VAN EROTISCHE BEZWIJMING NAAR MYSTIEKE EXTASE EN TERUG

Clarin, 'La Regenta', vertaling Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer, Uitg. Bert Bakker, 696 blz., 69,50, 1992. Op 7 april wordt in De Balie te Amsterdam een avond gehouden rond 'La Regenta', m.m.v. Maarten van Buuren, Jan van Luxemburg, Maarten Steenmeijer en Barber van de Pol. Dezer dagen verschijnt 'La regenta' van de Spaanse schrijver Clarin in een Nederlandse vertaling. Een lijvige naturalistische roman over een hysterische vrouw, verstrikt in de netten van macht en passie in een negentiende-eeuwse provinciestad. Hysterie was een geliefd onderwerp in romans aan het eind van de vorige eeuw. De nieuwe inzichten in de erfelijkheid, maar ook de anticlericale strijd tegen de overheersing van de kerk lieten zich er uitstekend mee verbinden. En ook het materialisme, dat met God, gebod en geestelijke verhevenheid de vloer aanveegde. "Ondeugd en deugd zijn produkten, net als vitriool en suiker," schreef de Franse denker Taine. Maar dat ging Clarin toch te ver.

MAARTEN VAN BUUREN

Hysterie was volgens Charcot een zenuwziekte, waarvan de acute vorm zich uitte in aanvallen die verliepen volgens een vast patroon dat door hem in talrijke tabellen, tekeningen en foto's werd beschreven. Zijn assistenten, spottend de 'charcoterie' genoemd, schreven dikke boeken over de ziekte volgens het door Charcot voorgeschreven model.

Maar wat was de oorzaak van de ziekte? Daarover waren de artsen minder stellig. Ze somden een lijst met oorzaken op die te zamen tot hysterie konden leiden. Dat kon bloedarmoede zijn: bij gebrek aan bloed komen de zenuwen bloot te liggen en worden overgevoelig; of degeneratie: die verzwakt het zenuwstelsel en treft met name de adel. Ook leeftijd was een factor: meisjes in de puberteit vormden de grootste risicogroep. En tenslotte hadden de moderne cultuur, vooral het drukke stadsleven, een kwalijke invloed.

De meest raadselachtige faktor was evenwel het geslacht. Bijna alle patienten waren vrouwen. Vreemd, want ook mannen hebben een zenuwstelsel dat overspannen kan raken. Waarom werden vrijwel alleen vrouwen getroffen? Dat komt, schreven de artsen, doordat vrouwen fijner bewerktuigd zijn. Ze zijn door de natuur begiftigd met organen (de baarmoeder) en functies (het krijgen van kinderen) die hen voor allerlei indrukken veel gevoeliger maken dan mannen. Volgens sommigen is hysterie dan ook niets anders dan het op de spits gedreven vrouwelijke temperament: "Hysterische vrouwen zijn vrouwelijker dan andere vrouwen," aldus een van de artsen.

In dat verband speelde afwijkend sexueel gedrag - onthouding of overmaat een niet geringe rol. De eerste was als oorzaak van hysterie al sinds de vierdeeeuwse Romeinse arts Galenus bekend, maar de veronderstelling dat ook een overactief sexueel leven tot hysterie kon leiden was van recenter datum. In het midden van de vorige eeuw vonden de artsen beide oorzaken even ernstig; nonnen en prostituees waren volgens hen de twee meest bedreigde sociale groepen.

Daardoor kwamen twee verschijnselen die tot dan toe tot de exclusieve competentie van de kerk hadden behoord in een medisch licht te staan: duivelse bezetenheid en mystieke extase. Charcot en de zijnen voelden zich sterk genoeg om deze bovennatuurlijk verschijnselen te verklaren als gevallen van hysterie.

Een medewerker van Charcot begon in 1882 met een 'Duivelse Bibliotheek', waarin hij processen van hekserij en bezetenheid publiceerde. Vele vrouwen die wegens omgang met de duivel waren gemarteld en terechtgesteld hadden aan de zorg van een arts moeten worden toevertrouwd, zo stelde hij vast. Ook de goddelijke inspiratie moest het ontgelden. De getuigenissen van Theresa van Avila, Catharina van Siena, Mme Guyon en vele anderen werden in de handboeken opgenomen als illustraties van de gevreesde ziekte. De medische wetenschap had in de hysterie het wapen gevonden om de strijd tegen de geestelijkheid aan te binden.

De literatoren uit de tweede helft van de negentiende eeuw waren buitengewoon in deze discussie geinteresseerd. Ze zagen er een dankbaar onderwerp in voor een spannende roman. De gebroeders Goncourt voerden hysterische vrouwen op als hoofdpersonen in Germinie Lacerteux (1864) en La fille Elisa (1877). Bij Germinie uit de kwaal zich in een sexuele razernij die haar te gronde richt; Elisa wordt prostitue om dezelfde reden.

Ook de hoofdpersonen uit romans van Leon Hennique (1879), Alphonse Daudet (1883) en Camille Lemonnier (1885) lijden aan hysterie, maar bij hen uit de ziekte zich in extatische visioenen; ze worden bovendien het slachtoffer van geestelijken die misbruik maken van hun kwaal. Zola's 'Verovering van Plassans' (1874) is een combinatie van beide thema's. Martha, de hysterische hoofdpersoon, raakt verliefd op priester Faujas, maar als die haar gevoelens niet beantwoordt, transformeert haar lichamelijke verlangen zich tot mystieke extase. Al deze schrijvers zijn verklaarde naturalisten of daarmee verwant. In Nederland schrijft Marcellus Emants met 'Juffrouw Lina' (1888) een roman over een hysterische dienstbode; en ook Frederik van Eedens 'Van de koele meren des doods' past in dat kader.

Waarom interesseren de schrijvers zich zo voor de ziekte? Om te beginnen geloofden ze dat het leven van de mens gedetermineerd wordt door wetten van afkomst, milieu en moment. Hysterici vormen een prachtig bewijs van die theorie: ze worden hoer of heilige door de onontkoombare werking van deterministische wetten, niet uit vrije wil en nog minder op grond van moraal. "Ondeugd en deugd zijn produkten, net als vitriool en suiker" , schreef de Franse filosoof en historicus Hippolyte Taine.

Hysterici pasten ook mooi in het doemdenken van de naturalisten. De ziekte komt immers voort uit een verzwakt zenuwstelsel: een onmiskenbaar teken van degeneratie en maatschappelijk verval. En tenslotte maakte de hysterische vrouw een gevaar zichtbaar dat de burgers vreesden als de pest: de invloed die de clerus uitoefende op hun hypersensibele echtgenotes. Jules Michelet had daar in 1845 al de vinger op gelegd ('Over de priester, de vrouw en het gezin').

La regenta, het zojuist vertaalde magnum opus van de Spaanse naturalist Clarin, pseudoniem voor Leopoldo Alas (1852 - 1901), sluit naadloos aan bij de fascinatie voor dat hysterie-complex. De hoofdpersoon, Ana Ozores, stamt af van een oud adellijk geslacht. Haar moeder sterft op jeugdige leeftijd, haar vader moet het land uit vanwege zijn radicale denkbeelden. Hij vertrouwt de zorg voor Ana toe aan een serpent van een gouvernante.

Ana zoekt troost in romantische fantasieen. Als ze tien jaar is, brengt ze met haar vriendje van twaalf een nacht door in een bootje, terwijl ze elkaar hun dromen vertellen. Het gebeuren wordt haar aangerekend als een onuitwisbare bezoedeling. Tegen deze druk is het toch al gevoelige gestel van het meisje niet bestand. Bij het aanbreken van de puberteit doen zich de eerste zenuwaanvallen voor die zich uiten in mystieke visioenen. Ze noteert haar indrukken in stamelende poezie en bezwijmt.

Een paar jaar later trouwt ze de oudere rechter Victor Quintanar. Maar ook al spreekt deze Ana teder aan als 'mijn duifje', verder gaat de intimiteit niet: de echtgenoten leiden hun eigen leven. Daarmee zijn alle ingredienten gegeven voor het drama waar Michelet zo bang voor was: een overzenuwde, maar beeldschone vrouw en een krachteloze, om niet te zeggen impotente echtgenoot. Het wachten is op de priester die van de situatie gebruik maakt.

Deze presenteert zich in de persoon van Don Fermin, een knappe en intelligente man, begenadigd spreker en gewetenloos machiavellist. Feitelijk oefent hij de macht uit over de plaatselijke geestelijkheid en is hij een eind op streek om de hele stad aan zijn invloed te onderwerpen, terwijl zijn moeder zich intussen op ongehoorde wijze verrijkt. Als Ana hem vraagt of hij haar biechtvader wil worden, grijpt Fermin de kans met beide handen aan. Via haar denkt hij invloed te kunnen krijgen op een belangrijke adellijke familie. Ana, van haar kant, vindt eindelijk begrip voor de mystieke aspiraties van haar ziel. Het probleem is dat ze niet alleen een ziel heeft, maar ook een lichaam. Dat heeft zijn eigen aspiraties en die mogen geen naam hebben, omdat ze zich richten op de plaatselijke dandy Alvaro Mesia.

Ana's onbewuste, maar heftige aandrang om aan de verleiding van deze man toe te geven botst op het al even onbewuste verbod daarop, dat - meer dan door haar huwelijkse staat - veroorzaakt wordt door haar jeugdtrauma,dat alle sexuele gevoelens in zonde en straf heeft gesmoord.

Die spanning ontlaadt zich in talrijke hysterische crises. Clarin maakt die aannemelijker dan de meeste van zijn 'wetenschappelijke' collega's. Hij beschrijft Ana's aanvallen als de lichamelijke uiting van een geestelijke spanning die voortkomt uit de onbewuste wens om zich te geven aan Mesia en het verbod dat daarop rust. Tien jaar na het verschijnen van Clarins roman zou Freud tot de conclusie komen dat een dergelijke spanning (en dus niet een ziekte van het zenuwstelsel) als oorzaak van hysterie moest worden beschouwd.

Fermin en Mesia komen als rivalen tegenover elkaar te staan. Ze vechten om het bezit van Ana met alle middelen die hun ter beschikking staan. En Ana? Ze laat zich nogal willoos heen en weer slingeren tussen wat ze beschouwt als de verheffing van haar ziel en de val van haar lichaam. Elke schermutseling met de duivel wordt gevolgd door een bezoek aan de biechtstoel van Fermin. Zo pendelt ze van erotische bezwijming naar mystieke extase en weer terug. De tweestrijd duurt lang.

Te lang naar mijn smaak. Na honderd bladzijden begint Ana danig te irriteren; na driehonderd bladzijden ben ik in staat haar naar een roman van Sade te transporteren om haar daar op alle mogelijke manieren te laten misbruiken. De schrijver komt voor een deel aan mijn perverse verlangens tegemoet. Enerzijds smaakt Fermin het genoegen Ana in een boetekleed en blootsvoets te zien deelnemen aan een processie. Anderzijds geeft Ana tenslotte toch aan Mesia toe.

Clarin publiceerde zijn roman in 1884-1885. Het boek heeft er bijna een eeuw over gedaan om de bekendheid te krijgen die het verdient. Het is aan Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer te danken dat het nu ook in een prachtige vertaling beschikbaar is voor de Nederlandse lezer.

La regenta sluit, zoals ik al zei, aan bij het naturalisme van Emile Zola. Er is een opvallende parallel tussen het boek en Zola's 'Verovering van Plassans' (1874). Ook die roman gaat over een priester die zich samen met zijn moeder in een provinciestad vestigt en daar alle macht aan zich trekt. En ook daar gaat een overzenuwde vrouw, die door de priester wordt gebruikt voor zijn politieke doeleinden, aan haar hysterie te gronde. Ook daar een provinciestad die, net als het Vetusta van Clarin (in werkelijkheid het Noordspaanse Oviedo), een afspiegeling vormt van de landelijke politieke en sociale verhoudingen.

Clarin was perfect op de hoogte van het werk van Zola en de zijnen; de invloed lijkt me onbetwistbaar. Toch is hij niet zomaar een volgeling van Zola. Daar zijn zijn ideeen te afwijkend voor. Clarin vond de tastbare werkelijkheid heel belangrijk, maar die vormde volgens hem maar een kant van de zaak.

De geestelijke, metafysische waarden vormden een andere, minstens zo belangrijke kant, en die werd volgens hem door de naturalisten ten onrechte veronachtzaamd. Clarins tweeledige perspectief, waarin aandacht voor de fysische en de metafysische werkelijkheid hand in hand gaan, verklaart waarom het determinisme bij hem een ondergeschikte rol speelt en waarom de intrige in diepste wezen romantisch van aard is.

De Romantiek (ik denk hier aan het romantische manifest van Victor Hugo) stelde zich de mens voor als speelbal van twee tegengestelde principes. Het ene kluistert hem aan het vlees, de lusten en hartstochten en wortelt in de aarde; het andere is onsterfelijk en draagt hem op vleugels van enthousiasme naar de hemel. Het is dat conflict tussen lichaam en geest, aarde en hemel, duivel en God, dat Ana innerlijk verscheurt.

De kracht van La regenta schuilt erin dat dat romantische conflict gesitueerd wordt in een zeer realistische context. De hoofdpersonen dragen hun problemen rond in een alledaagse, naar het leven getekende omgeving. Ana raakt al mijmerend verzeild in de pantoffelparade waarin arbeiders en ateliermeisjes hun best doen om burgerheertjes en -dametjes te imiteren. Don Fermin heeft tijdens de kerstnacht dienst in de kerkpatrouille die moet zorgen dat het gedonderjaag op de achterbanken niet de spuigaten uitloopt.

De hoofdpersonen worden voortdurend omgeven door stadgenoten die met een scherpe pen worden beschreven, zoals de emeritus hoogleraar psychologie die een fervent liefhebber is van de Schotse school van Thomas Reid en van thuisgemaakte worstjes; of de dichter die treurzangen schrijft waarvan de ene versregel zich op de andere stapelt, "een gebrek dat ook zijn tenen vertoonden" .

Die realistische, vaak groteske werkelijkheid staat in eigenaardig contrast met Ana's worsteling met Goed en Kwaad. Die strijd zelf wordt door de context gedegradeerd, want Fermin is zeker geen engel, zoals Ana na verloop van tijd merkt, en Mesia geen duivel: hij is zelfs niet slecht, eerder oppervlakkig.

En Ana zelf? Zij voelt zich de inzet van een strijd tussen God en duivel; ze voelt zich verwant aan de romantische heldinnen die haar voorgingen. Maar in 1885 is de tijd van de helden voorbij. Ana is uiteindelijk alleen maar hysterisch. Een chique ziekte, zeker, een ziekte die haar interessant en aantrekkelijk maakt, maar toch: een ziekte.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden