van doorn / Het joods-christelijk misverstand

Het is al vrij lang geleden dat een interview zo snel en zo fel een storm van reacties opriep. Ik doel natuurlijk op de uitspraken van minister van integratie Ella Vogelaar over de toekomst van de islamitische gemeenschap in ons land, vorige week in Trouw verschenen en nu al een mijlpaal in de publieke discussie over het culturele profiel van het Nederland van morgen.

Het was overigens niet allemaal doordacht wat Vogelaar zei. Ze had kunnen volstaan met de stelling dat de grote en groeiende islamitische minderheid op de duur uiteraard invloed zal uitoefenen op de manier van denken en doen in ons land. Die invloed valt alleen te blokkeren door onze moslims voorgoed het kiesrecht te ontnemen en te beroven van grondrechten zoals vrije meningsuiting, vereniging en vergadering. Wie het gebrul van Geert Wilders serieus neemt, krijgt inderdaad de indruk dat hij bereid is zover te gaan. Een norm in de moderne geschiedenis van ons land.

Inmiddels zijn er over de kwestie al zo veel verstandige dingen gezegd, dat het moeilijk is niet in herhaling te vervallen. Om die reden zou ik mij willen bepalen tot met name één aspect, te weten het slordige gebruik van de uitdrukking ’joods-christelijk’, door Vogelaar gehanteerd en zelfs met ’islamitisch’ uitgebreid.

Om te beginnen is van verschillende kanten opgemerkt dat joods-christelijk een kort geleden bedachte combinatie is, niet vrij van politiek opportunisme. Pas na de Tweede Wereldoorlog, schreef Willem Breedveld in zijn rubriek, ontdekte het christendom zijn joodse wortels en ging, ’bij wijze van goedmakertje’ over onze joods-christelijke cultuur spreken. De Nijmeegse hoogleraar Raedts sprak, in gelijke trant, van ’een doekje voor het bloeden’ en de Joodse columniste Anet Bleich ging zelfs zover de toevoeging ’joods’ een overbodig en ’hypocriet toevoegsel’ te noemen.

Ernstiger dan het opportunisme is de hoogst ongelukkige verbinding van het combinatiebegrip met onze ’kernwaarden’, zoals VVD-fractievoorzitter Mark Rutte het in de Volkskrant wenste te noemen, waaronder hij met name ’de gelijkheid van mannen en vrouwen’ verstond.

Nu laat ik in het midden dat juist deze ’kernwaarden’ in Nederland nog geen halve eeuw zijn erkend, waarmee we de eeuwen van politieke beschaving die eraan vooraf gaan, volgens Rutte maar moeten afschrijven. Veel gekker is dat het nu juist niet het jodendom en christendom zijn geweest, die deze gelijkheid hebben bewerkstelligd maar seculiere ideologieën als het liberalisme en socialisme, stammend uit de religievijandige Verlichting. Rutte heeft blijkbaar geen benul van de politieke traditie waarin hij zelf staat.

Dat vrijzinnige vertegenwoordigers van jodendom en christendom zich inmiddels bij de erkenning van seksegelijkheid hebben neergelegd, is van secundair belang. Religies moeten beoordeeld worden naar hun orthodoxe kern, wat in dit geval noopt tot erkenning van de harde waarheid dat het judaïsme evenals het katholicisme en de gereformeerde variant het protestantisme de gelijkheid van man en vrouw nog altijd principieel verwerpen. Orthodoxe rabbijnen en katholieke priesters zijn altijd mannen en hoe de SGP over de politieke rechten van vrouwen denkt, behoeft geen toelichting. Dat Rutte deze SGP tegenover minister Vogelaar in bescherming neemt, laat overduidelijk zien hoezeer zijn islamofobie zijn oordeelsvermogen lelijk begint aan te tasten.

Dat bij de rechtvaardiging van onze politieke ’kernwaarden’ ten onrechte een beroep wordt gedaan op de ’joods-christelijke traditie’, is overigens slechts één bezwaar. Evenmin overtuigend is de stelling dat zowel het jodendom als het christendom – op gelijke voet, lijkt men te willen zeggen – onze Nederlandse traditie of beschaving heeft getekend. In dit opzicht verschillen de beide componenten fundamenteel.

Het christelijk stempel van onze Nederlandse cultuur – van heel de Europese cultuur – is onmiskenbaar aanwezig. Weliswaar lopen de kerken leeg en is Kerstmis een vreetfestijn geworden, zoals we met Pasen de meubelboulevard bezoeken, maar ons taalgebruik, onze muziek en architectuur, en wat nog meer zegt, onze persoonlijke moraal is en blijft tenminste impliciet verwijzen naar christelijke wortels, die de mozaïsche tien geboden niet hebben gekend.

Zien we af van de gereformeerde minderheid in ons land en daarbuiten, dan valt dat van het jodendom onmogelijk te zeggen. De joodse godsdienst kent niet het streven van wereldreligies zoals het christendom (en de islam) die van nature expansief en bij tijden zelfs agressief zijn, maar volhardt in een beslotenheid die kenmerkend is voor een volksgodsdienst – letterlijk: de godsdienst van het ene Joodse volk, gevestigd in één land, Israël, waarop ook de Joden in de diaspora zich oriënteren.

Dat Joden een hoogst opmerkelijke bijdrage hebben gegeven aan de moderne beschaving, weerlegt niet het feit dat de joodse religie en de Joodse gemeenschap geen ambitie hebben getoond hun omgeving naar hun beeld en voorbeeld te modelleren. Dit feit vormt het tweede bezwaar tegen de gemakzuchtige uitdrukking ’joods-christelijk’. De combinatie leidt onnodig tot misverstand.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden