Van gescheld naar gebed

Harmens: ¿Ik heb gedacht over het opgraven van mijn vader. Een horribel beeld, maar tegelijkertijd kon ik me voorstellen dat iemand het doet, als drang om de laatste illusie van een herrijzenis weg te nemen.¿ (FOTO ANP)

oh g u weet ik meende al de woorden niet die een ander me in

’Toen ik een jaar of twaalf was, sloop ik stiekem het huis uit om met een vriendje naar een bijbelclub te gaan. Mijn vader, die zich atheïst noemde, lachte mij daarover uit. Maar toen hij ziek werd, hield hij zich plotseling met het geloof bezig.”

Aan het sterfbed van zijn vader schreef de dichter Erik Jan Harmens (1970) de bundel ’Underperformer’. Het is een dichtbundel met meer woede dan verdriet, waarin een ik-persoon op een gegeven moment zegt: ’ik begin te geloven in een groot geschapen God die zich op deze mismaakten afrukt.’

In zijn nieuwe bundel ’Gospels en psalmen’ heeft Harmens, behalve dichter ook poëziecriticus van Trouw, deze uitspraak als een soort motto boven ’Psalm onder invloed’ gezet. Pal op dit citaat begint een ik-persoon te spreken: ’oh g u weet ik meende al de woorden niet die een ander me in/ de mond legde’.

’Psalm onder invloed’ lijkt een spijtbetuiging van een bekeerling.

Harmens: „Zo is de psalm niet bedoeld. Ik ben niet als Johnny Cash of Bob Dylan, die van het ene op het andere moment het licht zien. Dat is mij te Amerikaans. Ik hoef mij niet te bekeren, want ik ben nooit ongelovig geweest. In mijn bundel ’Underperformer’ heb ik God ervanlangs gegeven, niet om blasfemisch te zijn, mijn gescheld was oprecht.

Met ’Gospels en psalmen’ ga ik van het gescheld naar het gebed.”

Er is een verschil tussen de bundels: het gescheld was gericht aan ’God’, het gebed aan ’g’.

„Die kleine letter g is een uiting van mijn twijfel. Ik heb geen idee tegen wie ik het heb, daarom schrijf ik in een andere psalm: ’heer ik ben zo bang dat ik tot de verkeerde bid’.

Voor ik begon te publiceren, heb ik jaren alleen maar gedichten voorgedragen. Dan sta je in de felle spotlights, waarachter je een publiek vermoedt dat je niet kunt zien. Misschien is het er wel helemaal niet, sta je in de verkeerde zaal voor te lezen. Bidden is iets vergelijkbaars, alleen zou ik de metafoor nu willen omdraaien: bidden is spreken in een pikdonkere ruimte, waarvan je vermoedt dat er iemand in aanwezig is, maar je hebt geen idee wie dat is, wat die is, hoe die is. Sterker nog, je weet helemaal niet of je vermoeden van aanwezigheid ergens op stoelt.

Dat ik het over ’g’ heb, heeft nóg een reden. Hoe fel de lichten ook zijn, een publiek reageert op een gegeven moment. Bij ’g’ heb ik daar nog nooit iets van gemerkt. De psalm waaruit ik net citeerde, heet dan ook: ’rsvppsalm’, en in een ander gedicht varieer ik op psalm 23: ’Al gaat mijn weg door een donker dal ik vrees geen gevaar want/ u bent bij mij maar rsv rsvp’.”

Als u iets van een antwoord hoort of voelt, kan de initiaal worden uitgebreid met meer letters.

„Ja. Over deze uitblijvende reactie heb ik veel gecorrespondeerd met een dominee. Daarin heb ik ook altijd naar voren gebracht dat ik werkelijk niet begrijp waarom het vreemd is aan God, of aan een vertegenwoordiger van God, te vragen: ’RSVP, laat iets van je horen’.”

En zolang dat antwoord niet komt?

„Blijf ik mijn tussen-wal-en-schip-religie belijden, waarin ik God half afwijs en tegelijkertijd met open handen sta te wachten.”

Dat lijkt de hoofdpersoon uit dit gedicht niet te doen.

„Nee. Hoewel er in deze psalmen en gospels veel van mijn godsbeleving is terug te vinden, is de twijfel ook een thema van de poëzie, die ik op verschillende manieren uitwerk.

’Psalm onder invloed’ is een gedicht van iemand die het hopen moe is, hij is cassé, zoals de Fransen zeggen. Dit is een lied van een gebroken iemand. Eerst heeft hij God uitgescholden en nu breekt hij zichzelf al wenend af: ’hij is niet meer dan een goudbeviltstifte klomp/ het is de afdruk van uw evenbeeld in dit nooit meer krakend bed niet waard.”

Hij heeft geen enkel vertrouwen meer dat het ooit goed komt.

„Nee. Die ervaring komt vaker in de bundel terug. In het gedicht ’Gospel voor twee’ zegt de ik-figuur: ’kan ik worden opgepakt voor het opgraven van mijn vader’.

Die gedachte is werkelijk bij mij opgekomen na de begrafenis van mijn vader. Een horribel beeld, maar tegelijkertijd kon ik me voorstellen dat iemand het doet, als drang om de laatste illusie van een herrijzenis weg te nemen.”

Ook in deze bundel speelt uw vader een belangrijke rol.

„Met al zijn beperkingen, was mijn vader mijn grote gids. We keken op dezelfde manier naar de wereld. We waren samen eenlingen. Eigenlijk weiger ik me er bij neer te leggen dat hij er niet meer is. Hij was mijn man. Ik had ook zo graag van ’m willen horen wat hij van ’Gospels en psalmen’ vond. ’Niet onaardig’, zou hij waarschijnlijk zuinigjes hebben opgemerkt. Hoe zou hij de godscomponent beoordelen? Zou hij me geloven? Of critici me geloven maakt me geen donder uit, maar ik wil dat mijn vader me gelooft. Ook omdat zijn opvattingen over religie zo sterk afweken van de mijne. Hij nam mijn bezoekjes aan het bijbelclubje niet serieus, noemde zich atheïst, maar begon op zijn sterfbed over God en ook echt wel helemaal oprecht. Was er iets in hem gevaren? Of had hij in de jaren ervoor zijn religieuze gevoelens opzijgezet? En waarom dan? Daarom heet een van de gedichten in deze bundel ook: ’Gospel voor de atheïst die me op zijn sterfbed vroeg een fokkin dominee te regelen’.

Waarom heet dit gedicht een gospel en het andere een psalm?

„Ik heb de bundel ’Gospels en psalmen’ genoemd omdat ik een bundel met heilige liederen wilde maken.”

Heilig?

„Heilig in de zin dat ze naar de Heiland verwijzen, en dat ik tot op het bot ben gegaan. Deze liederen zijn volkomen eerlijk. De wat lyrischere, extatische, volle gedichten noem ik ’gospel’; de ’psalmen’ zijn ingetogener, verstild. Maar ik heb zeker niet geprobeerd de vorm zo na te bootsen dat dit nieuwe moderne varianten op de oude psalmen zouden zijn.”

En varianten op nieuwe psalmen van bijvoorbeeld Leo Vroman?

„Vroman ligt op mijn nachtkastje, die heb ik niet willen lezen voordat deze bundel uit zou zijn. Toch verwacht ik geen verwantschap aan te zullen treffen. Van de Nederlandstalige dichters en schrijvers die over God nadachten, voel ik me het meeste verwant aan de schrijver Marnix Gijsen, een keurige Belgische ambtenaar en hoogleraar, ook nog eens keurig katholiek opgevoed. Toch attaqueert hij God genadeloos, omdat hij niet opgewassen bleek tegen de horror van de holocaust:

Wanneer ik sterf en voor zijn troon zou staan, in ’t opperste gericht,

het hart vol razernij en onmacht, zal ik hem vragen:

’Gij die men goed noemt, hoe kondt gij het, hoe kondt gij het verdragen

dat twaalf miljoen oogen smeekend staarden naar uw stom en roerloos aangezicht?’

Weer die woede.

„Ja, dat besef ik. Maar die woede blijft bij mij maar het halve verhaal. Twee weken geleden overleed mijn oma. Op de begrafenis stond de dominee, met wie ik veel over het geloof heb gecorrespondeerd, naast de kist. Op een gegeven moment zegende hij het lichaam van mijn oma, en het leek werkelijk alsof er een bliksemflits uit de hemel kwam. De kracht van dat gebaar maakte grote indruk op mij.”

Is dat niet genoeg?

„Als toen de tijd bevroren had kunnen worden, was ik nu gelovig geweest.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden