van doorn / Hardnekkig moraliseren over ’40 - ’45

Het optreden vorige week zaterdag van de 104-jarige zanger Johan Heesters trok in de media begrijpelijkerwijs nogal wat aandacht maar niet steeds van een aangename soort. Een vijftigtal activisten, zich noemende ’antifascisten’ en ’neocommunisten’ wist de aandacht van tientallen verslaggevers en cameraploegen, ook uit het buitenland, te trekken met een keur van aantijgingen tegen de zanger, handzaam samen te vatten in de kwalificatie ’oorlogsmisdadiger’.

Dat Trouw die beschuldiging aan de hand van harde feiten weerlegde en ook een vertegenwoordiger van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) zich corrigerend uitte, is minder interessant dan het feit dat zo lang na WO II nog altijd rumoer kan ontstaan over iemand die in verband kan worden gebracht met de nazitijd.

De opwinding over Heesters biedt hiervan slechts één voorbeeld. Een dag of tien geleden werd, ook in deze krant, een aanval gepubliceerd op de Nobelprijswinnaar prof. P.J.W. Debye, volgens de auteurs Arnold Heertje en Jacob Polak een ’antisemiet’ die in de tijd dat hij in nazi-Duitsland werkzaam was, joden van zijn wetenschappelijk genootschap had uitgesloten. De kwestie loopt al enkele jaren en heeft onder meer twee rapporten opgeleverd die tot min of meer verschillende conclusies komen. Ook betrokken instanties hebben uiteenlopend gereageerd: de Maastrichtse universiteit besloot in 2006 de jaarlijks uitgereikte Debye-prijs op te heffen, maar de Universiteit van Utrecht gaf haar chemisch-fysisch instituut de naam Debye terug. Voor een motivering van deze laatste stap raadplege men het stuk van een voormalige directeur van het instituut, Gijs van Ginkel, in Trouw van laatstleden woensdag.

In 2005 speelde nog een andere kwestie die eveneens veel pennen in beweging bracht. Over de verzetsheld Jan Campert, beroemd om zijn gedicht ’De achttien dooden’ en onder meer geëerd met de naar hem vernoemde Jan Campertstichting, verscheen een biografie die liet zien dat hij voor en tijdens de Duitse bezetting tal van publicaties voor collaborerende en nazi-geïnfecteerde instanties had verzorgd. Hij was, zoals zo velen in die tijd, zeker niet ’fout’ maar door constant geldgebrek steeds tot bedenkelijke hand- en spandiensten bereid.

Vrijwel gelijktijdig met het verschijnen van de biografie bracht een oud-verzetsman een veel zwaardere beschuldiging in omloop: Campert zou in het concentratiekamp Neuengamme door kamergenoten zijn vermoord omdat hij leden van de geheime kampraad zou hebben verraden. Omdat de zegsman inmiddels was overleden, was het een beschuldiging uit de tweede hand waarover veel scepsis bleef bestaan. Maar van Camperts vlekkeloze reputatie was niets meer over.

Ingewikkelder is een vierde kwestie, ook in 2005 ontstaan. Naar aanleiding van de commotie rond de zaak-Campert kwam de historicus en socioloog H. Derks met een scherpe aanval op de politieke rol in de oorlog van de volkskundige P.J. Meertens. Derks verweet hem onder meer te nauwe contacten te hebben onderhouden met Nederlandse en Duitse nazi’s en achtte hem alleen al besmet door zijn wetenschappelijke specialisme dat in nationaal-socialistische kring werd beschouwd als een ideologisch zeer bruikbaar soort historische kennis.

De kwestie werd voorgelegd aan drie hoogleraren die in 2006 met een rapport van niet minder dan 84 bladzijden de beschuldigingen goeddeels weerlegden. Meertens had inderdaad ’afkeurenswaardige’ dingen gedaan maar er stond wetenschappelijk en politiek voldoende tegenover om hem tot het ’goede’ kamp te rekenen.

Wat mij in dit alles was opgevallen, had de commissie in een nabeschouwing al geconstateerd: ’Er lijkt zich een nieuwe morele zuiveringsgolf te ontwikkelen’, vooral zo wonderlijk omdat ’het simpele goed-fout-schema’ inmiddels sterk gerelativeerd wordt.

De aantijgingen zijn bovendien onnodig kwetsend en soms volstrekt bizar, zoals ten aanzien van Heesters, die bloed aan zijn handen zou hebben en de oorlog zou hebben verlengd. Derks noemde onderzoeksgroepen honend Alte Kameraden en kleine Armeen, terwijl Heertje en Polak wel erg ver durven gaan met hun bewering dat Debye ’openlijke steun aan de vernietiging van de Joden in Europa’ pleegde.

Wat is hier aan de hand? Kan het zijn dat men nog altijd geen afstand heeft weten te nemen van de consequente moraliserende benadering van de jaren ’40 - ’45 die Lou de Jong introduceerde? Of is er in sommige gevallen sprake van een persoonlijke afrekening in de vorm van een quasi-analytisch betoog? Of van de bekende gemakzuchtige neiging de problemen van voorgaande generaties te beoordelen aan de hand van de eigen probleemloze situatie?

Misschien is met scherp terugschieten nog de beste oplossing. Dat deed de emeritus hoogleraar Hans Wijnberg, die Debye goed heeft gekend en hem ’in geen geval’ een antisemiet wenst te noemen. In een ingezonden brief in Trouw schrijft hij: ’Van het eenzijdige en bevooroordeelde schrijven van collega’s Heertje en Polak zou ik, die zijn hele familie in Auschwitz heeft verloren, bijna antisemiet worden’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden