Van boers en plat tot handig in gebruik DIALECT

Taalfestivals en dialectendagen trekken volle zalen, tijdens de eerste nationale voorleesdag werd voorgelezen in Limburgs, Twents en in plat Haags. Taalwetenschapper Ton Vallen uit Tilburg vindt het maar gek dat die belangstelling voor dialecten nauwelijks weerklank vindt in het onderwijs. Terwijl hij ervan overtuigd is dat de dialectsprekende kinderen veel baat hebben bij het gebruik van de streektaal in de klas.

Vallen werkt bij het werkverband Taal en Minderheden van de letterenfaculteit van de Katholieke Universiteit Brabant in Tilburg. De meeste tijd gaat zitten in onderzoek naar het leren van Nederlands als tweede taal door buitenlandse kinderen. Maar de vakgroep besteedt ook aandacht aan het gebruik van dialect. “We proberen”, zegt hij, “hier een elegante combinatie te maken tussen die twee gebieden. De problematiek van Turks en Arabisch sprekende kinderen is veel groter. Maar dat wil niet zeggen dat dat andere niet bestaat, of dat het niet geoorloofd zou zijn tijd te steken in het gebruik van het dialect. Bovendien zijn er overeenkomsten.” Jaren geleden heeft een school in Kerkrade de hulp ingeroepen van Vallen en zijn collega's. De leerkrachten hadden de indruk dat de tegenvallende prestaties van hun leerlingen te wijten waren aan het feit, dat ze thuis een andere taal spraken dan op school. Of de academici een oplossing konden geven? Dat konden ze niet, want het probleem was niet in kaart gebracht. Maar een onderzoek naar de kwestie, dat behoorde wel tot de mogelijkheden.

Op advies van de wetenschappers werd het verbod op het spreken van Limburgs in de klas opgeheven. Waar het kon, werd voortaan gebruik gemaakt van het dialect. Zo moesten de kinderen er met bandrecorder op uit, om hun familie en buren te ondervragen over de Tweede Wereldoorlog. Die gesprekken voerden ze in het Limburgs. Ze voelden haarfijn aan dat ze daarmee de meeste informatie loskregen. Op school werd dat niet afgestraft, maar gewaardeerd, al moesten de verslagen wel in het Nederlands. Het was immers nadrukkelijk niet de bedoeling het Nederlands af te leren.

Na een paar jaar experimenteren, bleek dat de prestaties verbeterd waren. “Niet in de zin van cijfers op de Cito-toets”, zegt Vallen. “Dat maakte niet veel uit. Maar het probleem zat er vooral in, dat de dialectsprekende kinderen in de klas zo weinig zeiden. Ze werden gebombardeerd tot zwijgers, omdat ze in hun eigen taal niet mochten praten en in het standaard-Nederlands niet konden praten. Als je het belangrijk vindt dat kinderen hun woordje kunnen doen, dan moet je accepteren dat er taalverschillen zijn.”

De wetenschapper zal vandaag in Wolvega hartelijk worden ontvangen. De federatie van Streektaalorganisaties in het Nedersaksisch taalgebied (Sont), houdt een onderwiesdag over 'De streektaal en de streek in het onderwijs.' Sont-voorzitter Jan Tissing - in het dagelijks leven medewerker van genootschap De Drentse Taol -heeft de indruk dat de interesse in het onderwijs iets toeneemt. Dat meet hij af aan de tamelijk gretige aftrek van lespakketten in en over het Drents. Ook in de rest van het taalgebied van Sont (Groningen, een klein deel van Friesland, Overijssel en Gelderland) wordt er op scholen redelijk aandacht aan besteed. Hoewel Tissing als 'volbloed Drent' een warm pleitbezorger is van het dialect, is het niet zijn streven het dialect op school aan te leren. “De wereld is tweetalig, er is de taal van thuis en die van buiten. Het gaat erom dat de kinderen de taal leren onderscheiden, dat ze taalgevoeliger worden. En dat het gevoel van minderwaardigheid wordt weggenomen.”

Aan dat opheffen van dat minderwaardigheidsgevoel kunnen de leerkrachten veel doen, denkt Vallen. Ze moeten zich verre houden van oordelen dat dialectsprekers 'plat, dom en boers' zijn. Al was het maar uit pedagogisch-didactische overwegingen: “Dat is onverstandig, want de kinderen houden dan hun mond. Bovendien is het gevaar dat de kinderen zelf ook gaan geloven dat ze dom, plat, dom en boers zijn. Het is verstandiger voort te bouwen op wat ze al weten, dan het negatief te benaderen.”

Maar er is ook een gewichtig leerpsychologisch argument. Onderzoek heeft volgens Vallen uitgewezen dat iemand die een hoog niveau bereikt in de thuistaal, ook in de tweede taal een grote kans heeft op een hoog niveau.Vallen: “Dat pleit dus vrij sterk voor het gebruik van dialect in het onderwijs.”

Ten minste, als dialect een taal is. Vallen vindt het 'te formalistisch' domweg te zeggen dat dialect geen taal is. “Streektalen zijn een variatie van het Nederlands en behoren als zodanig tot het Nederlands.” Maar de afstand tussen, bij voorbeeld, een Zeeuws dialect en het Nederlands is veel kleiner dan dat tussen Turks en het Nederlands. Dat betekent volgens de wetenschapper dat de standaardtaal vanuit de moedertaal makkelijker is aan te leren dan vanuit een andere taal. “Maar de kinderen hebben hetzelfde belang: het onderwijs moet aansluiten op dat wat ze thuis meekrijgen.”

Het is in dat verband het handigst als dialectsprekende ouders dat consequent blijven doen, ook als de kinderen de schoolgaande leeftijd hebben bereikt. “Ik ben er niet voor dat ouders die thuis exclusief dialect spreken, over gaan op Nederlands. Omdat ze denken dat het beter is voor de kinderen, vervallen ze in een varieteit van het Nederlands die lijkt op het Nederlands, maar in woordenschat en zinsbouw afwijkt. Dat wordt vlees noch vis. Ga daar maar eens aan staan als leerkracht.”

De Tilburgse taalkundige weet dat aandacht voor het dialect ook een bijdrage kan leveren aan het verminderen van achterstand van kinderen uit lagere milieus, hoewel ook in hogere milieus dialect wordt gesproken. Het verschil is volgens hem, dat hogere milieus tweetalig zijn: men gebruikt dialect en standaardtaal. In lagere milieus wordt daarentegen veel vaker uitsluitend in dialect gepraat. Aangenomen dat het gebruik van dialect bevorderlijk is voor de prestaties is het dus aanbevelenswaardig het te waarderen in plaats van te negeren.

Het gebruik van het dialect of van een andere taal op school is naar het oordeel van Vallen op geen enkele manier een bedreiging voor de beheersing van het standaardtaal. In Friesland zijn sinds de invoering van de Friese taal de prestaties in het Nederlands niet verslechterd, in Leiden en Twente zijn de taalresultaten evenmin negatief beinvloed door Turkse en Arabische les op school. En in Kerkrade ook al niet.

Van ouders die zelf geen dialect spreken, valt volgens Vallen weinig tegenstand te duchten. In Kerkrade had geen enkele Hollander bezwaar tegen de aandacht voor het Limburgs. Integendeel: “Ze wilden juist van ons het dialect leren. Dat hadden ze nodig om mee te tellen in de kroeg of in het verenigingsleven.”

In Drenthe heeft Jan Tissing ook louter entousiasme bespeurd bij kinderen voor wie het Drents vreemd was. Voor de leerkracht die de streektaal niet beheerst, is er een cassettebandje in origineel Drents bij het lespakket gevoegd. Tissing: “En erover praten kan gelukkig in beide talen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden