Vakbondsman Wim Kok bevocht compromissen te vuur en te zwaard

Den Haag, 19 november 1982, FNV-voorzitter Wim Kok demonstreert bij de Poolse Ambassade voor de Poolse vakbond Solidarnosc. Beeld Hollandse Hoogte / Bert Verhoeff

Als vakbondsman stak Wim Kok met kop en schouders boven zijn collega’s uit, schrijft Huub Elzerman, ex-Trouw-redacteur, die hem in de jaren tachtig van nabij meemaakte.

Een groot staatsman, een formidabel sociaal bewogen vakbondsleider met een enorme uitstraling, een sociaal-democraat in hart en ziel, internationaal geroemd om zijn vermogen om te polderen. Geliefd en gevreesd. Wim Kok (1938-2018) krijgt bij zijn verscheiden veel lof toegezwaaid. En terecht. Hij was een charismatisch man, maar ook een man van paradoxen. Achter zijn bereidheid om compromissen te sluiten, schuilt een man die wist dat hij die compromissen te vuur en te zwaard moest bevechten. Hij vocht niet alleen met de werkgevers, maar ook met zijn eigen kameraden.

Over één ding zijn vriend en vijand het wel eens: Wim Kok stak als vakbondsman met kop en schouders boven zijn collega’s uit. Als voorzitter van de FNV (1976-1985) was zijn leiderschap onbetwist. En hij werd gevreesd. Zijn dossierkennis, zijn strategisch inzicht, zijn debattechniek en zijn balanceerkunst waren fenomenaal. 

De keerzijde van die overmacht was dat hij mensen de mond kon snoeren, in de hoek zetten en met zijn onderkoelde ironie naar adem laten happen. Zijn minachting voor medebestuurders die hun huiswerk niet hadden gedaan, was vaak van zijn gezicht af te scheppen. Tegelijkertijd kon hij jongensachtig verlegen zijn, buitengewoon vriendelijk en hoffelijk. De arbeiderszoon uit Bergambacht was zich van die eigenschappen ook wel bewust: “Ik denk dat ik vrij koel overkom”.

Paplepel

De liefde voor de vakbeweging kreeg de jonge Wim door zijn vader met de pap­lepel ingegoten. Vader Kok was een trouw lid van de Bouwbond NVV en is dat, net als zijn zoon, zijn hele leven gebleven. Een vakbondscarrière voor zoon Wim lag niettemin niet voor de hand. Wim Kok volgde na de mulo en de hbs de opleiding bedrijfskunde aan Nyenrode. Zijn verblijf op een handelskantoor was echter van korte duur. In 1961 trad hij als economisch medewerker in dienst van de Bouwbond NVV.

Daarna ging het snel: hij klom op tot voorzitter van de NVV en van diens opvolger, de FNV. In de jaren 1976-1985 groeide hij uit tot het uitgesproken gezicht van de vakbeweging.

Hand van de meester

“Verdomme, hier kan ik niet mee thuiskomen. Hoe kan ik dit uitleggen?” Het tafereel speelt zich in het begin van de jaren tachtig af in de lift van het FNV-gebouw in Amsterdam, de vertwijfelde spreker is Cees Schelling. De dit voorjaar overleden voorzitter van de Voedingsbond FNV heeft zojuist de vergadering van de federatieraad verlaten.

In deze raad, waarin de voorzitters van de aangesloten bonden en het federatiebestuur onder leiding van Wim Kok de dienst uitmaken, heeft zich een bekend patroon ontvouwd. Kok heeft zich gewoontegetrouw uitvoerig laten informeren, heeft voorgesprekken gehad met de sleutelfiguren, heeft alle stukken zorgvuldig gelezen en hij laat in de vergadering een van zijn vicevoorzitters het betreffende stuk toelichten. Vervolgens mogen de voorzitters hun riedel afdraaien, waarna Kok zelf een standpunt formuleert, waarin iedereen zich wel herkent, maar waarin ook de hand van de meester duidelijk zichtbaar is.

Wie dan nalaat om bezwaar te maken, laat zijn beurt voorbijgaan. Kok wil maar één ding: een unaniem standpunt van de federatieraad, waaraan niet meer kan worden getornd. Natuurlijk is er na de samenvatting van Kok altijd gelegenheid voor een repliek, maar degene die zich daaraan waagt krijgt te maken met een voorzitter die precies weet wat hij wil en die dankzij een heel knappe samenvatting de meerderheid van de raad al achter zich heeft. 

Het resultaat is een foeterende Schelling die zich in de lift afvraagt hoe hij aan zijn thuisfront kan verkopen dat hij akkoord is gegaan. “Dan had je tegen moeten stemmen, Cees. Nu is het te laat.”

Geen voet aan de grond

Schelling pakt het minder slim aan dan zijn collega Jaap van der Scheur, de voorzitter van de almachtige bond voor overheidspersoneel, de AbvaKabo. Ook Van der Scheur krijgt in geen enkel debat met Kok voet aan de grond. Maar in plaats van in te stemmen, zegt Van der Scheur als het hem uitkomt: “Je zal wel gelijk hebben Wim, maar ik moet dit thuis toch even navragen. Je hoort nog van ons.”

Amsterdam, 31 januari 1977, Wim Kok krijgt uitleg van actieleider Frans Drabbe over komende acties. Beeld Hollandse Hoogte / Bert Verhoeff

Tussen Kok en Van der Scheur is nimmer sprake geweest van een warme band. Die band was er wel met vicevoorzitter Herman Bode. (“Willen jullie naar de Dam, dan gaan we naar de Dam!”). En met de zeer strijdbare voorzitter van de Industriebond, Arie Groenevelt. Die gedroeg zich intern, om een niet meer te achterhalen reden, als een soort vader van Wim Kok. Hij waakte over diens belangen en degene die Kok aanviel kon rekenen op een sneer van Groenevelt: “Voorzitter”, riep hij. “Let niet op Cees Schelling. Hij is gek.”

Kok zag het met lede ogen aan. Het lukte niet de ruzie tussen beide mannen binnenskamers te houden. Ze rollebolden over straat.

Koersverlegging

Kok kon meestal rekenen op de steun van de Industriebond. Groenevelt was er als de kippen bij toen er midden jaren tachtig een rapport op tafel kwam over de verhouding tussen markt en collectieve sector, waarin ten principale werd gekozen voor het belang van de marktsector als aanjager van de economie. Groenevelt opende het debat met zijn favoriete verwijzing naar ‘het trouwe lid’.

Groenevelt: “Ik kwam een kaderlid van de bond tegen, een goed vakman, een metaalbewerker, en die zei tegen mij: ‘Arie ik heb geweldig geluk gehad. Ik heb een baan, ik ben binnen’. Toen vroeg ik: Wat voor een baan? Die man zei: ‘Ik ben conciërge geworden op een lagere school’.” Groenevelt met overslaande stem: “Voorzitter, zo ver is het gekomen dat een goede metaalbewerker blij is als hij in de collectieve sector conciërge wordt op een lagere school. Zo ver is het dus nu gekomen.”

Ook de rest van de federatieraad, behalve de AbvaKabo, realiseerde zich dat uitbreiding van de collectieve sector – onder Den Uyl nog een panacee voor de oplopende werkloosheid – er niet meer in zat. De koersverlegging, het nieuwe evenwicht tussen markt en collectieve sector, werd FNV-beleid. Kok is vooral bekend geworden als de architect van het Akkoord van Wassenaar, maar deze stille koersverlegging in de vakcentrale was voor het toekomstige beleid van de vakbeweging minstens zo belangrijk.

Je linkervuist, Wim

Kok schuwde de stakingsactie niet, maar dat wil niet zeggen dat hij er dol op was. Op de grote bouwvakkerdemonstratie in Utrecht in 1985 moest hij bijna letterlijk op het podium worden geduwd. Tegenover zo’n kolkende massa van 40.000 bouwvakkers voelde hij zich allerminst op zijn gemak. Hij balde zijn rechtervuist boven zijn hoofd om zijn speech kracht bij te zetten. Na afloop kreeg hij te horen: De volgende keer je linkervuist Wim. Dit was de anarchistengroet.

Nee, hij voelde zich op de barricade minder goed thuis dan achter de overlegtafel. “Wij roepen eigenlijk nooit op tot stakingsactie”, liet hij zich eens ontvallen. “We halen het deksel van de put.”

Hoe kritisch zijn achterban ook was, Kok heeft er niet, althans niet zichtbaar, onder geleden. Hij was zonder twijfel de man van het compromis, van de overlegtafel. Tegelijkertijd wist hij dat hij diezelfde kritische achterban bitter hard nodig had om druk uit te oefenen als het aan de overlegtafel niet lukte om overeenstemming te bereiken. “Je radicale leden zijn soms wel lastig”, zei hij, “maar als puntje bij paaltje komt dan heb je ze wel nodig.”

Trouw

Deze opmerking – het gesprek ging over radicale Rotterdamse havenarbeiders – maakte hij niet in een achterafzaaltje. Plaats van samenkomst was de nieuwjaarsreceptie van koningin Beatrix in het Paleis op de Dam, waar hij als minister van staat aanwezig was. Hij ontmoette er voor het eerst de nieuwe voorzitter van FNV Bouw, John Kerstens, nu Kamerlid van de PvdA. “Weet jij wel”, vroeg Kok, “dat ik lid ben van jouw bond?”

Het is tekenend voor Wim Kok. Hij is altijd trouw gebleven aan de bond waar hij zijn opwachting maakte. Toen als veelbelovende jonge vakbondsbestuurder en, meer dan een halve eeuw later, als de éminence grise onder de ministers van staat in een koninklijk paleis. Met al zijn hoge onderscheidingen – en hij had er vele – was hij tot het laatst trots op zijn eenvoudige lidmaatschap van de Bouwbond FNV.

Huub Elzerman is oud sociaal-economisch redacteur van Trouw. Namens de Nederlandse Vereniging van Journalisten zat hij van 1980 tot 1984 in de federatieraad van de FNV en maakte in die hoedanigheid Kok van nabij mee.

Lees ook:

Herinneringen aan Wim Kok, de nuchtere leider van de jaren negentig

Collega-politici halen herinneringen op aan ‘de laatste echt grote premier’.

Het mysterie van Wim Kok

Als een publiek persoon overlijdt, willen mensen weleens nadrukkelijk laten weten dat ze hem of haar in levenden lijve hebben ontmoet, en dat kan enige irritatie opwekken, schrijft Stevo Akkerman. Bij mij althans.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden