’Van een hoer een maagd maken’

Dichteres Ewa Lipska. Binnenkort verschijnt ook de Nederlandse vertaling van haar roman Sefer. ( FOTO MARK KOHN)Beeld mark kohn

De Poolse dichteres Ewa Lipska is te gast op het Poetry International Festival in Rotterdam. In haar werk kijkt ze met een kritische blik naar de wereld. „De mensheid maakt steeds dezelfde fouten.”

Rotterdam is een week lang het poëtisch centrum van de wereld: vanavond begint daar het 41ste Poetry International Festival. Gevestigde dichters en jong talent uit landen als Soedan, Afghanistan, Noorwegen en de Verenigde Staten dragen er uit eigen werk voor.

Eén van de prominente gasten is de Poolse dichteres Ewa Lipska (1945). We spreken elkaar in Amsterdam. Een plaats waar, zoals Lipska het formuleert, de hele wereld bij elkaar komt. Zeker op het Spui, waar ze twee weken verblijft in het schrijvershuis. Een rustige locatie op een historische plek.

„Ik hou van oude plaatsen, het heeft iets bijzonders om te lopen in de voetsporen van de afwezigen. Na de politieke omwentelingen in Polen woonde ik een tijd in Wenen. Ik ging daar vaak koffiedrinken in zo’n mooie Konditorei. Dan zat ik daar met m’n ogen dicht en voelde me omringd door Oskar Kokoschka, Robert Musil, Arthur Schnitzler of Thomas Bernard.”

Ze verontschuldigt zich voor haar ’schnapps bariton’, ze heeft last van haar keel. Als vertaler Ad van Rijsewijk arriveert, schakelt ze van het Duits over op het Pools. Het gesprek is geanimeerd, al stemmen de onderwerpen soms minder vrolijk. Net als haar poëzie, waarmee ze in de jaren zestig debuteerde, in het communistische Polen.

„Poëzie was enorm belangrijk voor ons in die tijd, juist omdat we in het dagelijks leven zo beperkt waren. We hadden er een sport van gemaakt om allusies te bedenken waarmee we de censuur konden omzeilen. Maar makkelijk was het niet om een bundel uitgegeven te krijgen, je moest soms wel twee jaar wachten.”

Haar debuut verscheen vrijwel gelijktijdig met dat van dichters als Adam Zagajewkski en Ryszard Krynicki. Maar Ewa Lipska heeft nooit bij een stroming of beweging willen horen. De plaats van de buitenstaander is haar lief. „Afstand houdt je blik scherp.”

Met die afstandelijke blik kijkt ze kritisch naar de mens. Zijn doen en laten legt ze vast in haar gedichten. Vaak met ironie. Haar gedichten werden, zeker in het begin, nogal eens vergeleken met die van Nobelprijswinnares Wislawa Szymborska. Zelf ziet Lipska die overeenkomsten minder: „We hebben een andere kijk op de wereld. Wislawa kan de dingen aanvaarden. Ik niet.”

De poëzie van Lipska is sceptischer, bijtender ook dan die van Szymborska. ’In de kazernes van nieuwe misdaden // verstommen engelenkoren ten einde raad’, schrijft ze in een van haar gedichten.

„Het mechanisme dat de mens richting geeft, dat blijft me fascineren. De mensheid maakt steeds dezelfde fouten, we blijven altijd ’Mensen voor beginners’ (titel van gedicht van Lipska, jm). Iedereen kan een misdadiger zijn. De omstandigheden kunnen mensen tot slechte dingen aanzetten. Kijk naar nazi-Duitsland.

Ook zo’n economische crisis kan enorme gevolgen hebben. Wellicht ben ik toleranter geworden tegenover de wereld, hoopvol ben ik niet. Er komt weer een oorlog. Ik hoop niet in onze tijd, maar hij komt en hij begint ergens in een of ander dwaas land. Noord-Korea of zo.”

Sceptisch klinkt ook wat ze schrijft over het verenigde Europa. ’Het Europa van een eeuw die op zijn einde loopt, doet hem denken aan een wolkenkrabber. Een steeds groter wordende menigte in een trappenhuis’. Waarom zo somber?

„Europa is een groot dorp. Dat is prettig. Alles is onder handbereik. Tegelijk nemen de spanningen toe. Polen bijvoorbeeld, is nu nog een homogeen land. Er staan geen moskeeën, maar ik benieuwd wat er gebeurt als iemand er een wil bouwen. Nederland zie ik nog altijd een van de tolerantere landen en toch is hier Theo van Gogh vermoord.”

Voor Lipska is het vanzelfsprekend om zich rekenschap te geven van de geschiedenis. Alledaagsheden plaatst ze in een politiek of maatschappelijk verband. Jeugdherinnering raken vervlochten met de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog. Geëngageerd zijn is voor haar geen houding, maar noodzaak.

„Ik wil schrijven over de tijd waarin we leven. Ik schrijf over de problemen van de civilisatie omdat ik dat belangrijk vind. Engagement kun je niet opgelegd krijgen, zeker niet als je, zoals ik, een tijd hebt meegemaakt waarin bijna letterlijk voorgeschreven werd wat wel en niet in een gedicht mocht. Dan krijg je kunst op bestelling.”

Over die beschaving is ze evenmin vrolijk gestemd. Ze vreest McDonaldisering, de teloorgang van de cultuur. „We leven in een cultuurindustrie. Cultuur heet tegenwoordig ’levensstijl’. Het verbaast me soms dat er nog poëzie wordt uitgegeven en dat er mensen naar festivals als Poetry International komen.”

Toch gaat Lipska graag met haar tijd mee. Een televisie heeft ze niet, maar haar poëzie geeft blijk van interesse voor nieuwe technologische snufjes: ’We sluiten ons wonderkind / aan op het net. // Ericsson zoonlief / bid tot de satelliet.’

„Jawel, ik houd van die nieuwe vondsten, ik wil alles heel graag zien. Ik ben ook vóór het e-book, zolang het het papieren boek maar niet vervangt. Ik ben alleen bang dat we met die snelle ontwikkelingen onderweg iets verliezen. Kunst heb ik nodig. Om Novalis te citeren: ’Poëzie geneest wonden die het verstand veroorzaakt’. Literatuur is er om van de straat iets moois te maken, om van de hoer een maagd te maken.”

Tijdens Poetry International leest haar gedichten in een programma waarin ook Szymborska leest. Die laatste op film: een voorproefje van een Nederlandse documentaire over de Nobelprijswinnares. De beide dichteressen zijn al zo’n veertig jaar bevriend. Lipska vertelt daags voor de Nederlandse Tweede Kamerverkiezingen een toepasselijke anekdote: „In de tijd dat onze mannen nog leefden gingen we vaak samen vissen. Een hele ceremonie maakte Wislawa daarvan. Zelf bekommerde ze zich altijd om het vuur. Het was vaste prik om te gaan vissen als er verkiezingen waren. Daar wilde ze niks mee te maken hebben.”

Het is de vraag hoeveel poëzie ze nog zal schrijven. In het najaar verschijnt de Nederlandse vertaling van haar eerste roman Sefer. Ze schreef ook een toneelstuk. „Ik probeer andere literaire vormen uit. De poëzie biedt me niet genoeg ruimte meer. Wat ik wil zeggen past niet meer in een gedicht.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden