Review

Van de veelsnarige harp word je maar vadsig

De komende boekenweek gaat over het woord en de muziek. Daaromdeze maand een kanon-serie over denkers en muziek. Muziek moetopvoeden tot dapperheid en discipline. Zo dacht Plato erover.

Plato was, voorzover bekend, de eerste filosoof die overmuziek heeft geschreven. Hij was zeker niet de eerste filosoofdie over het onderwerp nadacht. Pythagoras en zijn volgelingenontdekten dat de intervallen tussen de tonen van de lier ingetallen konden worden uitgedrukt, en pasten deze ontdekkingvervolgens toe op de hele werkelijkheid: evenals de muzikaleharmonie was er een 'kosmische harmonie'. In laatste instantiewaren getallen de beginselen van alle dingen.

Deze laatste opvatting had grote invloed op Plato's leer vande eeuwige Vormen of Ideeën, de eeuwige, onstoffelijke envolmaakte voorbeelden van alle dingen in de zintuiglijkwaarneembare werkelijkheid.

Plato's ideeënleer is dus in zekere zin te danken aan demuziek. Daarom zou je verwachten dat hij de muziek hogelijkwaardeert, maar dat valt toch tegen. In zijn hoofdwerk 'Politeia'('De staat' of 'Het staatsbestel') heeft muziek geen hogerestatus dan de poëzie of de beeldende kunsten. Eigenlijk heefthij in dat boek van de hele 'kunst' niet zo'n hoge dunk. Hijontvouwt er de theorie die eeuwenlang het denken over kunst heeftbepaald: kunst is nabootsing, mimesis, van de werkelijkheid.Omdat deze werkelijkheid zelf een gebrekkige afspiegeling is vande hogere werkelijkheid van de Ideeën, moet kunst, gemeten aandie ideale norm, wel een heel gebrekkige zaak zijn.

Schilderkunst en beeldhouwkunst zijn de meest voor de handliggende voorbeelden van Plato's imitatietheorie: ze kunnen deillusie van werkelijkheid scheppen (non-figuratieve kunst bestondnog niet in die tijd). Maar wat bootst de muziek eigenlijk na?Zij is volgens Plato te vergelijken met de literaire kunsten,poëzie en toneel, die menselijke gevoelens, gedragingen enhandelingen nabootsen - een woord dat hier meer de betekeniskrijgt van 'tot uitdrukking brengen'. Voor Plato bestaat muziekoverigens vooral in het zingen van poëzie (bijvoorbeeld door hetkoor van de tragedie) en de instrumentele begeleiding daarvan.De term 'muziek', mousikè, was afgeleid van mousè, dat behalve'Muze' ook 'zang' of 'lied' betekent.

Hierdoor wordt begrijpelijk dat Plato aan de muziek eenbelangrijke opvoedkundige waarde toekent, evenals aan de poëzie.Een ideale staat is immers alleen mogelijk met ideale burgers,en dat moeten mensen zijn met een goed karakter, dat wil zeggenmet goede gevoelens, gedragingen en handelingen: ze moetendapper, gedisciplineerd, gul en grootmoedig zijn, en nietverlangen naar rijkdom of luxe. Daartoe moeten ze een gedegen enlangdurige staatsopvoeding krijgen; alleen de hoogste klasse, dievan de wachters of soldaten, komt daarvoor in aanmerking.

Lang niet alle muziek is voor deze morele opvoedinggeschikt. Sommige toonsoorten leiden eerder tot slapheid en horennog het meest bij drankliederen. Voor de opleiding van soldatenzijn ze totaal ongeschikt en daarom moeten ze worden verboden.Muziekinstrumenten zoals de fluit en de veelsnarige harp zijnontoelaatbaar omdat ze een te groot bereik aan tonen hebben, endaardoor het verlangen naar luxe en overdaad in de hand werken.In de mythologische muziekwedstrijd strijd tussen de god Apollomet zijn lier en de sater Marsyas met zijn fluit heeft de godvolgens Plato terecht gewonnen. Welke ritmes in zijn staat mogenworden gebruikt weet hij zelf ook nog niet precies -- dat moetnog nader worden onderzocht, met behulp van een deskundige.

Plato's enige criterium voor het onderscheid tussen goedeen slechte muziek is van morele aard: muziek is alleen goed alszij bijdraagt tot een goed karakter. In die zin is zij ook'mooi'. In zuiver esthetische criteria voor muzikale schoonheidwas hij niet geïnteresseerd; die zouden trouwens pas tweeduizendjaar later worden geformuleerd.

In zijn laatste grote werk, 'De wetten', is het nietanders. Daar verdedigt hij zijn theorie tegen de gangbareopvatting dat muziek alleen moet worden beoordeeld op grond vanhet genot dat zij de ziel kan geven. Die opvatting heeft ervolgens Plato alleen maar toe geleid dat Atheense componistensteeds meer het genotzuchtige publiek probeerden te behagen, doorzich aan te passen aan de vulgaire smaak. Voortaan meende degewone man over muziek te kunnen oordelen, en dat was het beginvan een algemene verwording in de staat: burgers gingen denkendat ze overal verstand van hadden, ook van de politiek. Dedemocratisering van de muziek leiden tot de algehelebandeloosheid en wetteloosheid die Plato in het Athene van zijntijd zag heersen. Zover zijn zelfs de felste critici van de jazzof de popmuziek nooit gegaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden