Van Herwijnen ging altijd tot het uiterste

Schilder Jan van Herwijnen leidde een veelbewogen leven. In het Noord-Hollandse Bergen is een overzichtstentoonstelling te zien.

In een gefilmd interview twee jaar voor zijn dood zegt Jan van Herwijnen (1889-1965): „Ik schilder uit geestelijk zelfbehoud”. In deze film, te zien op de overzichtsexpositie van zijn werk in Museum Kranenburgh in Bergen, legt de kunstenaar uit dat hij alleen via de schilderkunst zijn diepste gevoelens kan uiten. Op een andere manier kon hij dat niet, dan draaide hij door.

De eerste keer dat die ’dwang’ zich manifesteerde, was in 1918, toen hij psychisch was ingestort en moest worden opgenomen. Toen hij weer opknapte, voelde hij een enorme drang om zijn medepatiënten te portretteren. Een arts regelde dat hij toestemming kreeg om in de Willem Arntzstichting patiënten te tekenen.

Negen maanden lang tekende hij de chaos van belevingen uit zijn eigen psychotische periode van zich af. Maar bovenal werd hij gedreven door het gevoel dat hij een ’monument’ voor de manische, zwakzinnige, epileptische, demente, paranoïde en schizofrene medemens moest oprichten. Na het tekenen van de krankzinnigen was Jan van Herwijnen uitgeput, maar had hij ook het gevoel dat hij zelf nooit meer gek zou worden.

Een aantal van de 32 menshoge indringende krankzinnigenportretten, waarmee Van Herwijnen in 1919 debuteerde, is te zien op de expositie in Bergen. In de jaren erna zou de autodidact Van Herwijnen, die als arbeiderskind opgroeide in de Amsterdamse Jordaan, zich ontwikkelen tot een veelzijdig kunstenaar, maar zijn eerste hoogtepunt zou hij nooit meer evenaren.

Dat vonden tenminste de meeste kunstcritici en museumdirecteuren die daarbij steevast zijn krankzinnigenserie als ijkpunt namen. Had Jan van Herwijnen met deze tekeningen inderdaad alles uitgesproken wat hij te zeggen had en deed zijn latere werk er niet meer toe, zoals een criticus het verwoordde? Of wordt Van Herwijnen daarmee toch te kort gedaan?

„Deze expositie geeft in ieder geval een completer beeld dan tot nu toe van hem bestond”, zegt Paul van Herwijnen (1949), zijn jongste zoon uit zijn derde huwelijk. Hij nam het initiatief tot deze tentoonstelling, samen met Ype Koopmans, conservator bij het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem. Paul van Herwijnen: „Naar mijn smaak verdient mijn vader een herwaardering. Uiteraard moeten de mensen zelf oordelen, maar ik denk dat velen verrast zullen worden door de grote variatie in zijn werk.”

Jan van Herwijnen was een ’ongelooflijk gevoelsmens’ die altijd tot het uiterste ging, vertelt zijn zoon. Na de krankzinnigentekeningen was hij volledig ’uitgewoond’. Hetzelfde overkwam hem met bijna fatale afloop (een zware hartaanval) toen hij na de oorlog maandenlang in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam verbleef om overleden mensen te schilderen. Twintig doden portretteerde hij, onder wie ook een kind dat hem herinnerde aan zijn eigen zoontje, de bijna 3-jarige Maarten, die in januari 1945 was overleden aan een hersenvliesontsteking. Diens dood kon hij nu eindelijk ’van zich af schilderen’, net als de dramatische gebeurtenissen in de oorlog. Directeur Willem Sandberg van het Stedelijk Museum in Amsterdam exposeerde de dodenportretten in 1947. Er waren bezoekers die er fysiek onpasselijk van werden, maar Sandberg vond het belangrijk om kunst met het stempel dood en oorlog te tonen, als reactie op alle kunstenaars die na de oorlog gewoon waren teruggekeerd naar hun landschappen en stillevens.

Er waren ook critici die twijfelden aan de beweegredenen van Van Herwijnen. Ze vonden de serie niet oprecht, omdat de schilder zelf niet in kampen had gezeten. Dat maakte zijn verweer ’krachteloos’ en gaf zijn ’gepretendeerde afrekening een morbide inslag’.

Ook doken er weer beschuldigingen op dat Van Herwijnen ’fout’ zou zijn geweest in de oorlog. In 1940 was hij op uitnodiging van het door de bezetters gecontroleerde departement van kunst naar Duitsland gereisd om kunst van de nazi’s te bezichtigen. Zijn vrouw was er op tegen, maar hij wilde met eigen ogen de situatie bekijken. Misschien speelde ook zijn ijdelheid een rol en het feit dat hij – op dat moment één van de belangrijkste kunstenaars in Nederland – hunkerde naar internationale erkenning. Of hij in Duitsland al tot het inzicht kwam dat hij niets met de Duitsers te maken wilde hebben, is niet bekend, maar later zou hij toegeven dat hij met die reis een stommiteit had begaan.

In 1942 behoorde Jan van Herwijnen tot de minderheid die meteen weigerde om voor de Kultuurkamer te tekenen, wat betekende dat hij zijn werk niet meer mocht verkopen en tentoonstellen. Toch werd hij in de kunstwereld nog jaren met de nek aangekeken en verdacht gemaakt. Pas na zijn dood werden – met instemming van historicus Lou de Jong – alle beschuldigingen ingetrokken.

Ook andere ingrijpende ervaringen verbeeldde Van Herwijnen in zijn werk, zoals zijn mislukte huwelijken. Zijn somberste zelfportret, met maar een klein kiertje licht op de achtergrond, schilderde hij in 1928. Drie jaar ervoor had zijn eerste vrouw hem met de twee kinderen verlaten. Ook met zijn tweede huwelijk ging het niet goed. Zijn echtgenote, met wie hij inmiddels twee kinderen had, leed aan depressies. Zelf zocht hij zijn heil in de drank. Maar zijn donkere en sombere portretten en landschappen wisselde hij af met jaren vol lichte en kleurrijke schilderijen met bloemen en stillevens.

Zijn beste schilderijen maakte hij, zo leert deze expositie, voor de oorlog met als hoogtepunten het werk uit het Franse Collioure en zijn stillevens uit de jaren dertig. Daarbij valt zijn aandacht op voor het nederige en onaanzienlijke. Een houten kommetje en een simpele vetplant krijgen op zijn doeken door de kleur en het licht haast een voorname allure, net zoals de krankzinnigen en doden op zijn portretten ook altijd een soort waardigheid uitstralen.

Ook privé was de rust weergekeerd, nadat hij in 1935 was getrouwd met de 25-jarige Dien den Eerzamen, een antroposofe met ’groene vingers’ en het tegendeel van zijn eerdere (artistieke) vrouwen. Hij verliet Amsterdam om in Bergen te gaan wonen. Ze kregen negen kinderen.

In de oorlog kwam er weinig uit zijn handen en na zijn dodenportretten raakte Jan van Herwijnen langzaam uit de gratie. Er kwam steeds meer kritiek op zijn werk dat ook niet altijd meer de kwaliteit had van zijn vooroorlogse expressieve oeuvre. Maar wat hem ongetwijfeld ook parten heeft gespeeld, is de opkomst van de door hem verfoeide abstracte kunst en het succes van Cobra-kunstenaars als Karel Appel.

In soms grove bewoordingen – Paul van Herwijnen: „Mijn vader bleef altijd een Amsterdamse volksjongen met een grote bek” – veegde hij de vloer aan met moderne kunstenaars. Hij typeerde hun werk als „kladderadatsch’, ’gefrustreerde puberteitserotiek’ en ’poep van broertje’.

Pas in de laatste twee jaar van zijn leven, die volgens zijn vrouw alcoholvrij waren, richtte hij zich weer gedreven op het schilderen van het ’echte leven’, al bleef hij dicht bij huis en zocht hij steeds meer de stilte en natuur op. Hij maakte schilderijen die soms doen denken aan zijn beste doeken uit de jaren dertig. Het stilleven met de bijbel, dat hij begin 1965 schilderde, werd zijn laatste werk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden