Van de acht Nederlandse filmlaboratoria blijft er een over Negentig jaar na 'Heertje zonder pantalon' is de concentratie volledig

LEIDERDORP - Nadat hij de eerste Nederlandse speelfilm 'De avonturen van een Frans heertje zonder pantalon' had gemaakt, opende Willy Mullens in 1902 ook als eerste Nederlander een filmlaboratorium: Haghefilm in Den Haag.

Met de filmindustrie groeide het aantal laboratoria. Acht filmlaboratoria kende Nederland begin jaren tachtig. Maar door wanbeheer of recessie zijn de meeste verdwenen. Een van de drie overgebleven bedrijven, het Amsterdamse Cineco, staat nu op het punt om de andere twee, Haghefilm in Leiderdorp en de dochter darvan, RCM in Hilversum, over te nemen. Het begin van het einde van een unieke industrietak of een nieuwe start?

In de kamer waar oude films worden gerestaureerd, waar de onaangename geur van brandbaar nitraat hangt, lezen drie medewerkers van Haghefilm elkaar krantekoppen van die dag voor. 'Haghefilm moet weg', 'Cineco neemt Haghefilm over', 'Laatste fusie bij filmlaboratoria'. “Dat is toch niet zo hè?”, roept iemand, “het is toch een fusie, geen overname? We blijven toch bestaan? En we moeten toch niet weg, we gáán weg; moeten dat klinkt zo hard.”

Haghefilm is eigendom van vijf medewerkers. Zij boden hun aandelen aan op de markt omdat ze zagen dat het bedrijf het niet alleen zou redden. Cineco in Amsterdam neemt de aandelen nu over. De omzet van dit bedrijf is niet veel hoger, maar Cineco staat sterker doordat enkele grote aandeelhouders, waaronder VNU en Parcom, risico dragen bij eventueel verlies.

Haghefilm is gespecialiseerd in het conserveren van oude films. Conservator en mede-eigenaar Juan Vrijs zet de rolprenten uit de periode 1895-1950 over van giftige nitraatrollen op acetaat. Dat is geen eenvoudige klus. De films uit de jaren twintig en dertig zijn kwetsbaar. En vaak zijn de perforaties gedeeltelijk of helemaal weg, waardoor het moeilijk is om de film door de overzetmachine te draaien. Verder zijn de films meestal zo sterk gekrompen, dat ze niet zonder meer op een andere rol passen. Ook krassen en spleten worden gerepareerd. Vrijs hoopt vooral één ding: “Dat het conserveerwerk behouden kan blijven.”

Een medewerker in de fabriekshal, waar de films worden ontwikkeld of omgezet naar andere formaten, ziet de toekomst somber in. Hij vliegt tussen de machines door. “Nee, nee, weinig tijd om te praten, ik ben hier vanmiddag maar alleen.” Hij klikt een metalen cassette met een nieuwe film tegen de machine aan, en rent daarna naar een klant in een andere ruimte. Als een collega te hulp komt, vertelt de man toch: “Ik werk nu negen jaar bij het bedrijf en ben bang voor mijn baan. Dat zijn trouwens meer mensen hier.” Ook de verandering staat hem tegen: “Ik ben al mee verhuisd uit Rijswijk, onze vorige vestiging, en nu moeten we weer naar Amsterdam. En ik heb gehoord dat we daar ook 's nachts moeten werken.” Er snerpt een alarmbel door de ruimte en hij verdwijnt achter een machine om een vloeistof te vervangen.

Haghefilm nam in 1990 RCM in Hilversum over, dat failliet was. RCM is gespecialiseerd in het ontwikkelen en bewerken van documentaires en televisieprogramma's op film. De kwaliteit van filmopnamen is beter dan van de veel vaker gebruikte video-opnamen. Vooral de VPRO maakt veel gebruik van die filmtechniek: de documentaire Diogenes wordt bijvoorbeeld bij RCM afgewerkt. Maar ook de KRO-serie de Brug en Pleidooi van de AVRO komen uit het RCM-laboratorium.

Jan Salomons volgt er op een computerscherm de verrichtingen van de machines. Die middag hangt hij achterover in zijn stoel en klaagt over de overname van de studio: “Het is een prijzenslag geweest. Als we hadden afgesproken om niet allemaal onder de prijs te gaan zitten, was het niet nodig geweest.”

Naast Salomons zit de account-manager van RCM en Haghefilm, Ru van Meeteren. Van Meeteren onderbreekt het verhaal van Salomons regelmatig om te hameren op de voordelen van het samengaan volgens de directie: meegaan met internationale concurrentie en kosten besparen. “Misschien is het ook wel zo”, zegt Salomons ten slotte vermoeid. “Als ze dan maar snel bekend maken wie eruit gaan en waar, anders wordt de onzekerheid steeds erger.”

Vorige strubbelingen liggen nog vers in het geheugen. In 1990 ging RCM failliet door slecht beheer. Het personeel verzette zich tegen de sluiting, bezette het gebouw en laste ramen en deuren dicht. “Het was een mooie tijd”, zegt Salomons. “De Nederlandse Mafia Bank, zo noemden wij dat toen, dreigde de boel leeg te halen. Ze stonden hier aan elke uitgang in groepjes van twee of drie man te posten.” Na twee weken diende een serieuze koper zich aan: Haghefilm: “Die hadden er tenminste verstand van.”

P. Limburg, directeur van Cineco en beoogde directeur van de nieuwe combinatie, geeft toe dat het met geen van de drie laboratoria goed gaat. Volgens hem wordt met het samengaan van de bedrijven, waar samen 92 mensen werken, voorkomen dat er nog meer banen verdwijnen dan de twintig die de directie nu noemt. “Het zat er altijd al in dat er mensen uit moesten bij alle drie de bedrijven. Door het samengaan is dit aantal juist beperkt.”

Ook voor Cineco is het fuseren van de bedrijven op de lange termijn belangrijk. De film in zijn huidige vorm is namelijk aan het verdwijnen. De digitale film komt eraan, en dat betekent dat er fors geïnvesteerd moet worden in nieuwe apparatuur. In plaats van knip- en plakwerk kan een filmscene dan worden verplaatst, zoals een stuk tekst kan worden verschoven bij een tekstverwerker.

Ook de huidige machines zijn kostbaar. “Een kwart miljoen”, fluistert René Bruinooge. Enthousiast laat de 'grader', zoals de operator genoemd wordt, zien hoe het modernste apparaat van Cineco werkt. Een monitor vertoont een groep mensen in een café. Bruinooge laat zien wat het verschil is tussen een frisdrankreclame en een biercommercial: de sfeerverlichting. De Grader kan de beelden op het scherm bijkleuren of laten verbleken. Zo kan hij een 'day for night' shot, waarbij de dag in een nacht verandert, of een 'high tone' of bleek effect creëren.

Negentig procent van het bijkleuren gebeurt nu met deze machine in plaats van met de hand. Dit scheelt een halve dag, en dat is heel belangrijk in deze industrie. “Topsport”, noemt directeur Van Limburg het werk in de filmlaboratoria. De klanten maken immers hoge kosten voor het huren van een studio, en dan is die korte tijdwinst zeer belangrijk.

Een van de problemen van de filmlaboratoria is dat ze sterk afhankelijk zijn van subsidies voor de Nederlandse film. Het aantal produkties dat gesubsidieerd wordt, wisselt sterk. Als de Europese film zou worden beschermd tegen de Amerikaanse film - zoals in Frankrijk - zou dit ook al meer werk opleveren.

Voor Haghefilm komt daar nog het probleem bij dat de overheid maar weinig geld over heeft voor het conserveren van oude films. Directeur L. Ricci: “We kopen wel een dure Picasso in het buitenland, maar voor ons eigen culturele erfgoed hebben we zowat niets over.”

Cineco zou wel meer buitenlandse films willen bewerken, maar in Europa mag een producent alleen in het land waar hij subsidie krijgt zijn films laten afdrukken. Dit is een van de redenen waarom het bedrijf nog deze zomer een lab in België opent.

Cineco ontwikkelt 95 procent van de Nederlandse bioscoopfilms en 90 procent van de commercials. In bijna alle ruimtes van het gebouw dringt iets van de glamour van de filmwereld door. Posters van films die bij het bedrijf zijn afgewerkt, hangen aan de muur, en in een van de ruimten hangt een bord waarop beroemdheden, zoals Peter Greenaway, Alex van Warmerdam en Derek de Lint hun naam hebben geschreven.

Ron Pronk, medewerker in de machinehal van Cineco, krijgt uitnodigingen voor premières en feestjes en hij bezoekt ze dan ook. Hij houdt van feesten en het is aardig dat er sterren aanwezig zijn, maar “het is soms wel koude kak, hoor”.

Pronk, die twaalf jaar in het bedrijf werkt, zegt niets om film te geven. Hij kijkt bijna nooit, ook niet op televisie. Maar: “Ik vind het fabricageproces mooi.”

Tegen zes uur lopen Pronk en zijn collega Hans de Beer naar de kantine. Iemand heeft eten gehaald, en terwijl dit naar binnen wordt gewerkt, ontspint zich een gesprek over de komst van de twee andere filmlaboratoria naar de hoofdstad.

Voor zichzelf hopen ze op een grote verandering na de overname: dat het wat minder druk wordt. Pronk: “Op het moment werken we soms zeven dagen in de week. We horen ook pas kort van te voren wanneer en tot hoe laat we moeten werken.” Hard werken is één ding, de laatste tijd worden ze ook op steeds wisselende plaatsen in het bedrijf ingezet. Er zit een aardige kant aan, maar ook een minder prettige: “Je moet erg opletten bij het omschakelen.”

“Ach ja”, moppert de Beer in het algemeen, “Tegenwoordig is het overal zo, mensen durven geen nee te zeggen, dan liggen ze eruit. Bij Cinecentrum, de voorganger van Cineco, dat onder meer het Polygoonjournaal afwerkte, was het gemoedelijker: “We hadden nog tijd om samen naar het café te gaan.” Pronk: “Wij doen dat nog steeds.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden