van doorn / Verlichting als voorlichting

In Trouw van deze week woensdag trof mij een artikel van Inez Polak die vanuit Jeruzalem melding maakt van het bezoek van een aantal Nederlandse docenten die zich op de hoogte kwamen stellen van de Holocaust. Naar uit het bericht blijkt, hopen zij zich, met die kennis gewapend, beter te kunnen weren tegen het in Nederland groeiende antisemitisme en racisme, inclusief islamofobische tendenties.

Eerlijk gezegd vroeg ik mij bij lezing van het stuk af of je voor informatie over de Holocaust speciaal naar Israël moet reizen. Zijn we in Nederland al niet tientallen jaren lang volledig op de hoogte van de gruwelen die achter deze korte term schuil gaan? Iets dieper ging mijn twijfel over de bespreking van de Holocaust in klasverband, tenzij in nogal algemene termen die als zodanig schokkend genoeg zijn maar door veel kinderen zullen worden ervaren als de zoveelste les in oude geschiedenis.

Of durft men het aan, in detail te behandelen wat er in de vernietigingskampen en bij de massa-executies van joden in Oost-Europa voorviel? Ik zou er ten overstaan van jonge kinderen voor terugschrikken.

Het zijn overigens reserves die mijn waardering voor het initiatief niet aantasten. Het punt is namelijk dat, nogal naïef van mijn kant, mij ineens duidelijk werd hoe cruciaal het is dat scholen zich nadrukkelijk bezighouden met veel voorkomende verschijnselen als discriminatie van minderheden, vrees voor vreemdelingen en stereotype oordelen over afwijkend cultureel en religieus gedrag. Sterker nog: wie onderwijs actualiteitswaarde wil verschaffen, kan momenteel nauwelijks een passender thema bedenken.

Een gemakkelijk onderwerp is het niet. Dat veel scholen een etnisch en religieus gemengde bevolking kennen, lijkt op het eerste gezicht een voordeel, maar het lokt bijna per definitie persoonlijke reacties uit die de gewenste, ’objectiverende’ behandeling van het probleem lelijk kunnen frustreren.

Hetzelfde geldt van pogingen aan te knopen bij de discussies die over deze materie in de media breed worden geëtaleerd.

Ze geven ongetwijfeld aanleiding tot zakelijke relativering, maar wie bijvoorbeeld in aanmerking neemt dat de lezers van De Telegraaf het voor een kwart met Geert Wilders eens zijn en voor een andere kwart Rita Verdonk bewonderen, moet als docent vrezen tegen heel wat rauwe meningen te moeten opboksen.

Misschien gebeurt het al en sla ik de plank mis, maar wat mij verkieslijk zou lijken is het reserveren van deze onderwerpen voor speciale, vakmatig uitgewerkte lessen, alleen in de hogere klassen te geven. De stof kan rechtstreeks betrokken worden uit wetenschappen als de culturele antropologie en de massapsychologie en uit delen van de sociologie en de geschiedenis, waarin een macht aan boeiend en aansprekend materieel gereed ligt.

Al even nuttig zou het zijn een paar capita te lenen uit de filosofie, in het bijzonder uit de formele logica, aan de hand waarvan gedemonstreerd kan worden hoe vaak emoties en vooroordelen een onnodig vervuilende invloed uitoefenen op het publieke debat. Het kunnen uitdagende lessen worden, omdat de regels die tot zuivere redeneertrant leiden vaststaan en met geen mogelijkheid onderuit zijn te halen.

Ik geef toe dat deze benadering van de concrete actuele problematiek nogal schools en abstract aandoet. Misschien sta ik onder invloed van een persoonlijke ervaring die ik lang geleden, ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, op school heb opgedaan. Wat mijn leraar aardrijkskunde namelijk presteerde, was een redelijk uitvoerige behandeling van de Duitse rassentheorie, tot en met de onderscheiding tussen diverse soorten van haargroei en vorm van de schedel. Nog steeds kan ik me moeilijke termen herinneren – brachycefalen (kortschedeligen) en dolichocefalen (langschedeligen) – de laatste in de ogen van de Germaanse broeders het favoriete rastype.

Het knappe van die lessen zat in de aanpak door de leraar: in het zijnerzijds bijna geheel achterwege laten van zijn persoonlijke mening over deze curieuze theorieën. Terecht ging hij ervan uit dat zijn leerlingen het even lachwekkende als perverse van een dergelijk mens- en maatschappijbeeld doorzagen en spontaan zouden verwerpen.

Overeenkomstige exercities lijken mij ook vandaag de dag mogelijk en wenselijk. Er wordt door publicisten die krom staan van de meest primitieve vooroordelen inzake culturen en religies, vaak met opgetogenheid verwezen naar de zegeningen van de Verlichting die ons zo herrlich weit gebracht hebben. Maar het was diezelfde Verlichting die in de negentiende eeuw een reeks mens- en maatschappijwetenschappen tot bloei bracht die voor het eerst in de geschiedenis de traditionele Westerse superioriteitsaanspraken op grond van feitelijk onderzoek relativeerden. Het is deze mentale erfenis die niet verloren mag gaan. Reeds de jeugd dient er mee bewapend te worden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden