Van Doorn / En zo zijn we terug bij de oude tweedeling links-rechts

Kamerverkiezingen kunnen nog zo verwarrend uitpakken, commentatoren blijven zoeken naar een begrijpelijk patroon. Dat is niet alleen een menselijke behoefte maar ook rationeel verantwoord: indien miljoenen kiezers zich op hetzelfde moment politiek anders opstellen, moeten daarvoor toch redenen zijn.

Wat het meest in het oog springt, is de vlucht naar de uiterste linkse en rechtse positie. Links is dankzij Marijnissen meteen goed zichtbaar: 25 zetels of zo’n 17 procent van de kiezers, hier kan geen misverstand bestaan. Rechts is iets ingewikkelder, maar wie zo brutaal is de stemmen op Wilders en Verdonk bij elkaar op te tellen, komt eveneens op een respectabel aantal: 19 zetels of 12 à 13 procent van het electoraat.

Beide uitersten zijn voor het midden niet aanvaardbaar: Marijnissen is te oud-socialistisch en Wilders te neo-conservatief om mee te kunnen doen terwijl Verdonk er alles aan gedaan heeft om de VVD buitenspel te zetten. Wat als kansvol overblijft, is een vertrouwde combinatie van grote gematigde partijen: CDA en PvdA met wat vulstof om een Kamermeerderheid te halen.

Interessant is echter dat deze links-rechts-interpretatie steeds meer wordt verdrongen door een heel andere theorie, die van een algemene beweging naar conservatisme spreekt. Als lid van het filosofisch elftal kwam deze week in Trouw Ad Verbrugge tot deze conclusie, in Vrij Nederland gaf de politicoloog Jos de Beus er een hele reeks argumenten voor en elders doet het beeld de ronde van een verkiezingsoverwinning van ’de provincie’ op het ’kosmopolitische’ deel van de bevolking.

Volgens deze opvatting bestaat dit conservatisme in de kern uit een afwending van het parmantige individualisme en een afkeer van het alles-moet-kunnen-sfeertje dat ons sinds de roemruchte culturele revolutie in de jaren zestig in de greep heeft gekregen. Waarden, normen, burgerlijk fatsoen, ze staan weer op de publieke agenda, primair dankzij de vasthoudendheid van Balkenende, inmiddels krachtig terzijde gestaan door de cultuurpessimist Dalrymple.

Typisch conservatief is ook de hang naar knusheid en kleinschaligheid die sinds Pim Fortuyns ’verweesde samenleving’ veel pennen in beweging heeft gebracht, uit de CDA-hoek uiteraard, maar ook van de kant van Marijnissen die om geborgenheid en gemeenschapsgevoel vraagt. Ten slotte is er sprake van een religieus reveil, een herwaardering van morele beginselen en bindingen, waaraan Rouvoet zijn electorale succes heeft te danken.

Een derde element in dit conservatisme vormt de herontdekking van nationale waarden en symbolen: de vaderlandse geschiedenis, de Nederlandse canon en de patriottische zelfgenoegzaamheid (trots op ons land en leve de VOC). Politieke uitdrukking vindt dit sentiment in de afwijzing door het electoraat van de Europese Grondwet en de algemene verharding van het vreemdelingenbeleid. Terzijde: dit laatste verklaart de afkeer van de islam, die nu juist uitstekend in een conservatief reveil zou passen.

De Beus snijdt in zijn interview in VN echter nog een ander aspect aan, en dan wordt het spannend: het groeiende verzet tegen het neoliberale geloof in de zegeningen van de markt. Globalisering en privatisering zijn uit de gratie, vooral omdat de marktwerking in de publieke sector een teleurstelling is geworden.

Naast de morele individualisering en haar bezwaren ziet De Beus dus een sociaal-economisch individualiseringsproces dat minstens zoveel kritiek verdient. En zoals de christen-democraten als eersten de morele ontsporing van het ongebreidelde individualisme afkeurden, zo zouden de sociaal-democraten de doorgeschoten marktwerking van het neoliberalisme moeten aanpakken. Helaas gebeurt dat niet. De Beus: ’Bos heeft het debat over de inrichting van het kapitalisme niet gevoerd. Dat is een grote fout. Hij stond er niet als de oppositieleider tegen het neoliberalisme. Daarvoor moesten wij bij Marijnissen zijn’.

Dit is een boeiende visie op de sociaal-democratie die zich altijd als progressief heeft geafficheerd – en door De Beus ook zo wordt genoemd – maar die ten aanzien van het economisch liberalisme een disciplinerende, zeg maar conservatieve functie moet vervullen. Terwijl de confessionelen tekenen voor een continu beschavingsoffensief, zijn de sociaal-democraten al de hele twintigste eeuw bezig het kapitalisme beschaafd te maken.

En inderdaad, voor een rechtgeaarde liberaal is zowel het een als het ander een uiting van conservatisme, een ingaan tegen de beweging van de geschiedenis, die het individu in elk opzicht vrijheid beoogt: politiek, moreel, cultureel, wetenschappelijk en dus ook sociaal-economisch.

En zo zijn we terug bij de oude tweedeling in links en rechts oftewel progressief versus conservatief. Ze blijkt sterk ideologisch bepaald. Voor liberalen is alleen het liberalisme progressief te noemen en zijn alle vrijheidsbeperkende stromingen conservatief. Voor de sociaal-democraten, die de maatschappij, indien vrijgelaten, in een jungle zien ontaarden, is juist interventie progressief. De christen-democraten zullen aarzelen: ze zijn van alle tijden en hebben eeuwig gelijk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden