Van der Ven: Na zestig jaar zijn we een nieuwe volkssport geworden

DEN HAAG - Toen hij in 1990 als voorzitter aantrad, riep hij dat de squashbond binnen de kortste keren honderdduizend leden zou tellen. Dat is er niet van gekomen. Niettemin vertrok hij gisteren als erelid. Philip van der Ven, na zeven jaar voorzitterschap van de NSRB: “Ik ben niet iemand van mooie beleidsplannen en gestructureerde agenda's.”

Aardige bijkomstigheid: Van der Ven was de laatste voorzitter van de NSRB. De ledenvergadering besloot gisteravond de naam van de bond te wijzigen in Squash Bond Nederland (SBN). Die 'R' van rackets moest eruit, maar dan zou NSB overblijven. Dat kon natuurlijk niet.

Bij zijn aantreden in 1990 was squash nog een exclusieve sport, gespeeld door een elite, op een gering aantal banen. In het tijdperk-Van der Ven is deze sport ineens booming gebleken. “Toen ik kwam, waren er 13 000 leden en was de groei al een beetje aan de gang. Daarom was mijn uitroep dat wij binnen vijf jaar honderdduizend leden zouden hebben niet eens zo gewaagd”, vindt de 51-jarige Hagenaar nog steeds. “Het is er niet van gekomen, dat is waar. Nóg niet. Het heeft langer geduurd dan ik gehoopt had. We hebben nu 62 000 leden. Ik heb geen spijt van die uitspraak. Iedereen is daarna gefocust geweest op dat aantal. Het is een doel geworden en dat was nu ook net mijn bedoeling.”

Van der Ven heeft nog wel wat argumenten om aan te tonen dat zijn sport in de lift zit. “Squash heeft de tijd mee. Na zestig jaar zijn we in a way een nieuwe volkssport geworden. Squash is uit de exclusiviteit gehaald. In 25 jaar is het aantal squashbanen van 25 uitgebreid tot 1662. We zijn op weg naar tweeduizend banen, dat is één op de 7 760 Nederlanders.

Verder heeft een onderzoek van Elseviers Magazine in oktober 1995 uitgewezen dat we de vierde sport in Nederland zijn wat praktizerende spelers betreft. Dat was een aangename verrassing, dat wisten we niet. We waren pleasantly surprised. Natuurlijk weet ik dat alles en iedereen is meegeteld, ook wie maar vier maal per jaar een squashracket in handen heeft, maar het gaat er toch maar om dat die mensen een squashbaan opzoeken.''

Is de doorgroei van het ledentotaal naar honderdduizend in de visie van Van der Ven “een fluitje van een cent”, moeilijker ligt het met de groei van jeugdig talent naar de topposities. Juist daar tilde de voorzitter zwaar aan. “We missen jeugd in Nederland die op korte termijn kan aansluiten bij de top. Dat heeft te maken met de Nederlandse sportcultuur. In het squash speelt Engeland de hoofdrol, omdat kinderen daar al op de baan staan als ze net kunnen lopen. Daar krijgen ze hele middagen schoolsport, hier moeten ze het doen met twee uurtjes gymnastiek.”

De situatie is zelfs zo droevig dat Nederland bij de meisjes niet eens meer deelneemt aan jeugd-WK's. “Nationaal kampioen Vanessa Atkinson was onze laatste topper. Daar zit niemand achter. Bij de jongens zie ik wel een nieuwe generatie verschijnen: Tommy Berden, Ronald van den Boogaard. Maar eigenlijk hebben we een soort Krajicek nodig, een speler die in de toptien van de wereld staat. Dat geeft media-exposure.”

Zoals alle sportbonzen wil ook Van der Ven dat zijn sport op tv komt, en graag een beetje vaak. Hij geeft evenwel gelijk de beperkingen aan. “Het is niet eenvoudig squash goed op tv te krijgen. Eigenlijk heb je drie camera's nodig. Belangrijker nog is dat tv-mensen moeten weten wat het is. Je kunt squash niet waarderen als je het niet speelt. We hebben Kees Jansma aan het squashen gekregen en hij vond meteen dat squash op tv moet. Het gevolg: bij de World Cup in 1999 krijgen we dertig minuten, verder twee interlands en een special over squash.”

Toeters en bellen

Het zou, vindt Van der Ven, daarbij beslist imagoverbeterend werken als een squashwedstrijd wat levendiger zou worden. Hij wil meer toeters en bellen rond de baan. “Laat de mensen maar lawaai maken, de spelers beïnvloeden, de scheidsrechters uitfluiten. Dat hoort erbij. Ik heb in Maleisië eens een badmintonwedstrijd gezien in een stadion, waar het een pestherrie was. Prachtig, wat een sfeer. Daar moeten we bij squash ook heen en daarin moet je de mensen opvoeden. Bij het laatste NK heb ik de scheidsrechters gezegd dat ze het publiek niet meer om stilte moesten vragen. Dat mocht ik eigenlijk niet, want daar heb ik niets mee te maken.”

Hij bemoeide zich wel meer met zaken die hem raakten, maar waar hij niets over te zeggen had, geeft hij toe. “Ik ben niet iemand van mooie beleidsplannen en gestructureerde agenda's. Ik wil mensen betrokken houden bij squash en ze motiveren en enthousiasmeren. Met die instelling is in de zeven jaar onder mijn voorzitterschap squash neergezet als sport die meetelt in Nederland. De squashbond stáát er nu.”

Van der Ven was ook vier jaar vice-voorzitter van de wereldbond (WSF). Zijn internationale carrière was snel en kort als een wervelwind. “In 1991 heb ik in Helsinki lawaai gemaakt over de financiën. Daar klopte helemaal niks van. Een jaar later was ik treasurer van de WSF. Vorig jaar heb ik me kandidaat gesteld voor het presidentschap. Ik heb van tevoren gezegd: als ik niet gekozen word, ben ik weg. Ik verloor de verkiezing op één stem, eigenlijk alleen maar omdat de Fransen het vliegtuig hadden gemist.”

Namens de WSF en ook als voorzitter van de ARISF, de organisatie van sportbonden die nog niet aan de Olympische Spelen meedoen maar dat wel willen, heeft hij sterk gelobbied voor squash op de Spelen van 2000. “Zonder succes, helaas. We hebben er alles aan gedaan. Het probleem is dat de huidige olympische sportbonden er geen andere sporten meer bij willen hebben. Dat squash in de VS niks voorstelt, weegt ook in ons nadeel. Het is een politiek spel. Als Samaranch zegt: het moet erin, dan komt het erin.”

Die uitspraak heeft Samaranch echter nog niet gedaan. Van der Ven: “We zitten er heel dichtbij, maar ik durf niet te voorspellen wanneer we aan de beurt zijn. Meneer Kim is vice-president van het IOC en hij heeft er zestien jaar over gedaan om teakwondo op de Spelen te krijgen.”

Er is Van der Ven wel verweten dat hij het besturen van de squashbond deed om zijn eigen ego te strelen. Hij zegt: “Ach, in sport gaat het om emoties. Iemand wordt ergens boos om en roept eens wat. Ik vind dat de sport nummer één is. Ik hoef niet zo nodig met de spelers op de kampioensfoto. Maar bij buitenlandse toernooien nam ik de spelers wel altijd een keer mee naar een dineetje of zo, op persoonlijke uitnodiging. Dat was voor mij dé gelegenheid om de toppers te leren kennen. Aan die ontmoetingen bewaar ik heel goede herinneringen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden