Review

Van de idylle naar het abattoir

Beat Sterchi, 'Blosch', vert. door W. Hansen, uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam 1992, 360 blz. - 45,.

De door de titel ingegeven verwachting, dat het om een binnen de vredige boerengemeenschap van Zwitserland spelende roman gaat, wordt in wezen al door het schilderij op de omslag afgeweerd. Daarop is een aan vleeshaken opgehangen runderkarkas te zien. Ook al zou het idyllische in deze roman een rol spelen, dan wordt het van het begin af aan overschaduwd door de ontluistering van het geslacht zijn. En inderdaad is het bij het begin van de roman al duidelijk, dat de in de richting van de landelijke idylle wijzende weg wordt omgebogen naar de stad en naar het abattoir.

Op de boerderij van boer Hans Knuchel in Innerwald komt een Spaanse gastarbeider te werken. Knuchel kan door de pijn in zijn handen de twaalf koeien niet meer melken. Weliswaar helpt Knuchels oudste zoon Ruedi zoveel hij kan, maar Ambrosio uit Spanje betekent toch een uitkomst gezien het vele werk in de stallen en op het veld. Veel tradities zijn Ambrosio vreemd. Er is in Innerwald ook veel dat hem aan het boerenleven thuis herinnerd. Met Blosch, de kampioen van de hele omgeving krijgt Ambrosio een speciale band die nog versterkt wordt, wanneer Blosch op een nacht een kalf krijgt.

Sympathiek is aan de boer, dat hij weigert om het werk op de boerderij, zoals het melken, door een machine te laten overnemen. Hij laat zijn modelkoe Blosch uiteraard niet kunstmatig insemineren maar door een van de stieren van de cooperatie dekken. Door zijn eigenzinnigheid is Knuchel een buitenbeentje. De komst van Ambrosio isoleert hem nog meer van de anderen.

Het dorp Innerwald is een ware slangenkuil. Achter Knuchels rug, maar dan wel zo dat hij het een en ander kan opvangen, maken de andere boeren van het dorp lelijke grappen over hem. En over de schriele Ambrosio, die door hen bij de gehate groep van Spaghettifresser wordt ingelijfd. Onder een goedmoedige buitenkant gaat een beerput aan valsheid schuil.

Door de ogen van Ambrosio kijkend, leert de lezer de eigenaardigheden van het leven op deze door en door traditionele Zwitserse boerderij kennen. Kostelijk is de beschrijving van het verdelen der koebellen over de twaalf koeien, wanneer die in de lente de stal mogen verlaten:

"En nu werden de zware instrumenten over de koeien verdeeld. Welke bel zou er om welke hals gaan? De boer en Ruedi waren het niet altijd met elkaar eens. Er werd gediscussieerd en geprobeerd. Bij welke jonge koe moest de pas ontwaakte eerzucht met een iets grotere bel gestimuleerd, en bij welke oudere dame de al te grote eigendunk met een kleinere bel gerelativeerd worden? Sinds de dag waarop ze voor het laatst de wei in waren geweest, in de vorige herfst, was de hierarchie in Knuchels stal veranderd, dat was een feit, en het hele twaalftonige koebelgepingel moest daar nieuw op worden afgesteld."

Uit deze wereld waarin hij aardig thuis begint te raken, wordt Ambrosio verbannen, wanneer het werk op de boerderij in de herfst minder begint te worden. Knuchel weet zich handig van Ambrosio te ontdoen door hem een baantje te bezorgen in het abattoir van de dichtstbij gelegen grote stad.

Op ieder idyllisch hoofdstuk over het leven op de boerderij volgt een hoofdstuk waarin het werk in het achter hoge muren gelegen abattoir wordt weergegeven. Deze weergave gebeurt met een ongelofelijke precizie. Hoewel het geheel van het abattoir een labyrinthische indruk blijft maken, staat de lezer vooraan bij het slachten, het opvangen van het bloed, het uithalen en verder verwerken van de ingewanden. Ook in deze helse wereld van het massaal doodmaken van beesten kijkt de lezer mee met de ogen van iemand die nog geen deel is van deze wereld. Op de boerderij is het Ambrosio, hier is het de beginnende leerling die staande probeert te blijven in een vreemde omgeving.

In de abattoir-arbeider Ambrosio breekt iets, wanneer hij onder de slachtkoeien zijn eigen Blosch ontdekt. Blosch is herkenbaar, maar ze verkeert in een deplorabele toestand. Ze is mager en heeft nare gezwellen en etterende wonden op haar lichaam. Van de trotse Blosch is weinig overgebleven, de ontluistering is enorm. Deze ontluistering bereikt haar verschrikkelijke dieptepunt, wanneer de geslachte Blosch wordt uitgenomen en de baarmoeder een kalfje blijkt te bevatten.

De wereld van het abattoir - hier vooral waargenomen door de ogen van de leerling - gooit alle gedachten over de zin van het leven omver.

De grote druk waaronder het zeer riskante werk wordt verricht, leidt bij de arbeiders tot een bijzonder grof taalgebruik. Hun taal is hun psychische evenwichtsorgaan. Zonder deze grofheid hielden ze het niet vol. Het abattoir vormt een soort tegenwereld van het leven op de boerderij. Maar bij nader inzien blijkt, dat het tot een 'ding' maken van een levend wezen evenzeer het leven buiten het abattoir, bijvoorbeeld het leven bij Knuchel en in het dorp bedreigt. In aanzet is de ontluistering al in het eerste hoofdstuk van deze roman aanwezig. Aan het slot van de roman komen Ambrosio en enkele andere arbeiders in verzet tegen de omstandigheden waaronder zij moeten werken. Op eigen houtje slachten zij een jonge koe en drinken om de beurt een lepel van haar bloed. Toch verzoening of eerder perverse omkering van een religieus ritueel? Het vlees van Blosch is inmiddels als zijnde vergiftigd afgekeurd en verdwijnt naar een destructiebedrijf. In het teken van de destructie eindigt de roman.

In hoofdstuk 8 van 'Blosch' valt de naam Doblin. Daarmee verwijst de verteller naar het hoofdstuk uit Alfred Doblins roman 'Berlin Alexanderplatz' dat als opschrift heeft: "Dann es geht dem Menschen wie dem Vieh; wie dies stirbt, so stirbt er auch." Terwijl het abattoir van Berlijn slechts een van de aspecten van de werkelijkheid van de grote stad is die in 'Berlin Alexanderplatz' simultaan tot leven komen, domineert het abattoir bij Sterchi. Erger dan op die honderden bladzijden vol bloed en slijm kan het in de wereld niet toegaan. Naast de naam Doblin komt in de roman ook de naam 'Gotthelf' voor. Zo heet een van de stieren uit de cooperatie. Gotthelf is in de eerste plaats echter de belangrijkste Zwitserse schrijver uit de Biedermeiertijd, die met zijn cyclus over de boerenknecht Ulli prachtig heeft beschreven, waartoe de ware godsvrucht leidt. De draad van Doblin wordt opgenomen en in 'Blosch' met die van Gotthelf verbonden, maar uiteindelijk blijft er van de erfenis van Jeremias Gotthelf, de dominee-schrijver uit Lutzelfluh, bitter weinig over.

'Blosch' (1983) is een bijzonder knap geschreven en kundig vertaald boek. Met de ijzige scherpte van het slagersmes ontleedt deze roman de hardheid van een samenleving die ook andere etiketten dan het Helvetische kan dragen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden