'Van een bijzondere bejegening heb ik nooit iets gemerkt'

DEN HAAG - Henry Blackmon weet nog precies wanneer en waar het begonnen is. Hij zat op de highschool, maar spijbelde bij het leven. Een jongen uit een arm gezin was ie, zeg maar rustig een heel arm gezin - dus leren hoefde van hem niet zo nodig.

HARO HIELKEMA

Z'n moeder wist niet dat hij de lessen verzuimde, anders had er wat voor hem gezwaaid. Zij werkte zich als dienstbode bij blanke mensen uit de naad om haar gezin in leven te houden, haar man was hem gesmeerd en zoonlief zat daar met een van zijn kameraden op de spoorweg, een hangplek voor zwarte jongelui in die tijd.

Ze praatten een keer over het koor van de highschool. Elke highschool in Amerika heeft een koor, zegt Blackmon ter verduidelijking. Een koor was eigenlijk iets voor blanken, vond hij. Maar af en toe ging dat koor van hun highschool op reis. Waaauw! Leren was niks, school was niks en zingen was waarschijnlijk ook niks, maar af en toe op reis! Af en toe weg uit dat grauwe bestaan van North-Carolina, waar mensen als Henry Blackmon en zijn familie niet meetelden omdat ze colored waren.

“Ik kan zingen”, zei Henry tegen z'n vriendje. Niet dat ie het ook deed, maar 'iedereen die z'n mond open kan doen, kan ook zingen', had zijn leraar op de lagere school gezegd. En zo krabbelde jonge Henry (een jaar of twaalf) op die spoorbaan overeind, ging naar school en meldde zich met die boy-stem van hem bij het koor. Hij werd toegelaten en binnen drie weken zong hij z'n eerste solo: 'Drink to Me'. En, zegt hij: “Vanaf dat moment heb ik nooit één les meer gemist.”

Deze week wordt Henry Blackmon 75 jaar en afgelopen zaterdag fêteerde de Amerikaanse protestantse gemeente in Den Haag hem, omdat hij al veertig jaar het kerkkoor dirigeert. Hij is er zelf verbaasd over. Z'n wieg stond in een negerhut, als je tenminste van een wieg mocht spreken. Een muzikale opvoeding heeft hij nooit gehad. Moeder zong wel graag, maar voor een opleiding was geen geld. Vader was analfabeet en heeft hem op muzikaal gebied niets nagelaten. En toch heeft Henry een rijk muziekleven achter zich: daar in die American Protestant Church in Den Haag, maar ook op de beste concertpodia in Nederland en andere Europese landen.

Nadat hij in de jaren vijftig naar Nederland overwaaide en hier bleef hangen, stond hij naast Jo Vincent op de solistenrij. Hij heeft als bas-bariton de schijnwerper gedeeld met Elly Ameling en Annette de la Bije. Lastige passages als 'Eilt! Eilt!' uit de 'Johannes Passion' heeft hij gezongen naast zangpartners David Hollestelle en Max van Egmond. En hij wordt helemaal lyrisch als hij de naam van Herman Schey noemt, de beste 'Christuspartij' die Blackmon kent - “Klonk met z'n tachtigste nog als een klok, beautiful!” Of als hij aan Aafje Heynis denkt: geen zangeres kan haar in bezieling en gevoeligheid evenaren, meent Blackmon.

Thuis heeft hij alle programma's en recensies van die optredens bewaard. Een 'flonkerend talent' werd hij in de jaren vijftig en zestig genoemd, een 'begenadigd zanger' en een 'groot kunstenaar'. Hij heette een 'zwarte parel' tussen de crème de la crème van de Nederlandse solisten. In elke zangtempel waar hij optrad, zoals de vorstelijke kerken van Zwolle, Gouda, Den Haag of Delft, was hij ook een opvallende figuur, want zwarte zangers kende Nederland in die tijd nog nauwelijks - zeker niet in het klassieke genre. “Het publiek zal wel hebben opgekeken, maar van een bijzondere bejegening heb ik nooit iets gemerkt. Laat staan van discriminatie.”

Hoe hij hier kwam? Dat is een lang verhaal en lang geleden. Eerst de oorlog. Henry Blackmon had net een jaartje gestudeerd, toen hij werd opgeroepen voor dienst. Hij moest naar Europa, waar de geallieerde invasie op handen was. Zijn eerste klus was de berging van de doden op en rond de stranden van D-day in Normandië. “Veertien dagen na de invasie werden wij als zwarte soldaten ingezet. Naar werk? Ach, je dacht er niet aan. De blanken gingen over het vechten, wíí kwamen daarna om de slachtoffers te ruimen. Dan haalde je bij een dode de identificatieband er af en bracht hem weg. Eerst op het strand, maar later trokken we step by step van het ene dorp naar het andere. Ook hielpen we bij de bevoorrading van benzine en voedsel. En maar lopen, miles and miles. Ondertussen zong ik. Door Frankrijk, door België, ook door Nederland.”

In de winter van 1944 bivakkeerde Blackmon in de Ardennen. “Bastogne, helemaal platgeschoten. De kerstviering voor de negro-troops was in een tent. Ik was gevraagd om te zingen. Jaren later wilden ze die dienst daar nog eens overdoen en hebben ze mij opgespoord. Heb ik weer gezongen.”

Als oorlogssoldaat kwam hij bij terugkeer in de Verenigde Staten in aanmerking voor een studiebeurs. Hij meldde zich op Howard University in Washington DC, de belangrijkste zwarte universiteit, studeerde muziek, volgde in de zomer lessen in Latijn, Duits en Italiaans en bekostigde dat alles door een baantje als taxichauffeur. Hij haalde zijn diploma (Bachelor of Music) en kreeg een baan als muziekleraar op een school in Raleigh, de stad waar hij was opgegroeid. Hij werd ook lid van het kerkkoor en deed mee aan een talentenjacht. Het leverde hem een rol op in de opera 'Porgy and Bess': ruim een half jaar ging hij mee op toernee door Mexico, Polen, Rusland, Scandinavië en in 1953 ook Nederland. “In Den Haag was dat, in het oude KNW-gebouw. Als ik vrij was, ging ik naar de kerk en zong mee met het koor. Ik werd gevraagd mee te zingen op een receptie. Blijkbaar was het wel naar hun zin, want eenmaal terug in Amerika kreeg ik een uitnodiging om in Diligentia een recital te geven. Dat was mijn debuut. Vervolgens werd ik gevraagd voor een toernee door België, Duitsland en Polen en uiteindelijk belandde ik weer in Den Haag.”

Hij bleef hier hangen, trof een Nederlandse vrouw met wie hij trouwde, en verzeilde in het circuit van zangsolisten. Zijn eerste 'Matthaüs Passion' was in Zwolle, Max van Egmond herinnerde zich dat onlangs nog in Het Parool. Blackmon, aangetrokken voor de Christuspartij, was verlaat (“'Lekke band' roept de Amerikaan. De man van de ANWB heeft de kerk nog gebeld”) en Van Egmond zou diens partij er in eerste instantie bijdoen. “Wat gebeurt er?”, vertelt Van Egmond. “We zijn net bij het laatste avondmaal gekomen en ik heb zojuist Nehmet, esset, das ist mein Leib gezongen, daarna heeft de evangelist een zinnetje en vervolgens komt Jezus weer met Trinket alle daraus, das ist mein Blut. En die regel werd dus gezongen door die pikzwarte Henry Blackmon, die zojuist het podium was opgeduwd. De plotselinge transfiguratie van de Christus moet voor het publiek een waanzinnige gewaarwording zijn geweest.”

Blackmon grijnst bij het citaat. “Dat is zo. Maar mijn vrouw, die in het publiek zat, heeft gezien dat ik, vóór ik begon te zingen, eerst mijn ogen dicht gedaan heb en gebeden heb - wat ik altijd doe, of het nu een recital is of een oratorium. Ik geloof in de sterkte van boven.”

Vele passionen zijn gevolgd, ook vele andere werken. De aria's uit de grote passies van Bach had hij in Amerika ingestudeerd, Hündel ook, en Mahler. Maar de meeste muziek moest hij zich hier eigen zien te maken. “Zonder hulp. Ik gebruikte vaak een plaat van een heel beroemde uitvoering. Bijna alles was nieuw voor mij. En maar luisteren en luisteren. Ik heb heel wat krassen in mijn grammofoonplaten gekregen, omdat ik steeds maar weer die arm van de pickup optilde en ergens op de plaat neerzette.”

Eén zangpedagoge heeft Blackmon gehad, in Rotterdam, maar daar was hij zelf niet erg enthousiast over. “Ik moest mijn techniek veranderen. In Amerika had ik geleerd om alles hoog te houden, hierboven in de holten van je voorhoofd. Dat moest anders. Die zanglerares vond dat dames moesten zingen zoals ze een baby op de wereld brengen en mannen zoals ze op een stoel zitten. Naar beneden duwen dus. Dat was geen succes, ik ging detoneren, dat las ik ook in de recensies. Ik ben toen mijn eigen weg weer gegaan. Ik vind dat je moet zingen op de ademtonen, gesteund door het middenrif. Tot vandaag heb ik nog steeds niet te klagen over mijn stemtechniek. M'n stem is hoger geworden, dat wel. Ik zou een aantal aria's uit de 'Matthaüs' niet meer halen, maar voor de rest gaat het nog prima.”

Soleren doet hij al geruime tijd niet meer, Bachcantates zingen in de Haagse Kloosterkerk (zoals vroeger met Gerard Akkerhuis) evenmin. Hij is ook gestopt met een koor in Maassluis, dat zich uit bewondering voor de dirigent het Henry Blackmon-koor heeft genoemd. Maar in de Amerikaanse protestantse kerk staat hij nog steeds elke zondag voor zijn koor. En hij is niet van plan daar mee te stoppen. “Muziek is my life.” Al is het wel klassieke muziek. Jazz vindt hij leuk voor een feestavondje. Spirituals laat hij zijn koor zelden zingen: “Ik vind dat tamelijk beperkte muziek. Als ik er een paar gezongen heb, word ik er trouwens hees van. Je moet er zo bij duwen. Nee, geef mij maar een moeilijk stuk. Het hoeft niet altijd Mozart of Haydn te zijn, een mooie anthem mag ook, Schubert of Mahler, of iets moderners - van Rutter of zo. Als het maar een uitdaging is, als het koor zich maar naar een hoger peil laat trekken.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden