Van Doorn / De kwetsbaarheid van het liberalisme

Onder verwijzing naar de dreigende splijting van de VVD bevatte het hoofdredactionele commentaar in Trouw van vorige week vrijdag een hoogst interessante historische vergelijking. Zoals de liberalen het een eeuw geleden niet eens konden worden over de ’sociale kwestie’ en hun aanhang over meerdere partijen zagen versplinteren, zo kunnen ze het momenteel niet eens worden over de nieuwe sociale kwestie, de integratie van twee miljoen immigranten.

De toestand in het liberale kamp was destijds nog heel wat rampzaliger dan nu. Indien men D66 buiten beschouwing laat, manifesteren zich momenteel naast de VVD alleen de PVV van Wilders en de eerste aanzet tot een Lijst Rita Verdonk; tussen 1885 en 1921 kon men al bij al een zevental liberale (splinter)partijen onderscheiden.

Ze leden trouwens op twee gescheiden fronten een nederlaag. Ze wisten geen raad met de snel groeiende arbeidersklasse, die in de sociaal-democratie onderdak vond, en ze botsten hardhandig tegen het antirevolutionaire blok van Abraham Kuyper, dat later met de katholieken een confessioneel bastion zou vormen.

Voorzover de huidige immigranten uit moslims bestaan, vallen beide aspecten samen: een nieuwe onderklasse die zich vooral tot de PvdA voelt aangetrokken en een – in Nederland – nieuwe religie waarmee in ieder geval de huidige liberalen totaal geen raad weten. Een paar jaar geleden adviseerden enkele VVD’ers in naam van ’de Verlichting’ zelfs een nieuwe schoolstrijd te beginnen, een nogal onberaden voornemen dat snel tot zwijgen werd gebracht.

De eerlijkheid gebiedt te erkennen dat eigenlijk geen van de Nederlandse politieke partijen met de nieuwe problematiek raad weet – in de Troonrede zal men de woorden islam en moslims dan ook niet aantreffen – terwijl er in liberale kring tenminste over wordt gediscussieerd. Het gebeurt echter op een hardhandige manier, gespeend van elke notie van tolerantie.

Na de moord op Van Gogh werd de toon meteen door fractieleider Van Aartsen gezet. Hij adviseerde tot een ’meedogenloze aanpak’ en voelde zich daarin gesteund door het VVD-lid Hirsi Ali, dat hem al langer voor komende aanslagen had gewaarschuwd.

Hirsi Ali zelf kondigde vervolgens een ’liberale jihad’ aan, in samenwerking met Geert Wilders. Wat later scheidde Wilders zich af en figureert nu met overtuiging als de stem van joelend Nederland, sinds vorige week gesecondeerd door oud-VVD-minister Rita Verdonk, die het al evenzeer van volkse sentimenten zal moeten hebben.

Het valt moeilijk te ontkennen: terwijl de populariteit van Hirsi Ali vooral beperkt bleef tot de radical chic, spreken Wilders en Verdonk een goed deel van de liberale kiezers aan. Anders gezegd: er bestaat uitgerekend in het liberale segment van het electoraat een bijzondere gevoeligheid voor wat doorgaans de populistische stijl van politiek bedrijven wordt genoemd. Tussen haakjes: dat werd in de jaren zeventig eveneens bewezen toen de jonge Hans Wiegel, louter op grond van zijn persoonlijk optreden, een enorme wervende werking op nieuwe kiezers uitoefende.

Het zou zeker onjuist zijn een te nauwe relatie te suggereren tussen liberalisme en populisme in het algemeen. Zoals ook de recente jaarvergadering heeft laten zien, is een groot deel van de aanhang niet voor wilde avonturen te vinden en is in ieder geval de politiek actieve bovenlaag op een bezonnen en pragmatische manier liberaal te noemen.

Maar het andere deel, kwantitatief zeker niet te verwaarlozen, bestaat evenzeer en heeft zich de laatste jaren – zie Wilders en Verdonk – luidruchtig laten horen. Het omvat een vrij groot aantal leden en/of kiezers die zich van de partijleiding, de mening van de fractie en van het kader weinig aantrekken indien zich plotseling een demagoog aandient die anders dan het zogeheten politieke establishment de stem van ’het volk’ zegt te representeren.

De veronderstelling dat we hier met een bepaalde bevolkingscategorie te maken hebben, bijzonder gevoelig voor massasentiment, overtuigt niet. Wellicht moet eerder gedacht worden aan de geringe mate van binding en richting die in de centrale liberale notie van ’vrijheid’ ligt besloten. Het begrip ligt naar alle kanten open en is daarom gemakkelijk te misbruiken, indien niet de vraag ’vrij waartoe’ maar ’vrij waarvan’ wordt gesteld. Daar komt bij dat het partijverband bij liberalen zelden veel houvast heeft gegeven. Meer dan bij andere partijen voelen de liberalen zich in vrijheid verenigd.

Het klink paradoxaal, maar het is vooral dit vertrouwen in het eigen politieke oordeelsvermogen dat veel liberalen gevoelig maakt voor de lokroep van het populisme. En individualisme is hun achilleshiel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden