van doorn / Zet gemengde wijken niet bij oud vuil

Het valt niet mee om in wijken mensen met een diverse achtergrond te laten wonen. Is het onmogelijk? Nee. Maar houd dan wel een klein beetje rekening met de gevoelens van de middenklasse.

Gemengde wijken creëren frustraties, berichtte Trouw vorige week naar aanleiding van een rapport van de Stichting Atlas voor Gemeenten. Gesignaleerd werd dat hogere inkomensgroepen wel graag in de stad wonen, maar niet naast arme mensen. De middenklasse ziet liever geen sociale experimenten in hun achtertuin. De arme groepen zelf zouden ook niet zitten te wachten op succesvolle buren. Hun nabijheid bezorgt vooral een gevoel van achterstand. Conclusie: niemand wordt vrolijk van gemengd wonen en het stedelijk beleid om achterstandswijken te mengen is een mission impossible. Deze gevolgtrekking voert echter veel te ver. Of beter gezegd: het is maar het halve verhaal.

Op zichzelf is het goed om het dogma van menging te relativeren. Al in 2000 constateerden wij in onderzoek dat gemengd bouwen nauwelijks spontaan leidt tot gemengd leven. Er is sindsdien weinig wetenschappelijk onderzoek verschenen dat duidt op warme banden tussen arme en rijke buren. De bekende Amerikaanse socioloog Putnam stelde vorig jaar zelfs dat hoe groter de diversiteit van wijken is, des te lager het sociale vertrouwen en hoe meer mensen zich terugtrekken in eigen kring. Is het dan allemaal somberheid wat de klok slaat? Nee, ook dat is een overdreven beeld.

Uit mede door ons verricht onderzoek in het Rotterdamse Hoogvliet blijkt dat nogal wat bewoners op achterstand blij zijn met de komst van een middenklasse. Niet zozeer omdat die zich in groten getale om hen bekommeren, maar vooral omdat de armere bewoners niet langer met de nek worden aangekeken om de ’slechte’ wijk waar ze vandaan komen. Ze krijgen door de komst van middengroepen een rustiger omgeving waar hun kinderen veiliger kunnen opgroeien. Arme groepen, die voorheen geïsoleerd woonden, hebben het gevoel dat de vernieuwde en gemengde buurt hun kansen biedt.

Daar komt bij dat niet in alle gemengde wijken de bewoners met de ruggen naar elkaar toe staan, zoals Putnam veronderstelt. Bewoners van de gemengde Amsterdamse wijken Oud-West en Westerpark zijn juist heel tevreden over hun buurt. Zelfs net zo tevreden als de inwoners van de soort-zoekt-soort-stadsdelen Centrum en Zuideramstel. Niet elke ’hardwerkende Nederlander’ is kennelijk bang voor bewoners op achterstand.

Die bevinding intrigeert. Wie zijn deze mensen die positief aankijken tegen menging? Doen ze ook echt iets voor arme buren? In twee onderzochte vernieuwingswijken in Amsterdam (Geuzenveld en Bijlmer) zagen wij dat dergelijke idealisten te vinden zijn onder twee soorten middengroepen. Allereerst – misschien niet zo heel verrassend – zijn dat mensen met beroepen in de zorg en met name in het onderwijs. Zij nemen een neiging om te helpen mee van hun werk naar de eigen buurt.

De tweede categorie sociaal invoelende ’helpers’ is vooral te vinden in de zogenaamde creatieve klasse: bijvoorbeeld ontwerpers, kunstenaars en mediawerkers. Veel lokale politici hebben hooggespannen verwachtingen van de komst van ’creatieven’, en tot onze verrassing is dat deels terecht.

Daarentegen vonden we weinig aanwijzingen dat succesvolle allochtonen zich inspannen voor achterblijvers uit hun ’eigen’ groep. Een mogelijke verklaring is dat veel opklimmers uit etnische groepen vooral bezig zijn met hun eigen carrière. Zij lijken eerder te passen bij de groep middenklassers die zich bedreigd voelt door menging en weinig opheeft met ’pamperen’.

Om de hele middenklasse neer te zetten als bangig en in zichzelf gekeerd is dus onterecht. Dit laat onverlet dat de slag in de achterstandswijk niet te winnen valt met een beperkte groep idealisten – of zoals de WRR ze noemt ’integratiepioniers’. Daarvoor zijn ook georganiseerde initiatieven nodig. Welzijnswerkers moeten via subtiele regie contacten stimuleren tussen middengroepen en achterblijvers: op de gemengde basisschool, op de Cruyff-court, in de nieuwe wijkaccommodatie, via mentorprojecten etcetera.

Bovendien moeten middenklassebewoners de garantie hebben dat ze door menging niet naar ’beneden’ worden getrokken. Dat betekent dat hun aantal in de wijk niet te klein moet zijn. Een garantie dat op gemengde scholen de middenklasse domineert, zal al veel mensen over de streep kunnen trekken.

Het is niet realistisch om van het mengen van wijken wonderen te verwachten, maar het is even onzinnig om menging helemaal af te schrijven. Initiatieven om segregatie in wonen en onderwijs tegen te gaan, verdienen wel degelijk steun.

De column van J.A.A. van Doorn verschijnt deze week niet wegens ziekte.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden