Van gewoon student tot kroonprins

OFFICIEEL ORGAAN VAN HET NEDERLANDS GENOOTSCHAP TER BEVORDERING EN VERBREIDING VAN NUTTELOZE KENNIS. OPGERICHT 14 JULI 1989 TE AMSTERDAM. VOORZITTER:JAN KUIJK, SECRETARIS/PENNINGMEESTER: RUUD VERDONCK, LID: ROB SCHOUTEN. 4e JAARGANG NUMMER 38

In een zin een treffende samenvatting van hoe kantje-boord het in de geschiedenis soms kan gaan. De echte historicus weet dat hij zich niet bezig mag houden met 'als'vragen, maar het bestuur van het NGTBEVVNK koestert de oprechte overtuiging dat het het voorrecht van de verbeelding is zich bezig te houden met Alexanders die niet jong sterven en Napoleons die ook de slag bij Waterloo winnen. Vandaar deze nadere uitwerking.

De 'als'-situatie, waarop de Berlijnse correspondente doelde, speelde zich af in 1702, toen op 20 februari het paard Sorrel van Willem III in het park van Kensington in een molshoop trapte en struikelde, als gevolg waarvan de koning-stadhouder van het paard werd geworpen, als gevolg waarvan deze zijn sleutelbeen brak en als min of meer direct gevolg daarvan de laatste rechtstreekse afstammeling van Willem van Oranje ruim een week later van ons en het Britse volk werd weggenomen.

Goede wil

Het ambt van stadhouder in de Republiek, met uitzondering van de provincies Groningen en Friesland, was van dat ogenblik af vacant, want de kinderloze Willem III had alleen de opvolging in zijn ambten in Engeland geregeld.

De Staten-Generaal, die de bijna altijd in Londen verblijvende Willem III zelden over de vloer hadden, voelden niet een onmiddellijke en onoverkomelijke behoefte aan de aanwezigheid van een nieuwe stadhouder. Aan goede wil ontbrak het niet. Anders dan vijftig jaar eerder, na de dood van stadhouder Willem II, was er geen sprake een antioranjestemming bij de Nederlandse regeerders, maar het was meer een praktisch probleem. Wie zouden ze in vredesnaam moeten kiezen?

Het is waar, ze wisten dat Willem III gedacht had aan zijn neef Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz - sedert 1657 stadhouder in Leeuwarden en in 1689 als veldmaarschalk met Willem overgestoken naar Engeland. Maar genoemde Hendrik Casimir was in 1696 overleden toen zijn zoon, Johan Willem Friso nog maar negen jaar oud was. Weliswaar had Willem III deze Friso in zijn testament van 1695 als universeel erfgenaam aangewezen (het boterde niet meer zo erg tussen de neven Willem en Hendrik Casimir), maar Friso was in 1702 nog minderjarig (in Leeuwarden fungeerde zijn moeder, Henriette Amalia van AnhaltDessau als regentes) en bovenal: het stadhouderschap hoorde niet bij de erfenis. Het stadhouderschap was een baan die ad hoc kon worden weggegeven. (Eerst in 1747 werd het erfelijk verklaard, in de mannelijke en vrouwelijke linie nog wel).

Belangstelling

Veel keus was er dus niet in 1702 - of het zouden die in macht en aanzien toenemende, maar toch wat vreemde Hohenzollerns moesten zijn waarvan het stamhoofd zich net een jaar te voren van keurvorst van Brandenburg (Frederik III) tot koning 'in' Pruisen (Frederik I) had laten promoveren. Deze had meer dan eens blijk gegeven van belangstelling voor de ambten van de Oranjes in de Republiek. Hij trad daarmee in de voetsporen van zijn vader Frederik Willem, die als de 'grote keurvorst' de geschiedenis is ingegaan.

Van het standpunt van de Hohenzollerns uit bekeken was dit nog niet zo gek. De grote keurvorst was immers getrouwd met Louise Henriette, de dochter van Frederik Hendrik en Frederik I in Pruisen kon zich dus terecht als achterkleinzoon van Willem de Zwijger in Den Haag afficheren.

Maar nee, de Staten-Generaal hadden toch liever geen vreemdeling zo dicht bij zich en zo begon in Nederland (alweer: met uitzondering van Groningen en Friesland) het tweede stadhouderloze tijdperk.

Onbereikbaar

Het stadhouderschap bleek dan wel onbereikbaar voor Frederik I; over de private erfenis is nog lang geharreward tussen de huizen NassauDietz (de Friese tak dus) en Hohenzollern, want Willem III was beslist geen onbemiddeld man. De opbrengst van zijn goederen werd geschat op 850 000 gulden, de uitstaande vorderingen op 4,5 miljoen en de schulden op ongeveer 200 000 gulden. De teleurstelling over zijn testament moet dus groot geweest zijn in Berlijn.

Ook op dit punt heeft Frederik I niet veel succes gehad, al zag hij dan kans de graafschappen Lingen en Meurs (Mors in het Duits) uit het Duitse land blijvend in bezit te nemen. Maar de Staten-Generaal moesten intussen wel al hun tact en politiek vernuft aanwenden om die steeds machtiger wordende neef in Duitsland niet al te zeer voor het hoofd te stoten.

Onbeschoft

De negentiende eeuwse Duitse historicus en politicus Johann Gustav Droysen meende zelfs dat het de Hohenzollerns er in wezen om ging de Nederlanden tussen Dollard en Scheldemond binnen het Duitse vaderland (terug) te brengen - anders gezegd: de politieke fouten van de Habsburgs te herstellen.

De directeur van het koninklijk huisarchief, dr. N. Japikse (aan wiens in 1948 verschenen tweedelige Geschiedenis van het huis van OranjeNassau het bestuur zich schatplichtig weet) noemt de door de Pruisen in die dagen gebruikte taal "dreigend en onbeschoft" . Desondanks ziet hij eerder in dit optreden een poging de macht en het aanzien van het huis Hohenzollern op te krikken dan een streven naar uitbreiding van het Duitse territorium.

Overigens - Wilhelm II, de Duitse keizer die in 1918 in ballingschap naar Nederland kwam kon midden in de nacht gewekt worden om zijn stamboom uit te tekenen en op grond daarvan beschouwde hij koningin Wilhelmina nog steeds als zijn nicht (hoewel ze feitelijk hoogstens zijn bet-achternicht genoemd kan worden - hun overgrootouders waren broer en zus) Beiden waren in de vrouwelijke linie in elk geval ook nazaten van Willem van Oranje, tegen wie ze betbetbetbetbetbetbetovergootvader dienden te zeggen (de ex-keizer via Frederik Hendriks dochter Louise Henriette, Wilhemina via haar zuster Albertine Agnes, die getrouwd was met de Friese stadhouder Willem Frederik).

Waar bleef de broek ?

"In mijn Engels-Nederlands woordenboek" , schrijft afnemer H. van Arkel te Zwolle naar aanleiding van Nicolaas Kleis Britse modestudie in ons O. O. vierde jaargang nr 35, "staat voor blazer: (beige gekleurd) sportjasje en in mijn verklarend Engels woordenboek lees ik: gekleurd jasje voor watersport, golf enz. In Engeland zie je ze dan ook in allerlei kleur en streep, meestal met het insigne van de club. Een blauw jasje wordt vaak door oorlogsveteranen gedragen met het distinctief van het onderdeel waarbij ze gediend hebben erop. Het heeft allemaal iets uniformachtigs.

Over de broek - toch even belangrijk - schrijft Klei verder niets. Die heeft ook een hele geschiedenis. Niet voor niets ontstond het woord sansculotte - zo liepen de soldaten van de Franse revolutie er bij, zo werd het mij op school verteld zonder nadere uitleg. Ik dacht: culotte = broek, sans is zonder; zonder broek dus, dit past bij een van de betekenissen van dat woord: haveloos mens. De feitelijke betekenis leerde ik pas later: die geen kniebroek of culotte droeg, maar een lange pantalon. Ook wat de broek betreft bracht de Franse revolutie een omwenteling teweeg.

In het Frans waren er de culotte (a mollets), in het Engels waren er de breeches (korte broek beneden de knie vastgemaakt alleen als rijcostuum of aan het hof), ook wel knickerbockers met een 's' want knickerbocker betekent New Yorker - volgens sommige woordenboeken zelfs New Yorker van Nederlandse afkomst, en in het Nederlands was er de knie- of kuitbroek. In het Engels betekent pantalon: kuitbroek en kousen uit een stuk of nauwe broek tot aan de enkel als overgang van de kuitbroek naar trousers (een woord van Ierse en Schotse afkomst).

Omslag

De klassieke broek kent niet zo veel variaties. Een punt is: met of zonder omslag. Tegenwoordig worden die met praktisch alleen in het duurdere genre gesneden. Er is een periode geweest, dat alle pantalons een omslag hadden; wel gold het in die tijd al als stijlloos die omslag te hebben aan de gestreepte broek, bij jacquet en bij zwart colbert (en natuurlijk bij avondkleding).

Er bleven mannen, die hun maatcostuums zonder omslag lieten maken. Daartoe behoorde koning George V (1865-1936). Toen zijn zoon Edward, die altijd David werd genoemd, de latere hertog van Windsor, broeken met omslag ging dragen, zei hij: ik sla mijn broekspijpen alleen om als ik door de modder loop!" Tot zover de reactie van afnemer Van Arkel.

Reces

Dit is de laatste aflevering van de vierde jaargang van het O. O. van het Nederlands Genootschap Ter Bevordering En Verbreiding Van Nutteloze Kennis. In september keert ons O. O. terug voor een vijfde jaargang.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden