Column

Van Aartsen is de Nederlandse Trudeau

Jozias van Aartsen heeft als burgemeester de ervaring dat de stad baat heeft bij samenwerking met de verscheidene salafistische moskeeën. Beeld anp

Tot nu toe was mij ontgaan dat de Amerikanen een Nationale dag van de godsdienstvrijheid kennen. Elk jaar op 16 januari herdenken zij dat op die datum in 1786 het Statuut van Virginia tot stand kwam, dat dit belangrijke grondrecht van de burgers op voorspraak van de liberale Thomas Jefferson vastlegde. Enkele jaren later werd het als oerbeginsel van de Amerikaanse democratie, tezamen met de vrijheid van meningsuiting, verheven tot het beroemde Eerste amendement op de Grondwet.

Zou het iets voor ons land zijn, een dag waarop de natie stilstaat bij de herkomst en betekenis van de vrijheid van godsdienst? Het is misschien wel urgent, nu zelfs de Tweede Kamer, het hoogste orgaan in onze democratie, zich niet meer van dit saillante burgerrecht bewust lijkt te zijn. Dat was althans de harde kritiek van de Haagse burgemeester Jozias van Aartsen op het verzoek van de Kamer aan de regering een verbod op salafistische organisaties te onderzoeken.

Dat verzoek was vastgelegd in een motie van VVD en PvdA, die eind 2015 dankzij de steun van de drie christelijke partijen en de PVV met zeer ruime meerderheid werd aangenomen. Het is dus van meer dan gewone betekenis dat de kritiek kwam uit de mond van Van Aartsen, oud-fractieleider van de VVD in de Tweede Kamer, gekneed in het liberale gedachtengoed en als voormalig minister en ambtenaar vertrouwd met de alpha en omega van de rechtsstaat.

Geloof
In het liberale avondblad zei hij begin deze maand: "We hebben in Nederland vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst. Wij beoordelen mensen niet op gedachten en ideeën. Dat is de hoeksteen van de rechtsstaat waarop onze democratie is gebaseerd. Ik vraag mij af of de Tweede Kamer zelf nog wel gelooft in de beginselen van de rechtsstaat."

Aan dit fundamentele bezwaar voegde Van Aartsen een bestuurlijk argument toe. Als burgemeester heeft hij de ervaring dat de stad baat heeft bij samenwerking met de verscheidene salafistische moskeeën. Die samenwerking pakt goed uit voor de openbare orde, de integratie en de sociale vrede in een gemeente met een grote etnische en culturele verscheidenheid. Een verbod op salafistische organisaties zou volgens Van Aartsen het averechtse effect hebben "dat deze mensen apart worden gezet en uitgesloten van onze samenleving, terwijl we dat juist niet willen".

Dit bestuurlijke argument heeft ook een sterke politieke betekenis, omdat het een beslissend verschil maakt tussen een ontvankelijke en een afwerende houding.

In de Kamer is onder invloed van het populisme de afweerhouding dominant, waardoor het beeld van immigranten sterk negatief wordt gekleurd. Dat maakt het voor lokale bestuurders moeilijk een voor alle inwoners acceptabel beleid te voeren, zoals de problemen rondom azc's laten zien. Het voorbeeld van de jonge, liberale premier Justin Trudeau van Canada die immigratie positief en met een insluitende aanpak benadert, lijkt hier verder weg dan ooit.

Gevaar
De motie van de Kamerleden Marcouch (PvdA) en Tellegen (VVD) doet zelfs geen poging daaraan een bijdrage te leveren door 'het salafisme' als een gevaar voor de rechtsorde te bestempelen. Marcouch noemde deze stroming in de islam zelfs 'het voorportaal van de gewelddadige jihad'. Ga er dan maar aan staan als burgemeester die wel oog heeft voor de schakeringen en in het belang van de stad met zulke organisaties wil samenwerken. Van Aartsen hekelde dan ook scherp het gemak waarmee de Kamer het salafisme ongenuanceerd gelijk stelt aan jihadisme.

Zijn rechtsstatelijke argument is dat je mensen wel kunt vervolgen wegens daden, zoals het prediken van geweld, maar niet vanwege opvattingen, ook al zijn die orthodox. Het zat hem hoog, zei hij, dat de Kamer dit niet meer weet. In wezen laakte hij hiermee het opportunisme van zijn eigen partij en andere partijen met het islamofobische sentiment mee te buigen ten koste van het oerrecht van de moderne democratie, de religie- en uitingsvrijheid.

Een Dag van de godsdienstvrijheid zou ook daarom niet gek zijn om ook deze natie te bepalen bij het grote belang van de vrijheid van burgers hun geloof te praktiseren en het gebod aan de overheid alle kerken gelijk te bejegenen. Er zal geen heersende kerk zijn, bepaalde onze eerste democratische grondwet, de Bataafse staatsregeling van 1798, die daarmee een eind maakte aan de bevoorrechte positie van de Nederlandse Hervormde kerk. De godsdienstvrijheid heeft hier dus net als in Amerika oude papieren, maar je zou het, met Van Aartsen, niet zeggen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden