van DIT en HET

Wat kenmerkt de jonge generatie filosofen? Zijn er nieuwe filosofen in Nederland? Blijven zij hangen in het postmodernisme of proberen zij een nieuwe filosofie te ontwerpen? De jonge filosoof Jan Warndorff (1965) schetst een levenskunst, in het teken van deemoed, trots, ernst en lichtheid: “Wat is Dit? Kijk rond en niet verder. Ga er niet naar op zoek want dan kijk je er al doorheen; haal je niets in het hoofd want dat voegt alleen maar toe. Dit is nu gaande werkelijkheid, waarbinnen ik nu schrijf en u nu leest en wij allebei ieder voor zich ademen.” Als kind van ontwikkelingswerkers heeft Jan Warndorff zijn jeugd grotendeels doorgebracht in Malawi en Ethiopië. De fascinatie voor de omringende natuur, de confrontatie met verschillende culturen, plus de vraag waarom juist de ander, en niet hijzelf, in de krottenwijken van Addis Abeba ter wereld is gekomen: het zijn de eerste ingrediënten voor de filosofie die hij hier introduceert. Het christelijk-humanistische engagement van zijn familie en Erich Fromm's The Art of Loving stimuleren zijn denken. Wanneer Warndorff (1965) echter, na een blauwe maandag op een universiteit in de Verenigde Staten, in Engeland neerstrijkt om Engels te studeren, valt op een dag de grond onder zijn voeten weg. Zwevend in niemandsland vindt hij weer houvast in de boeddhistische analyse van werkelijkheid en identiteit. De boeddhistische conclusie: het enige zinvolle is het tot stilstand brengen van het wiel van het bestaan, kan Warndorff echter niet aanvaarden. In het werk van Teilhard de Chardin (1881-1955) vindt hij wel de beaming van het leven die hij zoekt, en op twintigjarige leeftijd zet hij zich aan een synthese van het boeddhisme en De Chardin. Terug in Nederland meent hij aan de dan net opgerichte Universiteit voor Humanistiek te Utrecht de ideale studie te hebben gevonden; de teleurstelling is groot wanneer blijkt dat men op de universiteit alleen maar in de weer is met abstracte waarden, en niet met het dagelijks handelen zelf. Pas wanneer hij per toeval een boek van José Ortega Y Gasset (1883-1955) in handen krijgt, hervindt Warndorff zijn filosofische inspiratie. In 1996 studeert hij cum laude af op een scriptie over Ortega Y Gasset. Jan Warndorff is werkzaam als freelance-journalist.

Cultuur behoeft een heiligheid: dat wat in ieder geval - ofwel: absoluut, onbetwijfelbaar - zowel wáár als van waarde is. Het heilige is het begin en het eind: vertrekpunt van het denken, bestemming van het doen. Aldus grondt het heilige de wereld en verschaft aan het leven een middelpunt: dat waar het allemaal om draait.

Thans lijkt de westerse cultuur zich van geen heiligheid meer zeker. Waarheden en waarden dansen velen voor de ogen: alles lijkt relatief. Al aan het eind van de vorige eeuw riep Nietzsche: “God is dood, de horizon uitgewist, de aarde van haar zon losgekoppeld”; maar, voegt hij eraan toe, “het is nog niet tot de oren der mensen doorgedrongen.” Honderd jaar later lijkt dat wel het geval.

In respons tekenen zich drie posities af. Ten eerste zijn daar de fundamentalisten, die - desnoods met alle geweld - een in dubbele zin vergaande heiligheid in volle glorie willen herstellen. Voorts, de New Age-adepten die zich wenden tot nieuwe heiligheden uit een ver verleden of veraf gelegen oorden. Ten slotte is er het postmodernisme dat zich geen nieuwe heiligheid meer durft voor te stellen; enerzijds vanwege de dramatische gevolgen van de politieke pogingen daartoe - communisme en fascisme: de staat danwel het volk als heilig -, anderzijds uit besef van wat Heidegger al moest constateren: een nieuw heiligdom laat zich niet bedenken maar kan zich alleen van zichzelf uit openbaren.

Nu wil ik u uitnodigen uw oog te laten rusten op een werkelijkheid die in geen enkel opzicht lijkt op hoe een 2500-jarige traditie zich de werkelijkheid voorstelt, en die er dus al evenzolang op wacht als werkelijkheid sui generis te worden erkend. Anders dan een boom of een muur heeft het bijvoorbeeld vorm noch substantie, het is niet iets waarnaar je kunt wijzen en dat je kunt benaderen en betasten en onderzoeken. Het is ook niet eenduidig maar kent ontelbaar veel gestalten en is voortdurend in beweging en altijd overal aanwezig, je kunt het niet ontvluchten.

Zo lijkt het wel een beetje op God, maar dat is het niet - of we zouden er hetzelfde onder moeten verstaan. Ik noem het: Dit.

Wat is Dit? Kijk rond en niet verder. Ga er niet naar op zoek want dan kijk je er al doorheen; haal je niets in het hoofd want dat voegt alleen maar toe. Dit is nu gaande werkelijkheid, waarbinnen ik nu schrijf en u nu leest en wij allebei ieder voor zich ademen.

Niet 'iets ergens', geen algemeen ding of idee ofwel: Dit is geen Het. Het is alles dat zich laat grijpen of begrijpen: boom en steen, idee en begrip. Als een doorlopend open podium biedt Dit de ruimte aan talloze Hetten, maar Dit kan er zelf nooit tussen gaan staan. Dit laat zich grijpen noch begrijpen, want Dit is de werkelijkheid zelve waarbinnen werkelijkheden pas gegrepen en begrepen kunnen worden. Dit laat zich niet nader benoemen omdat het benoemde, de benoemer en benoeming er onmiddellijk deel en uitdrukking van zijn. Dit gebeurt: onverschillig of en wie er wat dan ook van denkt of zegt.

Wie zou nu willen betwijfelen dat Dit in ieder geval waar en van waarde is? Ofwel: openbaart zich hierin niet het heilige?

Wat zou er gebeuren indien we met Bob Dylan zouden gaan zeggen: “this ain't a dream no more: it's the real thing”. Dit ís Het!

Het gaat om slechts een heel kleine stap: een kleine bijstelling van de lens waardoor je de wereld en jezelf daarin ziet. Een focus op het direct gaande, dit hier nu, in plaats van op iets ergens, daar en dan. Toch klinkt het ook wel erg kaal - alsof er dan bijna niets meer overblijft - en ook precair: is het niet een recept voor cognitieve chaos, morele anarchie, een spirituele inzinking?

Voor het denken is dit zeker een revolutie zonder weerga. Sinds het oude Griekenland immers vertrekt het denken vanuit de voorstelling van de werkelijkheid als één groot Het, barstensvol kleinere Hetten - en dan voorts de strijd der ideeën, soms tot bloedvergieten toe, om wat Het is en hoe Het in elkaar steekt en hoe mensen zich daar dus toe hebben te verhouden.

De Logos en de Ideeën, God en de ziel, de Cogito en de materie; of anders een hoger zelf, vorige levens, diepere energieniveaus. . . Zelfs Heidegger, nadat hij heeft geconstateerd dat het denken sinds Plato en Aristoteles alleen nog maar met 'de zijnden' in de weer is geweest, stelt vervolgens de vraag naar. . . 'het Zijn'. Altijd maar iets ergens dáár. 25 eeuwen lang is Dit nog nooit benoemd en erkend als realiteit op zich.

Want Dit is ding noch idee, kan worden gegrepen noch begrepen, is per persoon uniek en voortdurend aan verandering onderhevig - daar valt niet mee te rekenen en telt dus niet mee.

Toch is het besef van eigen eindigheid nog geen reden naar een andere werkelijkheid op zoek te gaan: daartoe zal men er éérst van overtuigd moeten zijn dat die andere werkelijkheid 'iets' is dat zich laat zoeken, en dat het vinden ervan rijkelijk zal beloond worden. En wel met Inzicht in wat alles is en hoe het leven individueel en collectief moet worden ingericht om tot volmaaktheid te geraken. Dat inzicht is waar het sinds den beginne om draait, als de sleutel tot bestaan: om de ethiek te funderen, de esthetiek te inspireren, en de politiek te legitimeren.

Nog vóórdat het denken zijn koers heeft gekozen, heeft het van de werkelijkheid dus al heel wat gemáákt. Precies hier doet geloof zijn intrede; maar een geloof, van zo weinig propositioneel gehalte, zo elementair, dat het eerder het karakter heeft van een gebaar. Een stichtend gebaar, dat hier wat van maakt door tegelijkertijd te stellen: werkelijkheid is 'iets ergens daar', en te waarderen: het gaat ook óm dat 'iets ergens daar'.

In dit gebaar zijn religie, filosofie en wetenschap eender. Hoe hun wegen verder ook uiteen mogen lopen om ieder voor zich in allerhande twist en strijd uiteen te rafelen, het vertrekpunt is hetzelfde: dát er vertrokken wordt. De alledaagse werkelijkheid van Dit wordt automatisch de rug toegedraaid.

Nu echter religie, filosofie en wetenschap het er na zoveel jaren nog steeds niet over eens zijn wat Het is: dan ligt het toch voor de hand al dat zoeken en strijden eens te staken? Tijd voor een pas op de plaats; en nu eerst eens kijken naar wat ons zomaar aan werkelijkheid wordt gegeven.

Dit blijkt echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Sinds zo'n honderd jaar wordt er geroepen om een pas op de plaats. Vanaf Nietzsche, Husserl en Heidegger tot en met Rorty, Lyotard en Levinas is de diskwalificerende beweging van het denken en het geweld van de daaruit voortvloeiende strijd der ideeën hét kritisch thema van de twintigste eeuw.

Alles op een stapel levert dat uitgebreide kritiek op de traditie op, plus een paar prachtige plaatjes van het alledaagse: Heidegger over het dasein, Sartre over het pour soi, Levinas over het gescheiden zijnde; maar waar niemand zich goed raad mee weet is het gegeven dat men zelf, onderwijl, dezelfde beweging herhaalt en de daaruit voortvloeiende discussie blijft voeren. Dit mondt uit in een besef van echec, zo treffend benoemd in de term post-modernisme: afscheid van het oude, zonder nieuwe grond onder de voeten.

Het dilemma is even eenvoudig als ingrijpend: de diskwalificerende beweging zit 'm in de talige toewending zelf. Taal kan alleen maar 'iets' benoemen, zoals het denken alleen maar 'iets' kan denken. Er een naam aan geven betekent er iets van maken, dan ben je al vertrokken, dat is geen pas op de plaats.

Wittgenstein: “Een beeld hield ons gevangen. En we konden er niet uit, want het lag in onze taal, en het leek of die het alleen maar onverbiddelijk voor ons herhaalde.”

Hoe de werkelijkheid zelve ter sprake te brengen, zonder dit te maken tot wat het juist niet is? “Het denken doet dat wat het aanraakt onmiddellijk bewegen”: Foucaults echo op Nietzsche: “Elk begrip ontstaat door het gelijkschakelen van het niet-gelijke.” Om de werkelijkheid zelve trouw te blijven kan men eigenlijk alleen maar zwijgen. Dat doen dus ook de postmoderne meneren uit Frankrijk - behalve dan Levinas, die trekt er wel opuit en krijgt daarover door Derrida ook de les gelezen: “Misschien is het tot dit ondenkbare-onmogelijke-onzegbare dat Levinas ons roept, voorbij het Zijn en de Logos van de traditie. Maar deze oproep moet zich noch kunnen laten denken noch zeggen.”

Et voila: daarom acht ik Dit een hele vondst. Dit is het enige begrip dat verwijst zonder naar 'iets' te verwijzen. Dit begint en eindigt in zichzelf: een volledig transparant begrip. Dit is minimale taal; een linguïstisch equivalent voor de aardewaarts wijzende wijsvinger. Inderdaad is ook Dit een stichtend gebaar: tegengesteld aan het vertrek, een gebaar van beaming. Een sprakeloze erkenning van de onuitspreekelijke werkelijkheid dat dit gebeurt. Een gat in de wand van Wittgensteins vliegenglas.

En wat gebeurt er, wanneer je daar doorheenstapt.

Dan is het voorbij met heel die kakofonische strijd der ideeën, en in de daaropvolgende stilte is het misschien eerst weer even Nietzsche: “Vallen wij niet aan één stuk door? Ademt ons niet de ledige ruimte in het gezicht?” Maar, zoals de boeddhisten gebaren: wees niet bevreesd, je komt weldra weer terecht precies daar waar je bent, en “dan krijgen wij het heerlijke gevoel vanuit een nauw en afgesloten verblijf te zijn ontkomen, en opnieuw naar buiten te treden onder de sterrenkoepel van de waarachtige wereld, die diep, ontzaglijk en onberekenbaar is, waarin de bronnen des levens onuitputtelijk zijn en geen ding onmogelijk, het beste zomin als het slechtste” - aldus de onvolprezen José Ortega Y Gasset.

De waarachtige wereld, 'the real thing': wat is Dit? Doodgewoon, ik die hier nu zit op een stoel aan een bureau, vingers tikkend op het toetsenbord, ogen gericht op het scherm, terwijl er links een brommer door de straat passeert en rechts roepen en rennen de kinderen op het schoolplein. Dit is uniek, gaande, niet nader denkbaar; doch wel door ieder voor zich te omschrijven. En dit is weer een beschrijving van een algemeen kenmerk: eenieders Dit is uniek, gaande, niet nader denkbaar, wel omschrijfbaar. Hoewel Dit dus altijd particulier is, is het tegelijkertijd een universele werkelijkheid: niet als algemeen ding of idee met een nader vast te stellen gemeenschappelijke inhoud, maar als een situatie. Dit is een gemeenschappelijke situatie waarin eenieder zich op eigen wijze bevindt. Ieder in z'n eigen bootje, en zo zitten we met z'n allen in dezelfde boot. Dit stelt ons in staat ons in elkander in te leven.

Mijn bedoeling is nu te omschrijven hoe Dit er als situatie uitziet, om vervolgens te laten zien dat het helemaal niet nodig is te kunnen zeggen wat Dit is om je te bekommeren om wat en hoe je zelf doet.

Dit gebeurt: ik zit nu hier op deze stoel aan dit bureau. Dit is ding noch idee, heeft vorm noch substantie, maar is veeleer als een soort verlichte ruimte waarbinnen oneindig veel dingen en ideeën zich voordoen, waaronder deze stoel, dit bureau, enzovoort. En nu kan ik wel opstaan om stoel en bureau de rug toe te keren, waarmee ik ze effectief uit Dit verban - maar dan sta ik op een vloer tegenover een deur. En dan kan ik wel deze kamer verlaten, en zelfs dit huis verlaten, en voorts gaan rennen, zo hard en zo ver als maar kan: nooit en te nimmer zal ik aan de wereld ontsnappen. Ik kan mij dus wel onderscheiden ten opzichte van individuele dingen, maar niet van het samenstel der dingen dat de wereld heet. Vanaf het moment van mijn conceptie tot het moment van mijn sterven ben ik in en van de wereld. Ik ben niet anders voorstelbaar.

De wereld en ik bestaan ook niet passief náást elkaar, maar in een situatie van voortdurende interactie en wederzijdse doordringing. Op fysiologisch niveau tastbaar evident: ademhaling, voedsel, uitscheiding; maar ook via al mijn zintuigen stroomt de wereld voortdurend bij mij naar binnen, en voortdurend stroom ik de wereld in, in alles dat ik doe. Ik kan geen stap verzetten anders dan in de wereld. De wereld is waarin en waaraan ik mijn leven beleef: het is de ruimte en levert alle middelen en materialen. Mijn identiteit en mijn leven bestaan als een web van relaties tussen de wereld en ik. Ik zou mezelf niet eens kunnen omschrijven zonder de taal die de wereld mij heeft gegeven en waarmee de wereld mij verstaat. Dit is, kortom, een situatie waarin ik en de wereld aanwezig zijn als een dynamische, wederzijds doordringende twee-eenheid; als volgt te symboliseren:

Ik - wereld

Dit symbool geeft ook goed aan hoe Dit nooit, voor geen moment, stilstaat. Wederom, fysiologisch evident: ademhaling, hartslag; maar afgezien daarvan, zodra ik 's ochtends wakker word gaan mijn ogen open, gaat mijn hand door de ruimte richting wekker, en dan is het opstaan en aan de slag. Dit is als een doorlopend veld van handeling, is iets dat ik voortdurend doe: al is het maar dat ik me strek op de bank om een kwartiertje te dromen.

En met alles dat ik doe - inclusief denken en spreken - gebeurt er iets. Ik kan geen stap verzetten zonder hier iets van te máken. Nu zit ik te typen, zojuist keek ik even naar het tennis op de tv. Kijk ik naar links, dan zie ik een muur, naar rechts, het schoolplein.

Dit is met andere woorden de plasticiteit zelve; waarbij het echter niet alleen ik is die hier iets van maak. Dit is en wordt ook op gigantische wijze door de wereld gemaakt - noem 't, het lot. Zo heb ik niet gemaakt dat ik geboren ben uit mijn ouders en hier nu leef, als deze persoon met deze naam in deze wereld van Utrecht, eind twintigste eeuw. En wie weet kom ik morgen onder een auto en zit ik de rest van mijn leven in een rolstoel. Dit speelt zich af in de palm van onmacht en onbegrip. Dit is mij overkomen, en Dit blijft mij overkomen, en ik heb geen idee hoe of waartoe.

Dit is aldus een paradoxale vermenging van enerzijds, alles zelf in de hand hebben, en anderzijds, helemaal niets in de hand hebben; van enerzijds, verkeren in transparantie, en tegelijkertijd, in volslagen duisternis.

Het ontologisch paradigma geboden door Dit ziet er dus heel anders uit dan hoe de traditie het wil: in plaats van dualistisch, gesloten, statisch en wetend is Dit holistisch, open, dynamisch en onwetend.

Nu ontbreekt er in de beschrijving van mijn zitten hier aan dit bureau natuurlijk één belangrijk gegeven, namelijk dat ik Dit ook op een zekere manier beleef. Hoewel ik hoop dat deze beleving u tussen de regels door al heeft beroerd, zal ik nu rechtstreeks beschrijven hoe ik Dit beleef.

Ten eerste: in deemoed. Deemoed is mijn gevoel te leven in de palm van onmacht en onbegrip. Deemoed ten opzichte van het lot dat mij dit leven geeft: als man in plaats van als vrouw, als Europeaan in plaats van als Aziaat - om maar wat te noemen.

Deemoed, ten opzichte van alles wat mij zomaar overkomt; en deemoed, ten opzichte van alles dat er nog méér gebeurt. Dat is zó veel, dat gaat het verstand te boven. Ik zit hier nu terwijl de buurvrouw hiernaast loopt te kletteren met de schalen in de keuken, en ik kijk naar buiten en zie mensen bezig in de volkstuintjes naast het schoolplein, het geheel omringd door huizen met daarachter straten en nog meer huizen en daarachter heel de stad Utrecht, al die winkels en cafés en al die mensen, oneindig veel mensen, stuk voor stuk een wereld op zich.

En natuurlijk ook die tuintjes daarbuiten, al die bomen en planten en al die insecten onder, op en boven de grond; en mijn eigen lichaam, het ademen, de bloedsomloop, het zenuwstelsel - het oerwoud dat zich afspeelt op een centimeter huid! Bovendien weet ik wel wat van de historie van het heelal, van het leven en van de menselijke soort, en heb dus ook enig besef van de dimensies waarbinnen Dit zich afspeelt. En het is allemaal echt gebeurd en is allemaal echt gebeurende! Dit is geen droom! Dit is zo een gigantisch groot gebeuren - hier stoppen mijn woorden en beleef ik deemoed.

En tegelijkertijd: trots. Want ik bén dit. Ik ben immers geen bezoeker van buiten die even komt kijken: ik ben hier geheel en al deel en uitdrukking van. Ik behoor tot de aarde, tot de kosmos: heel deze gigantische draaiende rollende caleidoscoop is mijn zijn, en mijn zien. Dit is mijn trots: ten opzichte van alles en iedereen die meent mij te kunnen vertellen wat ik eigenlijk ben en hoe ik behoor te leven. Niemand zal menen mij te bevatten. Niemand pakt dit van mij af.

Maar als ik het me niet wil laten vertellen, dan zal ik het allemaal zelf moeten doen. Wil ik aan mezelf kunnen antwoorden in wat en hoe ik denk en doe, dan zal ik zelf verantwoordelijk moeten willen zijn. Daarom beleef ik Dit, ten derde, in ernst. Dit is wat gebeurt en alleen ik kan proberen daar invloed op uit te oefenen: niemand en niets om op te wachten. En wat doe ik dan, en waartoe? Wat wil ik dan?

Ik kan weinig anders zeggen dan: méér. Als Dit het is dan wil ik het zo ruim en diep en intens als maar kan. Dan wil ik me hier zo volledig mogelijk in uitleven, eruithalen wat erin zit. Met lust wil ik Dit beamen, omarmen: eerlijk gezegd wil ik hier zoveel mogelijk van zien te houden.

Hebben mensen ooit anders gewild en gedaan? Hoe mensen zich sinds hun verschijning uitleven in verhalen en rituelen, in kunst en sport en spel, erotiek en liefde en helaas ook in oorlog - dat is fabelachtig. Dit geldt echter niet alleen voor 'wij mensen': het is dit waarvan wij zelf schepping en uitdrukking zijn dat sinds den beginne méér wil! Zie hoe het leven zichzelf sinds het begin in allerhande vorm en kleur en gedrag heeft vermeerderd! Dit is als één immense dans, fontein, om met Bataille te spreken: verspilling. Zodoende staat mijn leven, ten slotte, in het teken van lichtheid.

Ik ken en ben slechts Dit, en wil me hier zo volledig mogelijk in uitleven. Dit is een opgave die ik als avontuur tracht te leven, en als het afgelopen is hoop ik te kunnen zeggen dat ik ervan heb gehouden.

De paren trots en deemoed, lichtheid en ernst hebben zich in mijn verbeelding vastgezet in de vorm van een kruis; en op dit kruis heeft zich voorts de geest van een schip gevestigd, zo van: de deemoed als de kiel, dat is het weten van de diepte, de stabiliteit; de trots als de mast, de grote windvanger, dat is de kracht; de ernst, achterin aan het roer en als het moet, met de zweep in de hand; en dan de punt van het schip, deinend op en neer en immer gretig vooruit en omhoog en verder, almaar verder: de lichtheid.

Als Dit alles is, en ik wil hier zoveel mogelijk van zien te houden; wat en hoe doe ik dan?

Welnu, er zijn dingen die ik doe, sowieso: eten, slapen, enz. Er zijn dingen die ik doe omdat ik wel moet: werken, boodschappen doen, enz. En er zijn dingen die ik doe, omdat ik ervan hou ze te doen. Zo hoef ik geen boter en jam op m'n brood, maar ik vind dat wel zo lekker. Dit is de meest simpele manier om hier iets méér van te maken: er gewoon iets aan toevoegen. Boterham met jam, avondje naar de film, koop eens een nieuw overhemd. . . Allemaal dingen om van te houden met minimale inspanning mijnerzijds. Dit zou je een kwantitatieve vorm van vermeerdering kunnen noemen: en hiertoe biedt de huidige wereld een duizelingwekkend aantal mogelijkheden.

Maar die boterham is binnen een halve minuut op, dat avondje film na enkele uren voorbij, en ook dat overhemd zal me gaan vervelen nog voordat het slijt. Dus zoek ik ook te houden van dingen die boven het moment of de dag zelf uitstijgen. Dingen waar ik mij blijvend aan kan geven en me in kan verdiepen, in kan groeien. Bijvoorbeeld een kunstvorm, een sport, een beroep, een wetenschappelijke interesse. Dit zijn bezigheden die potentieel een heel leven vormen en van mij een aanhoudende inspanning vergen. Ik moet me eraan geven; en zo wordt het mogelijk beleving te cultiveren.

Net als in de akkerbouw betekent dit een proces van beperking omwille van een vermeerdering. De onderwerping schuilt hier in de blijvende verbinding en aanhoudende inspanning. Tegen alle twijfel en luiheid en de spontane ingeving in verplicht ik mij ertoe me stelselmatig met iets bezig te houden. Noem dit, een kwalitatieve manier van vermeerdering; en dit vergt zelfdiscipline, toewijding, geloof. Je moet erin geloven om je eraan te kunnen geven. En naarmate ik me geef aan het gitaarspel zal mijn vaardigheid groeien en zullen steeds meer soorten en stukken muziek voor mij toegankelijk worden; hoe meer ik er dan bij heb om me te vermaken als ik me verveel, om me te troosten wanneer ik verdrietig ben, om me af te reageren als ik boos ben; en, zou ik dat willen: hoe meer ik muzikaal in het openbaar zou kunnen treden, hoe meer spannende avondjes, hoe meer mensen ik zou kunnen ontmoeten, kortom: hoe interessanter, rijker, dieper, mijn beleving van muziek en van mijn leven. Dat is de vermeerdering.

Ook wat dit betreft biedt de wereld tal van bezigheden om een levenlang van te houden; maar om eruit te halen wat er in zit, moet ik mezelf er evenredig in investeren. “Alle tijd die je aan je roos besteed hebt, maakt je roos juist zo belangrijk”: volgens de vos in St. Exupery's 'De Kleine Prins', “een waarheid die mensen zijn vergeten.” De vos zegt de kleine prins ook dat het beter is om elke dag op dezelfde tijd langs te komen: “Als je bijvoorbeeld om vier uur 's middags komt, begin ik om drie uur al gelukkig te worden. Hoe later het wordt, des te gelukkiger voel ik me. En om vier uur word ik al onrustig; zo zal ik de waarde van het geluk leren kennen! Maar als je op een willekeurige tijd komt, dan weet ik nooit hoe laat ik mijn hart klaar moet maken. . .”.

Ook de beleving van tijdstippen op een dag, momenten in een jaar, evenementen in een leven, kan worden gecultiveerd. Zo worden wij thuis rond vijf uur onrustig: tijd voor thee!

Kwalitatieve vermeerdering van Dit is echter ook mogelijk, juist door niet iets toe te voegen, maar door aandacht te hebben voor wat er van zichzelf uit al is. De lente breekt weer aan, de krokussen voegen zich toe aan de wereld en ook aan mij, mits ik er bij stilsta. De wereld biedt vanuit zichzelf zo'n rijkdom aan genot, verwondering, ontzag: belevingen die zich aan mij op kunnen dringen, maar die eveneens kunnen worden gecultiveerd. En wel door te leren tot rust te komen: op gezette tijden, en over het algemeen.

Wat dit betreft nodigt Dit uit tot langzaam leven. Dit is het, niet iets ergens anders dat nodig moet worden bereikt: ontspan je, kijk rond. Ook zo kan het leven worden verruimd en verdiept. En wie dat wil kan zich volledig, dagenlang, levenlang wijden aan de verstilling omwille van wat de wereld zelf wil zeggen. Maar om nu te zeggen dat dit eigenlijk en uiteindelijk de bestemming is van ieder mens op aarde? “Eenieder voor elkander oneindig vreemd, oneindig vrij!” (Levinas). Eenieder zijn eigen avontuur.

Enige oefening in ontvankelijkheid is echter wel de moeite waard. Het is een bron van fascinatie en het kweekt gevoel voor de diepte: dat is de kiel. Dat geeft rust - en je wordt er zachter van. Dit doet goed beseffen dat ik niet het enige ben dat bestaat en dat ik mezelf heb gemaakt noch bedacht: dat ik al een uitdrukking ben, nog voordat ik aan mezelf uitdrukking geef. Dat maakt voorzichtig. Wanneer ik een vlieg doodsla, weet ik niet wat ik doe, alleen dat ik er net een eind aan heb gemaakt. Alles is oneindig vreemd, oneindig vrij.

Aldus appelleert het leven voor en vanuit Dit aan zachtmoedigheid. De wereld is geen ding ergens daar dat mij in de eerste plaats belaagt en wil vernietigen, maar is mijn allereerste vriend en partner in bestaan. Het biedt mij de lucht die ik adem, de ruimte om me uit te leven, en alle mensen en dieren en planten om mee samen te leven. Hoe méér ik praktisch of symbolisch uit mijn wereld verban, des te kleiner ik mijn wereld maak. De wereld is mijn huiskamer: die wil ik niet vervuilen of vernietigen, of vullen met onverschilligheid, pessimisme, haat. Natuurlijk is het helaas zo dat anderen dat wel vóór mij doen; ik zie geen reden daar nog aan toe te voegen. Dit is mij heilig, en ik wil zien hier zoveel mogelijk van te houden.

Dit is een onvoorwaardelijk Ja-zeggen tegen het doodgewone dagelijks leven - nu echter wel in besef van de diepte en van de plasticiteit. Dit is geen vast gegeven, maar een ruimte waaraan je sowieso voortdurend inhoud geeft. Naarmate je dit realiseert vervagen de grenzen en groeit de durf en de overtuiging. Dit is geen snelweg, maar een zwembad.

Bevrijd uit de kluts van de vraag naar wat en waarvoor Het is, kunnen we het denken thans engageren in een wel heel aantrekkelijk veld van onderzoek en discussie: levenskunst, zelfcultuur, ofwel: hoe hier zoveel mogelijk van te houden. Eigen je het leven toe!: dat is alles. Zie de ruimte en zie je te geven. Dit is allemaal helemaal van en voor jou alleen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden