Van geuzennaam tot scheldwoord

Aan het begin van het Calvijnjaar onderzoekt Lodewijk Dros de zwalkende betekenis van het begrip calvinistisch. ’Behorend tot de leer van Calvijn’, waarmee Van Dale in 1970 nog volstond, dekt de lading allang niet meer. „Hoe tegengesteld de betekenissen ook mogen zijn, ze hebben één ding gemeen: het gaat steevast om een negatief oordeel.”

Ergens halverwege de radioreportage vraagt de verslaggever waarom de politie in de grensregio zoveel moeite heeft om een bepaalde vorm van criminaliteit te bestrijden. Het antwoord luidt dat de Belgische en Duitse collega’s hun eigen aanpak hebben, en wij, de Nederlanders, wij ook. Wij zijn calvinistisch.

De verslaggever vindt dat een duidelijke verklaring, hij vraagt althans niet door. Toch blijft de luisteraar met een vraag zitten: wat zijn wij nu precies?

In een van zijn ’Kroeglopen’-bundels vertelt Simon Carmiggelt over een bestelling in een snackbar. De vette hap wordt uitgeserveerd: ’Twee ros, twee friek en een overreje’. „Toen bedacht ik”, schrijft Carmiggelt, „dat een briljante Fransman, die aan de Sorbonne grondig Nederlands heeft gestudeerd, met dit zinnetje wel enige moeite zal hebben gehad.” (’Overreje’ is trouwens een broodje filet americain.)

Hetzelfde geldt als die Fransman de radioreportage zou hebben gehoord. Want wat is calvinistisch? In het dikke woordenboek staat dat het om een ’vorm van protestantisme’ gaat. Maar die Nederlandse dienders zijn toch niet allemaal gereformeerd? Het Van Dale Synoniemenwoordenboek voegt er één mogelijkheid aan toe: calvinistisch kan ook ’streng’ betekenen. En dan weet de Fransman nóg niets – calvinistische winters is hij nooit tegengekomen, strenge politiemensen wel, maar daarin verschillen Nederlandse niet van Duitse dienders.

Een eeuw geleden was het begrip calvinistisch nog even argeloos als overzichtelijk. „In de volkstaal is Calvinistisch en gereformeerd Synoniem.” Het citaat is ontleend aan ’Het ontstaan, de beginselen en de geschiedenis van onze politieke partijen’ uit 1904. Calvinistisch was het volksdeel dat zich door reformator Calvijn wist geïnspireerd – theologisch, politiek, maatschappelijk. Of het woord verwees direct naar de bron: Jean Cauvin, 500 jaar geleden geboren.

Zo simpel is dat.

Maar wie het moderne gebruik van ’calvinistisch’ wil begrijpen, staat met tamelijk lege handen. De verklaring wil nog wel een beetje helpen bij het lezen van twintigste-eeuwse literatuur. In ’De ortolaan’, het Boekenweekgeschenk van 1984, serveert Maarten ’t Hart een filosoof af „die net als Calvijn alle plezier verdacht vond, alle levenslust de kop wilde indrukken” (wat Calvijn trouwens niet deed). In zijn ’Een vlucht regenwulpen’ komen daar een wrede God en een peilloos zondebesef bij, en de boodschappers daarvan: ouderlingen. „Op de rode gezichten zie ik veel glazen jenever bijgetekend in de vorm van fijne adertjes. Voor deze mensen is het calvinisme uitgedacht, de mannen met dunne lippen, met varkensoogjes en vlekkerig rode wangen.”

Het is een beeld ontleend aan wat Jan Siebelink ’het zwartste calvinisme’ noemt: de hardste variant van wat nu de rechterflank van de SGP-achterban vormt. Calvinistisch is hier óók: geen echte scheiding tussen kerk en staat, theocratie – al wil het mildere deel van de SGP daar inmiddels vanaf. De meedogenloze leer over hel en hemel van Maarten ’t Harts ouderlingen had met Calvijn weinig uitstaande, hun strenge leertucht en hun theocratische ideaal veel.

Voor de negentiende-eeuwse gereformeerden die Abraham Kuyper op het schild hesen, werd calvinisme een geuzennaam, en een succesvolle: er kwamen een partij (ARP), een universiteit (VU), een krant (Standaard) en een kerkgenootschap (Gereformeerde Kerken in Nederland) van. Premier Balkenende is er een nazaat van, trots op zijn wortels. Maarten ’t Hart verfoeit die, en met hem veel schrijvers uit vergelijkbare nesten. Voor hen is ’calvinistisch’ een scheldwoord.

Het begrip is in betekenis gaan schuiven, niet in één richting, maar naar verschillende kanten.

Die verschuivingen vallen mooi af te lezen aan de wijze waarop drie naoorlogse sociaal-democraten ermee omsprongen. Het zijn de drie W’s: Willem, Wim en Wouter. Drees, Kok en Bos.

„Mij is wel eens gezegd dat mijn morele opvattingen nog steeds een calvinistisch stempel dragen”, schrijft Willem Drees in ’Neerslag van een werkzaam leven’. „Nu is het woord calvinistisch een te sterke uitdrukking voor de gematigd orthodoxe sfeer waarin ik ben opgegroeid, maar dat die sfeer mij blijvend heeft beïnvloed, is wel aannemelijk. Ik ben zo vrij te menen niet in ongunstige zin.”

Drees vatte het etiket calvinistisch eigenlijk niet zo positief op. Dat wil zeggen: hij wilde het zichzelf nog wel opplakken, maar van een ander kon hij het slecht hebben. Dan voelde hij zich geannexeerd door antirevolutionairen of christelijk-historischen, en dat hield hij gedecideerd af.

Opvallend is dat calvinisme bij Drees staat voor orthodox-gereformeerd (ook als het van hervormde snit is) én dat er een verwijzing inzit naar ethiek, naar ’morele opvattingen’.

In de dagen van Wim Kok bestond onenigheid over het afschudden van de ideologische veren, de rooie haan zag er na zijn langdurig leiderschap dan ook kaalgeplukt uit. Opmerkelijk genoeg beheerde deze sociaal-democraat – een mensensoort die door liberalen steevast voor spilziek wordt gehouden – als minister van financiën de staatskas met grote prudentie. Typisch calvinistisch, precies zoals de jonge Wim het had meegekregen van thuis te Bergambacht. „Ik ben calvinist, ja, sociaal-democraat en calvinist”, bekende hij eens.

Calvinistisch is hier ’spaarzaam’, ’oppassend’. Redelijk positieve adjectieven.

Bij de huidige minister van financiën zijn de calvinistische wortels manifest; in de eerste jaren van zijn ministerschap kwamen ze in vraaggesprekken vaak bovengronds. Wouter Bos legde niet de belofte af, maar de eed, tot verbazing van zijn vader. De zoon koos voor de religieus geladen bewoording, want een belofte doe je wel vaker, een eed heeft meer gewicht.

Aan de andere kant, dat calvinisme was, zo zei hij in het Reformatorisch Dagblad, „een last die ik graag draag”.

Een last? Jawel, en niet zoals bij Drees vanwege de annexatie door een groepering waar hij niet bij wilde horen, maar om de lading die het begrip heeft. Wouter Bos: „Ik vind het wel eens jammer dat ik zo ben ingesteld op hard werken, op woekeren met je talenten, op soberheid. Dat zijn die calvinistische wortels. Dan heb je minder het vermogen plezier te beleven.”

In een politieke biografie worden aan Drees’ karakter eenvoud, soberheid, matigheid en calvinisme toegedicht. Bij Bos zijn die eigenschappen samengebald, opgeslokt door de laatste: calvinistisch.

De betekenisverschuiving is duidelijk.

Toen de Friese staatssecretaris Dieuwke de Graaff-Nauta vorig jaar overleed, herdacht het Friesch Dagblad haar zo: „Ze negeerde alle glamour die aan haar functie kleeft. Calvinistisch als ze was, fietste ze liever naar haar werk dan dat ze zich in een limousine liet vervoeren. Haar lunch at ze te midden van haar personeel in de kantine. En als ze in het weekeinde terugging naar het heitelân nam ze de trein. Ze noemde zichzelf een werkezel.”

The hard working American families, waar president Clinton ooit goede sier mee maakte, zijn hier hardwerkende Nederlanders geworden, begiftigd met een calvinistisch arbeidsethos.

En dan is er die jacht naar de waarheid, naar gelijk en ongelijk. Die jacht ontaardt makkelijk in een ondeugd, want verkettering van de andersdenkende ligt op de loer. Trouw-commentator Willem Breedveld beschuldigde de PvdA onder Wim Kok er ooit van een partij van calvinistische, dus scheuren veroorzakende Prinzipienreiter te zijn.

Historisch gezien is dat bepaald niet typisch calvinistisch. Het waren in de zestiende en zeventiende eeuw eerder de doopsgezinden die in soberheid en strengheid voorop liepen; met de ’gereformeerden’ als goede tweede, dat wel.

’Calvinistisch’ heeft onmiskenbaar een minder gunstige bijklank gekregen. Streng zijn ze, die calvinisten, rechtlijnig en onverzoenlijk, net als Calvijn zelf. „Ik kan mij niet terughouden als ik mijn mening duidelijk onder woorden wil brengen”, schreef de reformator naar een geestverwant. Daarom zag hij er geen been in ’met bliksems te gooien’.

Een calvinist heeft een missie – tegenwoordig naar keus met of zonder godsdienstige lading – en volvoert die zonder anderen en zichzelf daarbij te ontzien.

Bos vindt „dat dit land zoveel beter kan”. Maar zijn vermogen om plezier te beleven is maar matig ontwikkeld. Net als bij Kok, die zichzelf in NRC Handelsblad eens betitelde als „polderjongen van het calvinistische type, hard en streng voor zichzelf”.

Dat moet wel te maken hebben met die andere trek die bij ’calvinistisch’ past: een allesdoordringend zondebesef. De mens is ’in zonde ontvangen en geboren’ – en probeer dan nog maar eens onbevangen te lachen.

Van de deugd spaarzaamheid is het een kleine stap naar krenterigheid, naar het koekje bij de koffie waar prinses Máxima op stuitte, naar afgepast en afgemeten. Wie groots en meeslepend wil leven, noem het bourgondisch, die moet verre van het calvinisme blijven.

Dat Calvijn zelf niet vies was van een wijntje, dat hij seks niet puur instrumenteel opvatte maar ook als genot, doet niets af aan het feit dat er tussen al deze betekenissen van het begrip een doorlopende lijn zit, al is zij soms kronkelig.

Meer en meer raakt het verband zoek tussen de calvinistische traditie en het willekeurige gebruik van de term die daaraan ontleend is.

Zo is het bijvoorbeeld calvinistisch om bezwaar te maken tegen het Elektronisch Patiëntendossier, omdat de maatregel ons van hogerhand wordt opgelegd. Het rookverbod geldt als een calvinistische beknotting van een bourgondische levensstijl. Treffend is ook dat Al Gore-achtige oproepen om toch vooral het klimaat te redden, als calvinistisch worden veroordeeld. En dat het geven aan goede doelen weer heel ’oncalvinistisch’ heet te zijn (terwijl calvinisten in het echt geen collectebus overslaan). De politie die een ’lokhoer’ inzet handelt betuttelend calvinistisch. Kleurloze, grijze gevels, óók calvinistisch. Dat je kop eraf gaat als je die boven het maaiveld uitsteekt is calvinistisch, maar ook de bizarre neiging om het Guinness Book of Records te halen, vanwege het harde werken ervoor. In de IT en de bouw ontbreekt het ons land aan innovatief vermogen, vanwege dat nare calvinisme. Dat is ook verantwoordelijk voor het gegeven dat wij hier in termen van schuld en boete over de kredietcrisis spreken, signaleert een bankier – tevens zoon van een predikant. Een directeur van een organisatieadviesbureau hekelt de Nederlandse ondernemerscultuur die, calvinistisch als ze is, overgevoelig is voor ’excelleren’.

Dat de gebroeders Baan fortuin maakten in de IT mag dan een positieve uitzondering zijn, daar past dan wel weer bij dat ze door schijnheiligheid onderuitgingen. Hypocrisie is namelijk ook typisch calvinistisch.

Een kleine staalkaart van ongunstige duidingen leverde Sylvain Ephimenco al in 1994. Bij het uitkomen van zijn boek ’Hollandse kost’ gaf de publicist een interview waarin hij de volgende equivalenten van het c-woord noemt: destructief jaloers, je mag jezelf niet goed of mooi vinden, schijnheilig, anti-Frans, verlammend voor de cultuur, saai, conflictmijdend, betweterig, constant iedereen de les lezend. Verder impliceert calvinistisch: tegen de zon, lekker eten en het onbekommerde. De personificatie van al deze ellende is de ’calvinistische katholiek’ Lubbers (de toenmalige premier): slecht gekleed, calculerend, knijpt de kat in het donker, conformeert zich aan de normen maar ondertussen. Volgens Ephimenco maskeert de calvinist zijn beroerde invloed. „Dr. Jekyll, dat is het calvinisme.” En de Nederlandse identiteit, schimpt Ephimenco, is calvinistisch.

Nu, vijftien jaar later – waarvan de laatste tien als columnist van het van oudsher calvinistische Trouw – is Ephimenco naar eigen zeggen ’veel milder’. Hij heeft zelfs waardering gekregen voor de „bescheidenheid en het relativerend vermogen van calvinisten – ze zijn een verademing omdat ze zich niet zomaar emotioneel laten meeslepen. Ik ben zelf een beetje calvinistisch geworden.”

Hoe heeft de omslag van beschrijvend naar pejoratief kunnen plaatsvinden? Het antwoord wortelt in de negentiende eeuw. In de bundel opstellen van G. J. Schutte die verscheen bij zijn zestigste verjaardag, beschrijft de VU-historicus hoe het begrip calvinistisch alles belichaamde waar de vooruitstrevende burgerij níet voor stond.

En, om kort te gaan, de burgerij won. In publicaties die tot het hoogtij van de verzuiling verschenen, kom je de negatieve betekenissen van ’calvinistisch’ niet tegen. Duidelijk is dat de opmars van het afkeurend gebruik gelijke tred hield met de afmars van het kerkvolk. Er waren simpelweg niet genoeg calvinisten over om het oude, positieve ervan overeind te houden. Echt tegengas gaven zij bovendien niet. Velen sloegen zelf in de jaren zeventig en tachtig aan het horizontaliseren.

De stem van het orthodoxe kerkvolk klonk in de spraakmakende gemeente steeds zachter. Daar is de oorspronkelijke betekenis nog steeds in zwang. Maar erbuiten – en dat buiten werd al groter – heeft de negatieve lading het gewonnen.

Calvinistisch werd op z’n best ’dat wat we achter ons hebben gelaten’, de achterlijkheid van de negentiende-eeuwse confessionelen. Wanneer is dat precies gebeurd? Het zal ergens in de jaren zestig begonnen zijn, in wat tegenwoordig de grachtengordel heet. Toen dook ’calvinist’ op als „spotnaam voor mensen die niet graag geld uitgeven en zich ongemakkelijk voelen bij luxe”, citeert W. Nijenhuis in zijn brochure ’Hoe calvinistisch zijn wij Nederlanders?’.

Snel zonk dat cultuurgoed; in de jaren zeventig pikt Van Dale’s Groot Woordenboek der Nederlandse Taal het op. In de editie van 1970 is ’calvinistisch’: ’van, volgens, behorend tot de leer van Calvijn; in de geest van Calvijn’. In de editie van 1984 is toegevoegd: ’stijf, behoudend’.

In de kunsthistorische literatuur is hiervan een interessant voorbeeld te vinden. Lyckle de Vries schrijft in ’Verhalen uit keuken, kamer en kroeg’ dat zeventiende-eeuwse Hollandse schilders tegenwoordig als ’calvinistisch’ bestempeld worden. Terwijl ze katholiek waren – en dat ook bleven als ze van de Zuidelijke naar de Noordelijke Nederlanden waren geëmigreerd. „Door de recent ontwikkelde aandacht voor de moraliserende inhoud van Hollandse schilderijen is de gewoonte versterkt om de Hollandse kunst ’calvinistisch’ te noemen. Dit komt beter met het huidige spraakgebruik overeen dan met de samenleving van drie, vier eeuwen terug. Het woord ’calvinistisch’ betekent tegenwoordig zoiets als kleinburgerlijk en het duidelijkste symptoom zou zijn om te moraliseren.”

Calvinistisch en moralistisch gelijkstellen mag dan modern zijn, historisch is het aanvechtbaar, betoogt De Vries. Het moraliseren was een „algemeen aanvaarde uiting van christelijk-humanistische ethiek waarin zowel katholieken als protestanten zich konden vinden”.

Calvinistische katholieken: dat kan dus. Volgens Peter Jan Margry, onderzoeker van het Meertensinstituut, hebben katholieken van benoorden de rivieren ’een sterke accommodatie door protestanten ondergaan, dat is evident’. Ze hebben de ’calvinistische habitus’ aangeleerd, „een ingetogenheid in het publieke domein, tegen de uitbundigheid”.

En zo zijn de katholieken, in de negentiende eeuw nog met argwaan bekeken als bewoners van twee rijken – dat der Nederlanden en dat van Rome, dus met dubieuze loyaliteit – Nederlands geworden. Want Nederland en calvinisme zijn óók in elkaar geschoven. „Het Calvinistisch Nederland is een onhistorisch cliché uit de hedendaagse journalistensociologie”, schampert Schutte. Maar die identificatie heeft wel oude papieren. Ook Abraham Kuyper vond onze volksaard typisch gereformeerd.

Een eeuw later gaat dat in het taalgebruik weer op, zij het dat ’calvinistisch’ theologisch gesproken bijna is leeggelopen. Volgens Peter Jan Margry danken we de identificatie aan ’medialisering’. Media hebben behoefte aan het omschrijven van identiteit en pakken daarvoor een ’versimpeld kernbegrip’: calvinistisch.

Hoe compleet die identificatie is geslaagd, bewijst een recent vraaggesprek met Mark Rutte in De Pers. De VVD-coryfee heeft zojuist opgebiecht dat hij te weinig naar een kerk gaat.

Journalist: „Calvinistisch, om te vinden dat u eigenlijk niet genoeg naar de kerk gaat.”

Rutte: „Ik ben een calvinist. Ik ben een Nederlander.”

De VVD’er krijgt dan het vreugdeloze cliché van de journalist voorgelegd. „Calvinisten kunnen geen feest vieren.” Rutte: „Ik kan enórm vieren. Ik ben een calvinist die kan vieren.”

De calvinist is geworden tot ’Nederlander’. Calvinist ben ik, ik ben trots op Nederland, maar diep in mijn hart is het ook iets wat ik niet wil zijn: bedompt en star.

Onder orthodox-protestantse historici wekt die identificatie ergernis. Nederland wás nooit calvinistisch en die negatieve lading heeft het begrip nergens aan verdiend.

Ze zien daarbij één ding over het hoofd. De term is ooit gemunt door lutheranen die de volgelingen van Calvijn ermee uitscholden. Calvijn was zelf onaangenaam verrast door het bijvoeglijk naamwoord voor wat hij als niets anders dan ’bijbels verantwoord’ beschouwde.

Zo herhaalt de geschiedenis zich, maar nooit helemaal. In Nederland zitten de meeste geestelijke nazaten van Calvijn en die van Luther gezellig in dezelfde kerk. En het epitheton ’calvinistisch’ heeft zijn godsdienstige lading grotendeels verloren. Maar het is wel weer een scheldwoord – precies zoals het was bedoeld.

Met dank aan Emiel Hakkenes

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden