Van achter de IJssel

Ze komt oorspronkelijk van achter de IJssel, uit Stapmuiden, bij Genestein, maar toen zij en haar man ergens in Friesland een boerderij konden kopen, trokken ze daar naar toe. Zij had het er best naar haar zin, ze boerden goed, maar met de kerk bleef het behelpen, de boerin is Gereformeerde Bondse van huis uit en ze vond die dominees in het Friese te licht. Ze sloeg geen zondag over, trouw zat ze op haar vaste stekje, maar van binnen kreeg ze steeds ruzie met het mannetje op de kansel. De enige verandering die ze zichzelf in de loop der jaren toestond was dat ze, hoewel Gods woord het anders voorschrijft, met ongedekten hoofde het godshuis betrad. Naar het Avondmaal ging ze nooit, dan bleef ze op haar plaats tot de anderen, aan een lange tafel onder de kansel gezeten, klaar waren.

Om de zoveel jaar komt er een nieuwe dominee in het dorp. Die heeft dan meestal gauw in de gaten dat die boerin een bijzondere vrouw is, fijnzinnig, hartelijk, wijs. En dus schrikken al die dominees wanneer ze, voor de eerste maal de Maaltijd des Heren bedienend, achter in de kerk onze boerin ontwaren, stilletjes wachtend tot het over is. Meestal verschijnen zij dan nog diezelfde week op huisbezoek. Tijdens hun studie hebben ze allemaal wel eens iets over Avondmaalsmijding gehoord, en zie, in hun eerste gemeente komen ze het verschijnsel zomaar in het wild tegen. Zij erop af, hier is werk aan de winkel. Ze krijgen allemaal nul op het rekest.

Na jaren en jaren vroeg ze mij eens: “Nu bent u een vrijzinnige dominee, dat mag ik zo toch wel zeggen.”

“Ja hoor”, zei ik, “dat mag u zo wel zeggen.”

“En u weet dat ik nooit aan het Avondmaal ga. Maar u hebt mij nog nooit gevraagd waarom ik niet ga. Ik denk altijd: hij zal er ook wel een keer over beginnen. Maar u zwijgt erover. Waarom doet u dat?”

“Nooit gedurfd”, zei ik. “Ik denk dat het heilige grond is. Ik vermoed dat het meer iets persoonlijks is dan iets van theologie.”

“Wat denkt u dan?”

“Ik denk dat het iets tussen u en uw ouders is. U hebt mij eens verteld dat uw vader en moeder ook nooit naar de Maaltijd des Heren gingen. Ik denk dat u een beetje bij die lieve ouders van u in de buurt wil blijven. Als zij er te zondig voor waren, dan bent u het ook.”

“Nog veule zondiger”, zei ze, in tranen. “Mijn ouders waren zulke goede mensen, allebei. Ik ben veule slechterder.”

De boerin heeft tot haar grote verdriet geen kinderen gekregen. Van huis uit heeft ze geleerd dat God daar wel een bedoeling mee zal hebben, het is de HEERE die de moederschoot toesluit dan wel ontsluit, ook dat staat in de Schrift geschreven. Maar van die theologie heeft ze zich gelukkig toch min of meer bevrijd. Zij zal de laatste zijn om haar verdorvenheid te ontkennen, maar in haar kinderloosheid een straf van God zien, dat koopt ze niet meer. Ze leeft liever met een bitter raadsel dan met een bitter antwoord.

Als ze kinderen had gekregen, was ze misschien vroeg of laat wel aan het Avondmaal gegaan. Mensen veranderen eigenlijk alleen maar in een intieme, vertrouwensvolle relatie. Als het goed is heb je zo'n intieme band met je ouders en met je kinderen. Je ouders reiken je waarden en normen aan, je kinderen helpen je die waarden en normen bij te stellen, wanneer de tijd dat vraagt. Dan zeg je tegen je ouders, nog in leven of alreeds gestorven: “Lieve vader en moeder, tot nu toe ben ik één geweest met u door niet naar de Tafel des Heren te gaan, nu wil ik één zijn met mijn kinderen, ik wil ze geen verdriet doen en zoals zij erover denken, ja, dat is toch ook heel mooi.”

Maar de boerin heeft geen kinderen die haar misschien over de brug hadden kunnen helpen.

Later kwamen we er weer eens over te spreken. “U zou het naar vinden”, zei ik, “als uw ouders over het randje van de hemel keken en u daar onder de kansel aan tafel zagen zitten.”

Ik heb daar altijd fantasieën over, over het randje van de hemel. Maar de boerin niet. “Onzin”, zei ze. “De doden zien ons niet, dat weet ik heel zeker.”

“Hoe weet u dat zo zeker?”

“Het is daar de hemelse zaligheid. Mijn vader en moeder zijn beiden, daar ben ik ook zeker van, de hemelse zaligheid deelachtig geworden. En dus zien en horen zij niet wat er op aarde gebeurt. Stel je voor: dan zien ze mij, dan zien ze wat ik doe en worden ze gewaar wat ik denk - nou, dan zitten ze niet echt in de zaligheid, want ik weet niet hoe het met u is, maar met mij is het niet best.”

Eens, het is al jaren terug, was ze weer eens in haar geboortestreek naar de kerk geweest, in Genestein, bij Stapmuiden. Ze kwam er gebroken uit. Dat de mens geneigd is tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goed en dat zulks Gods toorn oproept, dat mag ze graag horen, want zo is het. Maar de dominee van Genestein die het kerkvolk er ongenadig van langs gaf en in een donderpreek van drie kwartier met hel en verdoemenis dreigde zonder ook maar één toefje genade aan zijn zwaar en zwart brouwsel toe te voegen, dat was haar toch te gortig. Ze was er zo door van slag, dat ze er die nacht niet van kon slapen.

Zou ze, al zo lang in Friesland van de rechte prediking verwijderd, dan toch wat lichter zijn geworden, ietsje vrijzinniger? Of dacht ze er nu zelf te gemakkelijk over? Die harde, wrede God uit Genestein, die was haar God niet meer. Maar wat spookte hij dan nog in een verborgen hoek van haar ziel? Ze kon er niet van slapen.

“Ben jij nog wakker?” vroeg ze aan haar man.

Hij was nog wakker.

“Ik ben toch zo allemachtig kwoad”, zei ze. “Ik kan oe niet zegg'n hoe kwaod of ik ben. Ik wolde dat ik een brief kon skrieven. Dan skreef ik die dominee een brief. Moar twee regelties. Ik skreef: Als ik boas was en mien knecht sprak zó over mien, ik zou 'm op stoande voet ontsloan.”

Ze woont nu weer bij de IJssel. Ik heb haar laatst weer eens opgezocht. Het is echt een schat en haar man is ook te goed voor deze wereld. Soms denk ik aan hen, als ik naar voren loop om naar het Avondmaal te gaan. Dan schaam ik me een beetje.

“Hoe is het met de kerk hier?” vroeg ik.

“We hebben een fijne dominee. Volgende week komt hij op bezoek.”

“Dan mag je dat wel even wegleggen”, zeg ik, wijzend op een boek van mij vol ketterijen, dat nogal in het zicht ligt.

“Nee hoor, dat hoeft niet”, zegt ze. “Hij weet dat we oe kenn'n.”

De Margriet haalt ze dan wel weg. Dominee heeft liever niet dat ze dat blad leest, en wat zal ze aanstoot geven?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden