA Burundi die zo kritisch is over het regime, neemt het graag voor zijn land op als de vergelijking met Rwanda ter sprake komt. Want de regering mag dan corrupt zijn en hem en zijn radiocollega's het leven zuur maken, het station kan - met westerse hulp - blijven bestaan en is populair. In Rwanda is zoiets ondenkbaar. Daar danst de gehele pers naar Kagame's pijpen.

"Eigenlijk is het Rwanda van vandaag als het Burundi van de jaren tachtig: goed ontwikkeld, sterk bestuur", zegt Manirakiza. "Korte tijd later brak hier het etnische conflict uit. Ik zal niet verbaasd zijn als er in Rwanda een burgeroorlog uitbreekt. Het land is niet vrij."

Meer persvrijheid, meer openheid, dat heeft Burundi voor op Rwanda. Maar de ontwikkelingsvoorsprong van Rwanda valt niet te ontkennen, en de Rwandezen hebben daar zelf hard aan gewerkt.

Conclusie: stelling 2 is voor een groot deel waar, maar de internationale gemeenschap maakt er een karikatuur van.

Stelling 3 Rwanda, Burundi, daar zitten toch die hoeties en toetsies of hoe ze ook mogen heten? Afrika is één grote stammenstrijd, laten ze elkaar toch lekker uitmoorden daar, ik heb er niks mee te maken.
Wie zoiets als blanke Europeaan zegt, kent zijn eigen geschiedenis niet. Zonder de Duitse en vooral Belgische kolonisten had de Rwandese genocide van 1994 vermoedelijk nooit plaatsgevonden. Want vóórdat de Europeanen kwamen, was het onderscheid tussen hutu's en tutsi's vooral sociaal-economisch, niet etnisch. Grof gezegd: de tutsi's waren veehouders, de hutu's boeren. Een hutu kon tijdens zijn leven tutsi worden en andersom. Ze leefden vreedzaam samen en trouwden met elkaar.

De Belgen echter wezen na hun komst de tutsi's, die doorgaans lang en elegant waren en bedachtzaam overkwamen, aan als de geboren leiders. Zij kwamen in het bestuur. Tutsi's werden door kolonistenogen gezien als een soort 'zwarte blanken', de hutu's waren minderwaardig. De kiemen voor de afgunst waren gelegd. De Belgen creëerden ook de identiteitsbewijzen met het stempel 'hutu' of 'tutsi' die ook na de onafhankelijkheid bleven bestaan en waarvan de genocidaires in 1994 zo dankbaar gebruik maakten.

Anno 2012 gaan Burundi en Rwanda fundamenteel verschillend om met de begrippen hutu's en tutsi's. In beide landen bestaat de bevolking voor ongeveer 85 procent uit hutu's en voor 15 procent uit tutsi's. Als gevolg van de genocide van 1994 heeft het Rwandese Kagame-bewind het gebruik van de termen verboden. Het onderscheid heeft plaatsgemaakt voor een nationalistisch eenheidsgevoel waarin iedereen zich Rwandees moet noemen.

In Burundi daarentegen mag openlijk over hutu's en tutsi's worden gepraat. Het móet soms zelfs: de overheid hanteert quota, in het leger bijvoorbeeld, om beide groepen rechtvaardig te behandelen, naar rato van hun aandeel in de bevolking.

Het zijn twee totaal tegengestelde manieren om de vrede te bewaren: verzwijgen versus benoemen. "Burundi heeft een wijzere keuze gemaakt", vindt Vrijlandt. Ook hiermee is radiodirecteur Manirakiza het eens. "Burundi ligt wat dit betreft voor op Rwanda, dat het probleem niet heeft opgelost."

Conclusie: stelling 3 is een knoepert van een vooroordeel.

Stelling 4 Afrika tien jaar geleden? Hopeloos. Afrika nu? Hallelujah.
Huiveringwekkende taferelen, in de heuvels van West-Burundi. Fietsers beladen met tientallen trossen bananen of enorme pakketten houtskool storten zich met gevaar voor eigen leven de afdaling in. Zouden ze wel remmen hebben? Het lijkt van niet, gezien de onverschrokken manier waarop de fietsers - soms bijna geheel schuilgaand achter hun handelswaar - vrachtwagens en bussen tegemoet stormen en op het nippertje een afgrond ontwijken.

Aan de andere kant van de heuvel het tegenovergestelde beeld: daar duwen de kromgebogen fietsers hun zwaarbeladen tweewielers voetje voor voetje de heuvel op, kennelijk nu al vastbesloten om straks tijdens de afdaling zo min mogelijk te gaan remmen.

Is dit nou het nieuwe Afrika? Zouden deze straatarme bananen- en houtskoolmannen wel beseffen dat talloze beleidsmakers in het Westen en in de opkomende economieën alle hoop op hun continent hebben gevestigd?

Hoe anders was dat een dikke tien jaar geleden nog. 'Het hopeloze continent', stond in mei 2000 op het omslag van het Britse weekblad The Economist, met een silhouet van Afrika en een jongen met een raketwerper op z'n schouder. In een tijd dat het in het Westen nog best goed ging, zakte Afrika weg in burgeroorlogen, hongersnoden, aids-epidemieën en corrupte regimes.

Niet meer te helpen.

In december 2011 - een oogwenk later in de wereldgeschiedenis - was die kindsoldaat opeens een vrolijk vliegerende jongen geworden op de voorkant van The Economist. 'Africa Rising', Afrika verrijst, heette het opeens.

Want: van de tien snelst groeiende economieën wereldwijd lagen er de laatste tien jaar zes in Afrika. De armoede en het aantal conflicten nemen af, de middenklasse groeit, de regeringen worden langzaamaan democratischer en minder corrupt.

Als we tien jaar geleden te somber waren, zijn we dan nu misschien te optimistisch?

De huidige stand van zaken in Rwanda en Burundi bewijst dat je beide extremen aan kunt treffen maar dat er vooral heel veel grijstinten tussen zitten. Het gejuich over Rwanda kan snel verstommen als het land onverhoopt terugvalt in weggemoffelde conflicten, en met een beetje geluk en wijsheid in Bujumbura staat de internationale gemeenschap over vijf of tien jaar misschien te applaudisseren voor het nu nog 'fragiele' Burundi.

"Laten we Afrika als een normaal continent zien waar normale mensen wonen", zo maakte hoofdredacteur Marc Broere van ontwikkelingsvakblad Vice Versa zich begin oktober nog boos. Hij reageerde op de eenmalige uitgave 'Het nieuwe Afrika' van het Afrika Studiecentrum en de Netherlands-African Business Council, dat bol stond van het positivisme. Op de voorkant een lachende, telefonerende Afrikaan op een hippe witte bank met een laptop op zijn schoot. In het blad staan koppen als 'Afrika is hot' en 'Het Nederlands bedrijfsleven moet snel zijn, want de internationale concurrentie vindt het continent snel'.

"Vroeger hadden we te weinig oog voor de positieve kanten van Afrika", verduidelijkt Broere, die zich destijds al verzette tegen het hopeloos-stempel en nu net zulke grote vraagtekens zet bij het gejuich. "Nu slaan we juist door in positivisme en lijken mensen de ongemakkelijke kanten van het continent zoveel mogelijk onder het tapijt te willen schuiven."

Conclusie: van stelling 4 wordt geen enkele Afrikaan iets wijzer.

Ruanda-Urundi
Voordat de voormalige koninkrijkjes Burundi en Rwanda begin jaren zestig onafhankelijk werden, hoorden ze nog bij elkaar, maar niet uit vrije wil. Tussen de jaren tachtig van de negentiende eeuw en 1916 waren ze onderdeel van de grote kolonie Duits Oost-Afrika. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Ruanda-Urundi, zoals het gebied toen heette, veroverd door Belgische militairen, die het tot 1924 bezet hielden. De Belgen bleven er tot 1962 de baas, eerst onder mandaat van de Volkerenbond (1924-1945), daarna met goedkeuring van de Verenigde Naties (1945-1962). Vervolgens gingen beide zusterstaatjes elk hun eigen weg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden